Zoeken in deze blog 🔎🔎

maandag 3 augustus 2026

Natascha van Weezel en De Cultuur van het Narcisme

Voordat ik met mijn kritiek op de Joods-Zionistische   Parool-columniste Natascha van Weezel begin, wil ik eerst de lezer van mijn weblog verzoeken een fragment te overdenken van wijlen de Amerikaanse hoogleraar: "Robert Christopher Lasch (1 juni 1932 – 14 februari 1994), de befaamde Amerikaanse historicus en sociaal criticus die hoogleraar geschiedenis was aan de Universiteit van Rochester. Lasch schreefondermeer de bestseller 'The Culture of Narcissism' werd een verrassende bestseller en won de National Book Award in de categorie 'Actuele Interesse.' 

Lasch probeerde de geschiedenis te gebruiken om aan te tonen hoe alomtegenwoordig grote instellingen, zowel publiek als privé, de competentie en onafhankelijkheid van gezinnen en gemeenschappen ondermijnden. Daarom streefde hij ernaar een historisch onderbouwde sociale kritiek te ontwikkelen die Amerikanen kon leren omgaan met ongebreideld consumentisme, proletarisering en wat hij beroemd 'de cultuur van narcisme' noemde.

Lasch bleef altijd een criticus van het moderne liberalisme en een historicus van de onvrede binnen het liberalisme, maar in de loop der tijd evolueerde zijn politieke perspectief dramatisch. In de jaren zestig was hij een neomarxist en een scherpe criticus van het Koude Oorlog-liberalisme. Vanaf de jaren zeventig combineerde hij bepaalde aspecten van het cultureel conservatisme met een links georiënteerde kritiek op het kapitalisme en maakte hij gebruik van door Freud beïnvloede kritische theorie om de voortdurende achteruitgang die hij waarnam in de Amerikaanse cultuur en politiek te diagnosticeren.  Lasch concludeerde uiteindelijk dat een vaak onuitgesproken, maar alomtegenwoordig geloof in 'Vooruitgang' Amerikanen vaak ongevoelig maakte tegen veel van zijn argumenten. In één van zijn laatste belangrijke werken, The True and Only Heaven, onderzocht hij dit thema diepgaand en suggereerde hij dat Amerikanen veel konden leren van de onderdrukte en misbegrepen populistische en ambachtelijke bewegingen van de negentiende en vroege twintigste eeuw."

Het fragment dat ik u voorleg is uit zijn boek De Cultuur van het Narcisme. American Life in an Age of Diminishing Expectations, een fragment dat handelt over De Banaliteit van het Pseudo-Zelf- Bewustzijn. Ziehier:

"De rol van de massamedia bij de manipulatie van de publieke opinie heeft veel bezorgde, maar overtrokken aandacht gekregen. De kritiek neemt vaak aan dat het erom gaat duidelijke onwaarheden te verbieden, hoewel duidelijk is gebleken, zoals scherpzinniger critici van de massacultuur hebben opgemerkt, dat door de groeiende betekenis van de massamedia de categorieën ‘waar’ en ‘onwaar’ irrelevant zijn voor een evaluatie. De waarheid is geweken voor geloofwaardigheid, feiten voor verklaringen die gezaghebbend klinken zonder enige gezaghebbende informatie door te geven. 


Uitspraken die meedelen dat een bepaald product de voorkeur geniet van vooraanstaande specialisten zonder dat erbij verteld wordt waarboven het geprefereerd wordt, uitspraken die beweren dat een bepaald product beter is dan niet nader genoemde andere producten, uitspraken die impliceren dat een bepaald kenmerk uitsluitend hoort bij het product in kwestie terwijl in werkelijkheid ook de concurrerende producten dit kenmerk vertonen, al dergelijke uitspraken doen de grens tussen waarheid en leugen vervagen in een nevel van aannemelijkheid. Dergelijke beweringen zijn ‘waar,’ maar tevens volstrekt misleidend. Ron Ziegler, de woordvoerder van het Witte Huis tijdens president Nixon, heeft eens de politieke bruikbaarheid van deze techniek aangetoond toen hij toegaf dat zijn eerdere verklaringen over Watergate ‘niet meer van kracht’ waren. Veel commentatoren namen destijds aan dat Ziegler op eufemistische wijze wilde zeggen dat hij had gelogen. Hij bedoelde echter dat zijn eerdere verklaringen niet meer geloofwaardig waren. Ze waren ‘niet meer van kracht,’ niet door hun onwaarheid, maar doordat ze geen instemming meer konden wekken. De vraag of ze waarheid dan wel leugen bevatten deed er niet toe.

Adverteren en Propaganda.


Daniel Boorstin heeft erop gewezen dat wij leven in een wereld van pseudo-gebeurtenissen en quasi-informatie, waar de atmosfeer verzadigd is van verklaringen die waar noch onwaar zijn, alleen geloofwaardig. Zelfs Boorstin bagatelliseert echter de mate waarin de uiterlijke schijn – de ‘images’ – de Amerikaanse maatschappij overheersen. Omdat hij terugdeinst voor de onaangename consequenties van zijn onderzoek maakt hij een verkeerd onderscheid tussen reclame en propaganda, waardoor hij een sfeer van technologische rationaliteit als feit aanneemt – een sfeer die de werkzaamheid van de staat omvat, evenals een groot deel van wat er dagelijks gebeurt in de moderne industrie – waar de irrationaliteit van het image niet kan doordringen. Propaganda, die hij uitsluitend identificeert met totalitaire regimes, bestaat uit ‘opzettelijk bevooroordeelde informatie,’ aldus Boorstin; bovendien is deze informatie ‘voornamelijk afhankelijk van een beroep op de emoties’ – terwijl een pseudo-gebeurtenis een ‘dubbelzinnige waarheid’ weergeeft, die een beroep doet op ‘ons oprecht verlangen naar informatie.’ Dit onderscheid snijdt geen hout. Het berust op een primitieve opvatting van moderne propaganda, een kunst die zich sinds lang meester heeft gemaakt van de nieuwste technieken van de moderne reclame. 


De meesterpropagandist vermijdt, net als de reclamedeskundige, een voor de hand liggend beroep op de emoties en streeft naar een indruk die overeenkomt met het prozaïsche karakter van het moderne leven – dorre, smakeloze nuchterheid. De propagandist zal ook niet ‘opzettelijk bevooroordeelde informatie’ de wereld insturen. Hij weet dat halve waarheden zich beter lenen tot bedrog dan leugens. Daarom probeert hij het publiek te imponeren met statistieken over economische groei die toevallig nooit het basisjaar noemen vanwaar de groei berekend wordt, met juiste, maar betekenisloze feiten over de levensstandaard – met andere woorden: met onbewerkte en ongeïnterpreteerde gegevens, waaruit het publiek de onvermijdelijke conclusie mag trekken dat alles steeds beter gaat en dat het huidige regime het vertrouwen van het volk verdient, ofwel dat de zaken zo snel verslechteren dat het huidige regime door middel van noodwetten extra macht hoort te krijgen om de aanstaande crisis aan te kunnen. Door juiste details te gebruiken voor een misleidend totaalbeeld maakt de goede propagandist, zoals het wel geformuleerd is, de waarheid tot de belangrijkste vorm van leugen. Zowel bij propaganda als bij reclame is de belangrijkste overweging niet of de informatie een juiste beschrijving geeft van een objectieve situatie, maar of de boodschap waarschijnlijk klinkt. Soms blijkt het nodig informatie tegen te houden, zelfs als deze gunstig is voor de overheid, enkel en alleen omdat de feiten onwaarschijnlijk klinken. Jacques Ellul legt in zijn onderzoek naar propaganda uit waarom de Duitsers in 1942 niet onthuld hebben dat de onoverwinnelijke generaal Rommel niet in Noord-Afrika was toen Montgomery zijn overwinning behaalde: ‘Iedereen zou gedacht hebben dat ze logen om de nederlaag te verklaren, om te bewijzen dat Rommel niet was verslagen.’ Het Office of War Information in de Verenigde Staten, dat nooit vies was van Duitse wreedheden om de publieke opinie te beïnvloeden, verzweeg opzettelijk de grootste wreedheid, de uitroeiing van de joden, omdat ‘het misleidend en verwarrend zou werken als het publiek de indruk krijgt dat het alleen om het joodse volk gaat’. De waarheid moet tegengehouden worden wanneer zij naar propaganda riekt. ‘De enige reden waarom nieuws niet wordt gepubliceerd,’ zegt een handboek van de geallieerden uit de Tweede Wereldoorlog, ‘is dat het ongeloofwaardig klinkt.’ 


Het is waar dat propaganda op subtiele wijze een beroep doet op de emoties. Ellul merkt op dat propaganda feitenmateriaal niet gebruikt om een redenering te ondersteunen, maar om emotionele druk uit te oefenen. Hetzelfde geldt echter voor de reclame. In beide gevallen blijft het beroep op de emoties voorzichtig en indirect; het is onafscheidelijk verbonden met de feiten zelf; en het is ook niet strijdig met het ‘oprecht verlangen naar informatie.’ Omdat de moderne propagandist weet dat een ontwikkeld publiek gek is op feiten en niets zo heerlijk vindt als de illusie dat het goed op de hoogte is, vermijdt hij het gebruik van hoogdravende leuzen; hij spreekt zelden over een hoger doel; hij vraagt zelden om heldenmoed en opofferingsgezindheid en herinnert zijn gehoor ook niet aan het glorieuze verleden. Hij houdt zich aan de ‘feiten.’ Op die manier gaat de propaganda deel uitmaken van de ‘informatie.’


Eén van de belangrijkste functies van de zeer omvangrijke federale bureaucratie is de bevrediging van het verlangen naar dit soort informatie. De bureaucratie voorziet niet alleen hoge ambtenaren van zogenaamd betrouwbare informatie; men voorziet ook het publiek van verkeerde informatie. Hoe technischer en diepzinniger het onderwerp, des te overtuigender het klinkt. Dat is de reden waarom in onze cultuur de duistere vaktaal van de wetenschap zo veel wordt gebruikt. Deze taal omgeeft de beweringen van ambtenaren én reclamemakers met een waas van wetenschappelijke objectiviteit. Nog belangrijker is dat deze taal opzettelijk duister en onbegrijpelijk is – dat zijn kwaliteiten die prijzenswaardig overkomen op het publiek dat zich beter geïnformeerd voelt naarmate het meer voor de gek wordt gehouden.” 


Ik verzoek de lezer van mijn weblog deze gedachten nog eens te lezen voordat u aan de column van de zionistische propagandiste Natascha van Weezel begint:


"Het lijkt haast of je een misdaad begaat door je aan te sluiten bij de debatclub van je universiteit

Donderdagavond annuleerde TivoliVredenburg op het laatste moment de finale van het Europees Kampioenschap Debatteren voor Universiteiten. De reden? Van de 551 kandidaten kwamen 93 uit Israël. In eerste instantie dacht men dat zij op persoonlijke titel deelnamen, maar ze bleken gedeeltelijk verbonden aan debatclubs van universiteiten. Volgens de directeur van het popodium viel deze ‘institutionele vertegenwoordiging’ niet te rijmen met de culturele en academische boycot waaraan Tivoli meedoet. Om diezelfde reden trok de Universiteit Utrecht zich terug.

EUDC staat sinds 1999 bekend als het grootste academische debattoernooi van Europa. Hoezo is het dan een verrassing dat de debaters studenten van universiteiten zijn?

Op de Instagrampagina’s van Israëlische universitaire debatclubs vind je vooral foto’s van nerderige types, die naast hun liefde voor debatteren graag meedoen aan pubquizzes en veelvuldig wandelen in de natuur. Op het eerste gezicht niet direct de meest gewelddadige personen. Ze doen me denken aan mijn neef uit Israël. Tien jaar geleden zat ook híj als student bij de debatvereniging van Tel Aviv University. Ik ken werkelijk geen grotere tegenstander van Netanyahu. Samen met zijn clubgenoten discussieerde hij maandenlang over de vraag hoe ze hun premier achter slot en grendel konden krijgen. Toch zou hij niet welkom zijn bij Tivoli en de UU als hij nu zou meedoen aan het EUDC.

Dat is precies waar de schoen wringt: individuen worden verantwoordelijk gehouden voor de daden van een regering. Het lijkt haast of je een misdaad begaat door je aan te sluiten bij de debatclub van je universiteit. Of automatisch medeplichtig bent aan genocide wanneer je naar een Israëlische onderwijsinstelling gaat.

Er gaan geruchten dat een van de deelnemende Israëliërs als soldaat in Gaza heeft gediend. Ook zou hij wanstaltige teksten op sociale media hebben gepost over het vernietigen van een school aldaar. Ronduit walgelijk! Deze man moet zonder meer meteen geroyeerd worden. Hebben de andere deelnemers hier echter schuld aan?

En waar blijft de ophef over het protest bij de opening van het debattoernooi, waar demonstranten ‘Long live the 7th of October’ scandeerden en zwaaiden met een bord waarop ‘Hup Hamas’ stond?

Inmiddels krijgen de jonge Nederlandse initiators van het toernooi te maken met ernstige bedreigingen. Zíj hebben de Israëlische studenten immers geïnviteerd. Organisator Martijn (uit veiligheidsoverwegingen zonder achternaam) meldt aan RTV-Utrecht dat hij de politie heeft moeten inschakelen en bepaalde onderdelen van het toernooi eerder al moest schrappen. Niet vanwege de boycot, maar door een reële dreiging.

Hoe ironisch is het dat uitgerekend de finale van een internationale debatwedstrijd bedreigingen oplevert? Ik heb altijd geleerd dat je pas overgaat tot geweld als je geen argumenten meer over hebt. Juíst argumenten vormen de basis van een debat – en zijn derhalve belangrijk voor een gezonde democratie. Wellicht zijn méér debattrainingen onze redding. We moeten weer leren om elkaar op een respectvolle manier met steekhoudende woorden te overtuigen. Want als we dat niet doen, vrees ik dat de schreeuwers definitief winnen.

Natascha van Weezel (1986) is journalist. Elke maandag schrijft ze een column voor Het Parool."

Volgende keer mijn kritiek op de zionistische propagandiste Natascha van Weezel, aan de hand van Christopher Lasch's The Culture of Narcissism (1979)



Geen opmerkingen:

Natascha van Weezel en De Cultuur van het Narcisme

Voordat ik met mijn kritiek op de Joods-Zionistische    Parool-columniste Natascha van Weezel begin, wil ik eerst de lezer van mijn weblog v...