zondag 18 december 2005

Paul Witteman

In het Magazine van het Algemeen Dagblad van afgelopen zaterdag staat een interview met Paul Witteman, geschreven door zijn vriend en bewonderaar Frenk van der Linden, waarin het VARA-kopstuk 'op docentoon' over onder andere zijn katholieke opvoeding en de dood spreekt. '"De dood, meneer. Het heeft allemaal met de dood te maken. We weten dat het leven op zeker moment eindigt, zonder dat je daar veel aan kunt doen." Wijst naar het publiek in de boekwinkel: "Velen vinden dat - anders dan zij beweren - niet fijn."' Einde citaat. Volgens mij kun je helemaal niets doen tegen het feit dat je eens doodgaat, maar goed, het is fijn te weten dat volgens Witteman velen over de dood liegen en Witteman niet. Nog een citaat: ''Sorry, maar hopelijk ga je er niet van uit dat het grootste verdriet in relaties schuilt? Het echte verdriet in het leven gaat over onze eindigheid, over onze vergeefse zoektocht naar de zin van ons bestaan.'' Voila, hoewel, ik denk dat het een het ander niet uitsluit, dat het een niet los staat van het ander, zoals het leven en de wereldliteratuur de mens kan laten ervaren. De toon van het interview verraadt een somber levensgevoel. De interviewer wil weten of er in de loop der jaren niks aan dat gesomber verandert? Vanaf de top van de Olympus zegt de VARA-journalist: ''Ik contateer een forse verbetering. Het probleem van ons leven is dat je tijdens het jachtige haken naar bevestiging en roem geen tijd hebt om te letten op kleine dingen, die van grote betekenis zijn.'' Op mijn beurt constateer ik weer iets heel anders. Spreekt Witteman nu in pluralis majestatis of spreekt hij over alle zes miljard mensen op aarde? Hoewel bij hem alles in elkaar overloopt, denk ik toch het eerste. Het probleem van zijn leven is inderdaad zijn brandende ambitie waardoor hij geen oog heeft voor de details. Zo herinner ik me dat Paul Witteman in 1980 als parlementair verslaggever weigerde om de toenmalige minister van Binnelandse Zaken vragen te stellen over de richtlijnen voor het gebruik van zogeheten traangas bij ontruimingen en wel omdat 'ik mijn goede relatie met Ed van Thijn niet op het spel [wil] zetten.' De massale inzet van dit gas toentertijd tegen een burgerbevolking was voor hem een te klein ding om zijn vriendschappelijke relatie met het gezag in gevaar te brengen. In een interview op AT5 zei hij later dat 'alle journalisten cynisch zijn.' Ik neem onmiddellijk aan dat Paul een cynicus is, met andere woorden iemand die overal de prijs van weet maar van niets de waarde, om Oscar Wilde eens te citeren. Maar dat daarom alle journalisten cynisch zijn, is onjuist zoals ik weet uit het werk en het leven van internationaal vooraanstaande journalisten. Voortgedreven door zijn hang naar zelfbevestiging rent Paul van programma naar programma. ''Ondertussen ben ik wel 59. En dus loop ik me al sinds vanochtend vroeg zorgen te maken of het wel goed zal gaan. Toch kan ik tegenwoordig tot mijn verbazing tussendoor ook genieten van strijklicht op een middeleeuwse gevelrij, of een mooie viooltoon of de lach van mijn vriendin.' Strijklicht, viooltoon, de lach van zijn huidige vriendin, het straalt net als zijn muziekcolumns de wat weeë romantiek uit van Anton Pieck, het is allemaal over de rand van de kitsch. Vriend Frenk stelt de vraag: 'Huil je weleens om muziek?' Witteman: ''Nee. Ik voel het weleens opkomen, hoor.'' Maar vervolgens laat hij dit gevoel niet de vrije loop en wel ''omdat huilen een soort inflatie oplevert. Huilen is eigenlijk altijd overdramatisering. Het gaat niet aan om wanneer iets tegenzit, zelfs al is het van ernstige aard, te huilen.'' Je hoort het Paul Witteman bemoedigend zeggen tegen een oorlogsslachtoffer die net zijn hele gezin bij een bombardement heeft verloren. Vriend Frenk dringt aan: 'Doen zich nooit situaties voor waarin jij jezelf niet in de hand houdt?' Vriend Witteman: ''Ik kan me een moment herinneren van een paar jaar geleden, dat het me in mijn persoonlijk leven echt heel erg tegenzat.'' En nu komt het: ''Ik zette thuis een cantate van Bach op. Misschien wel zijn mooiste: Du Hirte Israel (BWV 104).'' Vooral dit detail van de Bach-Werke-Verzeichnis met nummer en al die hij ogenblikkelijk paraat heeft, tekent hem zo treffend. BWV 104, tussen haakjes, als een terloopse terzijde van de meester. Wat een fabelachtige beheersing van de grote lijnen en de miniscule details. En dat van de man die nooit tijd heeft voor de ''kleine dingen.'' Verder maar weer: ''De luidsprekers stonden in mijn boekenkast en ik weet nog dat ik mij naar die boekenkast wendde en met gebalde vuist dacht: laat ik nu maar eens even een potje gaan huilen." Stoicijns: "Maar anders dan meningeen denkt, lucht het niet op. Dat is een ervaringsfeit."' En weer weet de VARA-journalist al dan niet met gebalde vuist wat waar is en niet waar. Al die andere wereldbewoners die mochten ervaren dat huilen wel degelijk oplucht, bedriegen zichzelf, zo leert Pauls ervaringsfeit. Wat opvalt in het hele interview is dat hij niet alleen voor zichzelf ervaart, maar voor de hele mensheid. Wat hij als individu ervaart moet tegelijkertijd het ervaringsfeit van de gehele mensheid zijn vanaf het begin der tijden. Dat kan niet anders, want als journalist ziet hij alleen zichzelf als criterium voor alles. En dan die toevoeging van vriend Frenk 'stoicijns,' wat een magistrale kwalificatie van de meester der kwalificaties himself. 'Wacht even,' zegt de tovenaarsleerling 'jij besluit jezelf wel of niet te laten gaan?' De tovenaar zelf: "Zo werkt het bij mij. En toentertijd vond ik dat er zoveel tegelijkertijd op mijn bordje kwam, dat het even mocht. Bovendien had ik niet het vermoeden dat er iemand de kamer binnen zou kunnen komen - wat helaas wel gebeurde. Dus sindsdien doe ik het niet meer, huilen.'' Wat een kerel! Paukenslagen, Trompetten, Bekkens, Violen. Crescendo. Donder en bliksem. Alberich verdoemt de liefde, Brunnhilde stort ter aarde. Einde van de eerste acte. Doek dicht, applaus, koffie en een bezoekje aan de WC. Meer over het interview met Paul Witteman morgen in dit theater.

Geen opmerkingen: