Langzaam maar zeker beginnen steeds meer westerlingen te beseffen dat Joodse Zionisten een ziek volkje vormen, en Israel een Schurkenstaat is.
“Nooit Meer Auschwitz!” was voor mijn naoorlogse generatiegenoten naar alle waarschijnlijkheid de meest doorleefde oproep. Dit verklaart dan ook het felle vooral studentenverzet in de jaren zestig en zeventig tegen het uitroeien van de Vietnamese bevolking met clusterbommen, napalm, en martelingen. De Amerikaanse GI’s wisten niet beter, zij waren als de rijkste overwinnaars uit de Tweede Wereldoorlog gekomen en hun coca-cola cultuur en hun overal aanwezige politieke propaganda deed de rest.
Het ware probleem waarmee de Amerikaanse elite zich geconfronteerd zag, werd in 1948 in het geheim verwoord door de vooraanstaande Amerikaanse diplomaat, George Kennan, die de kapitalistische elite met klem voor het volgende waarschuwde:
“Wij hebben ongeveer 50 procent van de rijkdommen in de wereld, maar slechts 6,3 procent van haar bevolking,” met als gevolg dat “in deze omstandigheden wij niet in staat zullen zijn om te voorkomen dat wij het voorwerp worden van jaloezie en haat. Onze werkelijke taak in het komende tijdperk is om een netwerk van betrekkingen op te bouwen die ons in staat stelt deze positie van ongelijkheid te handhaven,” en daarom “zullen wij alle sentimentaliteit en dagdromen opzij moeten zetten en dient onze aandacht overal geconcentreerd te zijn op onze directe nationale doelstellingen.” Kennan maakte de beleidsbepalers, bankiers en de rijke fabrikanten duidelijk dat “Wij moeten ophouden te spreken over vage en imaginaire doelstellingen als mensenrechten, het verhogen van de levensstandaard, en democratisering. De dag is niet veraf meer dat wij in pure machtsconcepten moeten handelen. Hoe minder we daarbij gehinderd worden door idealistische slogans, des te beter het is,” zo schreef hij in een destijds nog geheim memorandum dat hij als Hoofd van het Planningbureau van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington, samenstelde. Kennan was tevens de geestelijk vader van de Amerikaanse “containment-politiek” die ook na de val van de Sovjet Unie, eind 1991, de hoeksteen bleef van Washington om als grootmacht de hegemonie in de wereld te veroveren. Kernaspecten van het "Destroy and Kill" strategie waren onder andere: “Search and Destroy: Amerikaanse troepen werden per helikopter gedropt in gebieden waar Vietcong-guerrilla's of Noord-Vietnamese troepen werden vermoed. Het doel was de vijand te lokaliseren, in gevecht te dwingen en te vernietigen.”
"Body Count" als succesmaatstaf: Omdat er geen duidelijk front was, werd het succes van een operatie gemeten aan het aantal gedode vijandelijke soldaten (body count). Dit leidde tot een focus op het maken van zoveel mogelijk slachtoffers.
Brute vuurkracht en ‘Zippo’-missies: Er werd op enorme schaal gebruik gemaakt van artillerie, napalm en kanker verwekkend ontbladeringsmiddelen (Agent Orange) om vijandelijke schuilplaatsen te vernietigen. Dorpen die verdacht werden van samenwerking met de Vietcong werden platgebrand (‘Zippo-missies,’ genoemd naar de aansteker).
‘Kill anything that moves’: De extreme druk op soldaten om hoge ‘body counts’ te behalen, leidde in sommige eenheden tot een mentaliteit waarbij elk levend wezen in een ‘free-fire zone’ als vijand werd beschouwd. Het bloedbad van My Lai in 1968 is het bekendste voorbeeld hiervan.
Ecocide: De inzet van middelen om het oerwoud te vernietigen, werd ook wel gezien als een ‘burn all, destroy all, kill all’ benadering om de infrastructuur van de vijand te slopen.
Gevolgen en Falen van de Strategie:
Het hoge aantal burgerlijke slachtoffers: De tactiek maakte geen onderscheid tussen strijders en burgers, wat leidde tot honderdduizenden burgerdoden en miljoenen vluchtelingen.
Tegenovergesteld effect: Door de brute aanpak keerden veel Vietnamese burgers zich tegen de Amerikanen en gingen de Vietcong steunen, wat de guerrilla-oorlog juist versterkte.
Onhoudbaarheid: Ondanks de enorme verliezen die de Vietcong en het Noord-Vietnamese leger leden, konden ze de verliezen blijven aanvullen en bleef de Amerikaanse strategie uiteindelijk falen.”
Het Amerikaanse gebrek aan empathie voor de merendeels Noord- en Zuid-Vietnamese boerenbevolking (Gooks. Spleetogen) is mede door het aangeboren racisme nog te verklaren. Moeilijker is het evenwel om te begrijpen waarom de nakomelingen van juist Joodse Holocaust-overlevenden aan zo’n intens gebrek lijden wat betreft empathie met Palestijnse vervolgden. En hoe komt het dat zij zichzelf wel onmiddellijk kunnen identificeren met het Joodse, inmiddels gecultiveerde slachtofferschap? Waarom gedragen de Joodse strijdkrachten zich als oorlogsmisdigers, en worden zij door overgrote meerderheid van de Joden gesteund?
“Wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat de effecten van trauma van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven, een fenomeen dat vaak inter-generationeel of trans-generationeel trauma wordt genoemd. Hoewel de traumatische gebeurtenissen zelf niet erfelijk zijn, kunnen de biologische en gedragsmatige reacties erop wel worden doorgegeven, voornamelijk via een mechanisme dat bekend staat als epigenetica.
Hieronder volgt een overzicht van hoe dit proces werkt op basis van huidig onderzoek:
1. De rol van epigenetica (biologische overerving)
Trauma kan het epigenoom — de "software" die genen instrueert hoe ze zich moeten gedragen — veranderen zonder de DNA-sequentie zelf te veranderen.
Veranderingen in genexpressie: Traumatische ervaringen kunnen chemische markers (zoals methylering) activeren die bepaalde genen ‘aan’ of ‘uit’ zetten, met name die gerelateerd aan de stressrespons (bijv. de HPA-as).
Transgenerationele overdracht: Deze epigenetische modificaties kunnen worden doorgegeven aan kinderen en zelfs kleinkinderen, waardoor hun kwetsbaarheid voor stress en psychische problemen wordt beïnvloed.
Belangrijke studies: Onderzoek naar Holocaust-overlevenden en hun kinderen heeft aangetoond dat het trauma dat ouders hebben meegemaakt, kan leiden tot specifieke, erfelijke epigenetische veranderingen bij hun nakomelingen, zoals lagere niveaus van stresshormonen (cortisol).
2. Gedragsmatige en omgevingsgerelateerde overdracht
Trauma wordt ook doorgegeven via omgevings- en psychologische factoren.
www.loveontheautismspectrum.com
Opvoedingsstijlen: Ouders die trauma hebben meegemaakt, kunnen moeite hebben met emotionele regulatie, hechting of beschermend gedrag, wat de ontwikkeling van hun kinderen direct kan beïnvloeden.
Onuitgesproken verhalen: De stilte of, juist het hervertellen van traumatische verhalen binnen een gezin kan een stressvolle omgeving creëren, wat kan leiden tot angst of hyperwaakzaamheid bij kinderen.
3. Belangrijkste bevindingen over erfelijk trauma
Stressresponssysteem: Erfelijk trauma manifesteert zich vaak als een verhoogde of ontregelde stressrespons, waardoor het risico op PTSS, angst en depressie toeneemt.
Veerkracht: De overerving is niet altijd negatief. Nieuw onderzoek suggereert dat, naast risico, ook mechanismen voor veerkracht en coping kunnen worden overgedragen.
Omkeerbaarheid: Epigenetische veranderingen zijn geen permanente ‘littekens.’ Ze zijn dynamisch, wat betekent dat ze kunnen worden teruggedraaid of beheerd door middel van therapie, een ondersteunende omgeving en genezing, waardoor de cyclus kan worden doorbroken.
Samenvatting:
Trauma wordt niet erfelijk bepaald als een genetische zekerheid, maar eerder als een biologische aanleg voor hoge stress of als doorgegeven gedragspatronen. Het onderzoeksveld is nog in ontwikkeling, waarbij onderzoekers ernaar streven beter te begrijpen hoe deze cyclus kan worden doorbroken door middel van gerichte interventie en zorg.
https://www.google.com/search?client=safari&rls=en&q=trauma's+ae+hereditary&ie=UTF-8&oe=UTF-8
Niets is zo ondraaglijk als de pijn van een kind die getuige is van het onstilbare verdriet van zijn of haar ouders. Volgende keer meer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten