Na een aantal tamelijk recente ervaringen met zowel narcistische mannen als vrouwen, herlas ik het fascinerende, nog steeds uiterst actuele boek van inmiddels wijlen Christopher Lasch, The Culture Of Narcissism. American Life in An Age of Diminishing Expectations (1979). Professor Lasch schreef bijna een halve eeuw geleden:
“Narcistische patiënten,” zegt Kernberg, “bewonderen vaak een of andere held of opvallend persoon’ en ‘ervaren zichzelf als onderdeel van zo’n opvallende persoonlijkheid.’ Ze zien het bewonderde individu ‘slechts als uitbreiding van zichzelf.’ Wanneer zo iemand hen afwijst, ‘voelen zij onmiddellijk haat en vrees, en reageren zij door het vroegere idool af te kraken.’ Zoals heldendom subtiele verschillen vertoont met beroemdheid, zo moet ook heldenverering, die de daden van de held waardeert en hoopt deze te imiteren of althans diens voorbeeld waardig te zijn, onderscheiden worden van narcistische idealisering. De narcist bewondert en identificeert zich met ‘winnaars’ vanwege de angst dat men hem het etiket van de verliezer zal opplakken. Hij/zij probeert zich te warmen aan de weerspiegelde glans, maar zijn/haar gevoelens zijn sterk vermengd met afgunst, en zijn bewondering slaat om in haat zodra het object van zijn/haar binding iets doet dat hem/haar herinnert aan de eigen onbeduidendheid. De narcist ontbreekt het aan vertrouwen in zijn/haar eigen vermogens, en daardoor kan hij/zij geen verheven figuur als voorbeeld kiezen. De narcistische fascinatie voor de beroemdheid, die in onze maatschappij zo algemeen voorkomt, valt historisch gezien samen met wat Jules Henry noemt ‘de afbrokkeling van de bekwaamheid tot navolging, het verlies van het vermogen om bewust een ander tot voorbeeld te kiezen.’ Een van de middelbare scholieren die Henry geïnterviewd heeft zei ronduit: ‘Ik vind niet dat je het voorbeeld van anderen moet navolgen.’ ‘Het kiezen van iemand die als voorbeeld dient voor jezelf,’ schrijft Henry, ‘is een agressieve wilsdaad, en daarvoor is de narcist veel te angstig en passief. [...] Wanneer cynisme, berusting en passiviteit het leven gaan beïnvloeden, maakt het cynisme dat elke keuze van een voorbeeld ter navolging vergeefs lijkt, en passiviteit en berusting ondermijnen de wil die nodig is voor de beslissing tot navolging. Positief geformuleerd: voor een moreel gezonde keuze van een voorbeeld moet een zekere mate van zelfvertrouwen aanwezig zijn, een zekere mate van naïef optimisme en een zekere mate van wilskracht.’
Wanneer het superego niet zozeer bestaat uit bewuste ego-idealen, maar meer uit onbewuste, archaïsche fantasieën over ouders van bovenmenselijke proporties, wordt navolging vrijwel volledig een onbewust proces; zoiets brengt niet het zoeken naar een voorbeeld tot uitdrukking, maar de holheid van de egobeelden. De hoofdpersoon van Hellers roman ‘Something Happened,’ die een totaal gebrek vertoont aan ‘naïef optimisme’ en zelfbewustzijn, voelt een ‘bijna verslavend instinct om precies zo te zijn als degene in wiens gezelschap ik ben. Dat uit zich niet alleen in taalgebruik, maar ook in handelingen. [...] Het werkt via mijn onbewuste [...] zelfstandig en vastberaden, ondanks mijn waakzaamheid en afkeer, en meestal besef ik pas dat ik in de persoonlijkheid van een ander kruip als ik er al in zit.’ De narcist kan zich niet identificeren met een ander zonder die ander te beschouwen als uitbreiding van zichzelf, zonder de identiteit van die ander uit te wissen. Omdat hij niet in staat is tot identificatie, in eerste instantie met ouders en andere personen van gezag, is hij ook niet in staat tot heldenverering of het opschorten van ongeloof dat het mogelijk maakt in de fantasie het leven van anderen binnen te dringen zonder hun onafhankelijk bestaan te negeren. Een narcistische maatschappij vereert meer de beroemdheid dan de roem en stelt het kijkspel in de plaats van oudere vormen van theater, die juist identificatie en navolging aanmoedigden omdat ze zorgvuldig een zekere afstand handhaafden tussen publiek en acteurs, de heldenvereerder en de held.” […]
Wie het narcisme van tegenwoordig wil begrijpen als sociaal en cultureel verschijnsel moet eerst de toenemende klinische literatuur over dit onderwerp naslaan, een literatuur die geen aanspraak maakt op maatschappelijke of culturele betekenis en regelrecht afwijzend staat tegenover de stelling dat, zoals Otto Kernberg het uitdrukt, ‘veranderingen in de eigentijdse cultuur van effect zijn op patronen van objectrelaties.’ In de klinische literatuur is het narcisme meer dan een beeldende term voor opgaan-in-zichzelf. Als psychische formatie waarin ‘afgewezen liefde terugkeert naar het ik in de vorm van haat’ is men het narcisme gaan herkennen als een belangrijk element in de zogenaamde karakterstoornissen die tegenwoordig een groot deel opeisen van de klinische aandacht die vroeger besteed werd aan hysterie en dwangneurosen.
Er is een nieuwe theorie van het narcisme ontwikkeld, gebaseerd op Freuds bekende opstel over dat onderwerp (waarin het narcisme – een libidineuze bekleding van het ik – behandeld wordt als een noodzakelijke voorwaarde voor object-liefde), maar deze richt zich niet op het primaire narcisme maar op het secundaire of pathologische narcisme: de opname in het ik van overmatige object-beelden als afweer tegen angst en schuldgevoel. In beide vormen van het narcisme wordt de grens tussen het ik en de wereld der objecten verdoezeld, maar er is een belangrijk verschil. Het pasgeboren kind – de primaire narcist – begrijpt nog niet dat zijn moeder los van hem bestaat en daarom verwart het de afhankelijkheid van zijn moeder, die al zijn behoeften onmiddellijk bevredigt, met eigen almacht. ‘Pas enkele weken na de geboorte [...] gaat de zuigeling begrijpen dat de bron van zijn behoeften bij hemzelf berust en de bron van bevrediging daarbuiten.’ Secundair narcisme daarentegen ‘probeert de pijn van teleurgestelde [object-]liefde teniet te doen’ en de woede van het kind jegens personen die niet onmiddellijk op zijn behoeften reageren op te heffen; die woede is gericht op personen die nu blijkbaar reageren op anderen behalve het kind en daarom de indruk maken het in de steek te hebben gelaten. Pathologisch narcisme, ‘dat men niet eenvoudig kan beschouwen als fixatie op het niveau van normaal primair narcisme,’ komt uitsluitend voor wanneer het ego zo ver ontwikkeld is dat het zichzelf kan onderscheiden van de omringende objecten. Als het kind om de een of andere reden dit scheidingstrauma bijzonder intensief ondergaat, kan het proberen vroegere relaties te herstellen door in zijn fantasie een almachtige moeder of vader te creëren, die versmelt met beelden van het eigen ik. ‘Door middel van het internaliseren tracht de patiënt een gewenste liefdesrelatie die vroeger misschien heeft bestaan te herstellen, en tegelijkertijd een eind te maken aan de angst- en schuldgevoelens die gewekt worden door agressieve driften jegens het frustrerende en teleurstellende object.’ […]
In de afgelopen vijfentwintig jaar komt het grensgeval, de patiënt die de psychiater geen duidelijk omschreven symptomen te bieden heeft maar vage ontevredenheidsgevoelens, steeds meer voor. Zo iemand lijdt niet aan fixaties of fobieën die een normaal functioneren onmogelijk maken, of aan verdrongen seksuele energie die omgezet is in nerveuze kwalen; hij/zij klaagt ‘over vage, onduidelijke ontevredenheid met het leven’ en heeft het gevoel dat zijn/haar ‘vormeloos bestaan zin- en doelloos is.’ Hij/zij beschrijft ‘bijna onmerkbare maar alomtegenwoordige gevoelens van leegte en depressiviteit,’ ‘enorme schommelingen in zijn/haar gevoel van eigenwaarde’ en ‘een algemeen onvermogen om het leven aan te kunnen.’ Hij/zij krijgt ‘alleen een gevoel van verhoogde eigenwaarde door contact te zoeken met sterke, bewonderde personen; hij/zij verlangt ernaar dat zulke mensen hem/haar aanvaarden en heeft er behoefte aan hun steun te aanvaarden.’ Hoewel hij/zij dagelijkse verantwoordelijkheden op zich neemt en zelfs het een en ander presteert, is het geluk voor hem/haar ongrijpbaar en denkt hij/zij vaak dat het leven niet de moeite waard is. De psychoanalyse, een therapie die voortgekomen is uit ervaringen met personen die ernstig leden onder verdringing en morele verstarring, mensen die moesten zien af te rekenen met een strenge inwendige ‘censor,’ krijgt tegenwoordig steeds meer te maken met een ‘chaotisch, door impulsen overheerst karakter.’ De psychoanalyse moet zich bezighouden met patiënten die hun conflicten ‘naspelen’ in plaats van ze te verdringen of te sublimeren. Hoewel deze patiënten vaak heel beminnelijk zijn, hebben ze de neiging in emotionele relaties een beschermende oppervlakkigheid te handhaven. Ze zijn niet in staat tot rouwen omdat hun hevige woede jegens verloren liefdesobjecten, met name hun ouders, verhindert dat zij gelukkige ervaringen herbeleven of van de herinnering daaraan genieten. Hoewel ze in seksueel opzicht eerder al te vrij zijn dan geremd, vinden ze het toch moeilijk ‘de seksuele impuls nader uit te werken’ of seks op een speelse manier te benaderen. Ze vermijden hechte relaties omdat die hevige woede zouden kunnen wekken. Hun persoonlijkheid bestaat grotendeels uit afweer tegen die woede en tegen het gevoel oraal te kort gekomen te zijn, dat zijn oorsprong vindt in de pre-oedipale fase van de psychische ontwikkeling. Vaak lijden deze patiënten aan hypochondrie en klagen ze over een gevoel van innerlijke leegte. Tegelijkertijd zijn ze in hun fantasie almachtig en overtuigd van hun recht om anderen uit te buiten en hun zin door te drijven. Archaïsche, bestraffende en sadistische elementen overheersen het superego van deze patiënten, en ze houden zich aan de maatschappelijke regels eerder uit angst voor straf dan vanuit een zeker schuldbesef. Hun eigen behoeften en begeerten ervaren ze, omdat deze doortrokken zijn van woede, als uiterst gevaarlijk, en ze bouwen een afweer op die even primitief is als de verlangens die ze trachten te onderdrukken.”
“Bij narcistische patiënten komt de depressie niet voor in de vorm van rouw, met schuldgevoel als bijverschijnsel, zoals Freud dat beschreven heeft in ‘Mourning and Melancholia’, maar in de vorm van machteloze woede en ‘het gevoel dat men door krachten van buitenaf verslagen wordt’. Omdat de intrapsychische wereld van deze patiënten zo dun bevolkt is – deze bestaat, aldus Kernberg, alleen uit het ‘grootheidswaanzinnige ik, de ontwaarde, schimmige beelden van het ik en anderen plus eventuele vervolgers’ – ervaren zij hevige gevoelens van leegte en onechtheid. Hoewel de narcist kan functioneren in het dagelijks leven en vaak andere mensen weet te charmeren (niet in de laatste plaats door zijn ‘pseudo-inzicht in zijn eigen persoonlijkheid’), wordt zijn persoonlijk leven verarmd door zijn devaluatie van anderen, gecombineerd met zijn gebrek aan nieuwsgierigheid naar andere mensen, en dat versterkt weer het ‘subjectieve gevoel van leegte’. Omdat hij geen echte intellectuele binding heeft met de wereld – hoewel hij vaak zijn eigen intellectuele capaciteiten overdreven hoog aanslaat – is hij eigenlijk niet in staat tot sublimatie. Daarom is hij afhankelijk van anderen voor voortdurende toediening van goedkeuring en bewondering. Hij ‘moet zich bij iemand aansluiten, en leidt daardoor eigenlijk een soort parasitair’ bestaan. […]
Als psychiatrisch patiënt is de narcist de ideale kandidaat voor een eindeloze analyse. Hij zoekt in de analyse een godsdienst of een levensstijl en hoopt in de therapeutische relatie steun van buitenaf te vinden voor zijn fantasieën over almacht en eeuwige jeugd. Omdat zijn afweer zo sterk is, verzet hij zich echter tegen een geslaagde analyse. De oppervlakkigheid van zijn emotionele leven verhindert vaak dat hij een hechte band krijgt met de analyticus, ook al ‘gebruikt hij vaak zijn intellectuele vermogens om oppervlakkig in te stemmen met de analyticus en al kan hij met eigen woorden samenvatten wat bij eerdere sessies is geanalyseerd’. Hij gebruikt zijn intellect eerder als uitvlucht dan om zichzelf te ontdekken, en hij neemt voor een deel zijn toevlucht tot dezelfde strategieën om te verdoezelen die optreden in de bekentenisliteratuur van de laatste decennia. ‘De patiënt gebruikt de analytische interpretaties, maar ontneemt deze ijlings alle leven en betekenis, zodat alleen zinloze woorden overblijven. Die woorden worden dan ervaren als eigen bezit van de patiënt, hij idealiseert ze en ze geven hem een gevoel van superioriteit.’ Hoewel psychiaters narcistische stoornissen niet meer beschouwen als eigenlijk niet analyseerbaar, staan slechts enkelen van hen optimistisch tegenover de kans op genezing. Volgens Kernberg moet men daartoe toch een poging wagen, ondanks alle moeilijkheden die narcistische patiënten opwerpen, omdat het narcisme zo’n verwoestend effect heeft op de tweede levenshelft – omdat vaststaat dat deze patiënten een afschuwelijk lijden wacht. In een maatschappij die ouderdom en dood vreest, is ouder worden vooral angstwekkend voor mensen die bang zijn voor afhankelijkheid en wier gevoel van eigenwaarde snakt naar de bewondering die men tegenwoordig reserveert voor jeugd, schoonheid, beroemdheid of charme. De gebruikelijke afweermethoden tegen de verwoestingen die de ouderdom aanricht – identificatie met ethische of artistieke waarden buiten het directe eigenbelang, intellectuele nieuwsgierigheid, de troostende emotionele warmte ontleend aan gelukkige relaties in het verleden – kunnen de narcist niet helpen. Omdat hij geen enkele troost kan putten uit identificatie met historische continuïteit blijkt het hem ook onmogelijk ‘het feit te aanvaarden dat een jongere generatie nu in het bezit is van talrijke vroeger zo dierbare kwaliteiten als schoonheid, rijkdom, macht en vooral: creativiteit. Narcistische personen zijn helaas totaal niet in staat van het leven te genieten als van een proces waarbij men zich steeds meer identificeert met andermans geluk en prestaties.’ […]
Narcistische patiënten, zegt Kernberg, ‘bewonderen vaak een of andere held of opvallend persoon’ en ‘ervaren zichzelf als onderdeel van zo’n opvallende persoonlijkheid.’ Ze zien het bewonderde individu ‘slechts als uitbreiding van zichzelf.’ Wanneer zo iemand hen afwijst, ‘voelen zij onmiddellijk haat en vrees, en reageren zij door het vroegere idool af te kraken’. Zoals heldendom subtiele verschillen vertoont met beroemdheid, zo moet ook heldenverering, die de daden van de held waardeert en hoopt deze te imiteren of althans diens voorbeeld waardig te zijn, onderscheiden worden van narcistische idealisering. De narcist bewondert en identificeert zich met ‘winnaars’ vanwege de angst dat men hem het etiket van de verliezer zal opplakken. Hij probeert zich te warmen aan hun weerspiegelde glans, maar zijn gevoelens zijn sterk vermengd met afgunst, en zijn bewondering slaat om in haat zodra het object van zijn binding iets doet dat hem herinnert aan zijn eigen onbeduidendheid. De narcist ontbreekt het aan vertrouwen in zijn eigen vermogens, en daardoor kan hij geen verheven figuur als voorbeeld kiezen. De narcistische fascinatie voor de beroemdheid, die in onze maatschappij zo algemeen voorkomt, valt historisch gezien samen met wat Jules Henry noemt ‘de afbrokkeling van de bekwaamheid tot navolging, het verlies van het vermogen om bewust een ander tot voorbeeld te kiezen’. Een van de middelbare scholieren die Henry geïnterviewd heeft zei ronduit: ‘Ik vind niet dat je het voorbeeld van anderen moet navolgen.’ ‘Het kiezen van iemand die als voorbeeld dient voor jezelf,’ schrijft Henry, ‘is een agressieve wilsdaad, en daarvoor is de narcist veel te angstig en passief. [...] Wanneer cynisme, berusting en passiviteit het leven gaan beïnvloeden, maakt het cynisme dat elke keuze van een voorbeeld ter navolging vergeefs lijkt, en passiviteit en berusting ondermijnen de wil die nodig is voor de beslissing tot navolging. Positief geformuleerd: voor een moreel gezonde keuze van een voorbeeld moet een zekere mate van zelfvertrouwen aanwezig zijn, een zekere mate van naïef optimisme en een zekere mate van wilskracht.’”

Geen opmerkingen:
Een reactie posten