De ‘Haagse vedette’ Max van Weezel zei in de zomer van 2015 tijdens een gesprek met Alexander Klöpping, oprichter van de commerciële krantensite Blendle:
“Ik denk wel dat ik te lang gefocust was om bij de toptien van de Haagse journalistiek te horen… Wat je echt belangrijk vindt, is of de minister-president je serieus neemt. Dat Jeroen Dijsselbloem tegen jóú zegt: dit vertel ik natuurlijk exclusief aan jou, want jij begrijpt het echt.”
Klöpping: “Het gaat dus vooral om de strijd tussen journalisten?”
Van Weezel: “Ja.”
Klöpping: “Kun je dat relativeren?”
Van Weezel: “Nee, dat kon ik niet. Nog steeds niet, nee. Ik ben al geruime tijd aan het afkicken. Al tien jaar.” […]
Klöpping en Van Weezel komen terug van een rondje door het bos met de fotograaf. Alexander Klöpping plaatst een foto van Max van Weezel op een boomstam op zijn Instagram met 10.000 volgers en op z’n Twitter met 256.000 volgers. Van Weezel trekt meteen zijn telefoon. Daar kijkt hij tijdens het gesprek sowieso al om de tien minuten op, naar Facebook, Twitter, Whatsapp, mail. We vertellen het hem.
Van Weezel: “Oh, Jezus, doe ik dat? Wat onbeschoft.” […]
Van Weezel houdt nauwlettend in de gaten hoeveel hartjes de Instagramfoto van de volgers krijgt. Tegen Klöpping, met z’n ogen op het scherm: “Ben je nou bezig met de macht die je langzamerhand hebt met Blendle?”
Klöpping: “Macht?”
Van Weezel: “Heel veel journalisten zitten inmiddels te sidderen of ze geliked worden. […] Toen ik bij Vrij Nederland kwam, zag je een grote, mooie foto door de dag heen steeds kleiner worden, omdat het stuk langer moest van de auteur. Maar…'
“Maar wat?”
Van Weezel: “Maar het had ook wel iets moois, journalistiek in die tijd. Er zat heel veel engagement in.”
Klöpping: “Ja, ik had die tijd graag meegemaakt. Net zoals ik de dotcombubble graag zou hebben meegemaakt. Iedereen was gek geworden.”
Van Weezel: “Jaaaa, maar journalisten hadden toen echt een boodschap voor de wereld. We moesten de lezer verheffen, opvoeden. Het was heel betuttelend, maar dit waren de onderzoeksjournalisten van wie iedereen nu zegt: hadden we die nog maar.”
Net zoals mijn naoorlogse generatiegenoten de oorlogsgeneratie genadeloos konden doorlichten, zo kunnen onze nakomelingen nu de babyboom-generatie meedogenloos analyseren, en de bubble waarin wij leefden doorprikken. En dit vermogen wordt almaar onbarmhartiger, want er ontbreekt genoeg liefde op aarde om de hel te kunnen overleven.
Margalith Kleijwegt mag dan wel hopen dat het Joods verzet tegen de genocidale staat Israel een bevrijding zal opleveren, een ware verlossing van de millennia-oude archaïsche religie, nu er een collectief schisma is ontstaan, omdat volgens haar “onder veel joden buiten Israël joods-zijn meer over cultuur, religie en gemeenschap [gaat], dan over identificatie met ‘hun’ staat,” maar dit deze aanname getuigt eerder van een angstaanjagende naïviteit dan van enige realiteitszin. Het is een gedachte die eigen is aan mijn generatie, die nooit van nabij een oorlog heeft meegemaakt, en nooit verder hoefde te denken dan in welk restaurant zullen we vanavond eten, of waar gaan we dit jaar met vakantie Australië of de Verenigde Staten. Margalith Kleijwegt is, net als ik en al mijn vrienden en kennissen, opgegroeid in een consumptie-cultuur, die de grenzen stelde aan ons vermogen om werkelijk creatief na te denken, om onze verbeeldingskracht in daden om te weten. En dus fantaseert men van alles en nog wat zodra ze onvermijdelijk in een cul-de-sac zijn vastgelopen. Serieus terugkijkend, zouden we moeten constateren dat wij een zinloze generatie waren, die profiteerde van de gestegen welvaart, maar weigerden daaraan consequenties te verbinden.
When you’re lost in the rain in Juarez
And it’s Eastertime too
When your gravity fails
And negativity don’t pull you through
Don’t put on any airs
When you’re down on Rue Morgue Avenue
They got some hungry women there
And they really make a mess outta you
Now if you see Saint Annie
Please tell her thanks a lot
I cannot move
My fingers are all in a knot
I don’t have the strength
To get up and take another shot
And my best friend, my doctor
Won’t even say what it is I’ve got
Sweet Melinda
The peasants call her the goddess of gloom
She speaks good English
And she invites you up into her room
And you’re so kind
And careful not to go to her too soon
And she takes your voice
And leaves you howling at the moon
Up on Housing Project Hill
It’s either fortune or fame
You must pick up one or the other
Though neither of them are to be what they claim
If you’re lookin’ to get silly
You better go back to from where you came
Because the cops don’t need you
And man they expect the same
Now all the authorities
They just stand around and boast
How they blackmailed the sergeant-at-arms
Into leaving his post
And picking up Angel who
Just arrived here from the coast
Who looked so fine at first
But left looking just like a ghost
I started out on burgundy
But soon hit the harder stuff
Everybody said they’d stand behind me
When the game got rough
But the joke was on me
There was nobody even there to call my bluff
I’m going back to New York City
I do believe I’ve had enough
Just Like Tom Thumb’s Blues 1965.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten