Nu Anja Meulenbelt in "december 2025 de prestigieuze P.C. Hooft-prijs 2026 voor beschouwend proza heeft gewonnen," is zij "de eerste vrouw" in het polderland die "de oeuvreprijs in deze categorie ontvangt. De prijs, met een geldbedrag van € 60.000, wordt in mei 2026 uitgereikt voor haar gehele oeuvre, waaronder haar bekende werk De schaamte voorbij."Betekent dit voor de 81-jarige Meulenbelt dat zij, net als ruim 2000 jaar geleden Julius Caesar, de Rubicon kan oversteken, en de lage landen bij de zee nu aan haar voeten ligt? Is zij op haar oude dag ingelijfd bij wat H.J.A. Hofland zo ongerijmd "de politiek-literaire elite" van het vaderland betitelde? Zal zij nu door de verpolitiekte elite net als mijn oude vriend Geert Mak van alle kanten bepoteld en aanbeden worden?
Ik betwijfel het, hoewel in dit maffe en laffe land alles mogelijk is. Ik bedoel, na de hervormingsgezinde jaren zestig en zeventig, keerde begin jaren tachtig al snel de restauratie terug, in de jaren vijftig het laffe antwoord van de politieke- en bestuurlijke elite, op de veranderde tijdgeest. Het, volgens de historicus Johan Huizinga, "onheroïsche" Nederlandse reflex om te collaboreren met de "boven ons gestelde macht" -- ik heb het nu over de Duitse bezetter -- was tachtig jaar na 1945 nog onbespreekbaar. Pas een jaar geleden "bood burgemeester Femke Halsema op 24 april 2025 namens het stadsbestuur excuses aan voor de actieve rol van de gemeente Amsterdam bij de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Jom Hasjoa-herdenking erkende ze dat bestuurders en ambtenaren "kil en formalistisch" waren en Joodse inwoners in de steek lieten."
De politie, het gemeentevervoerbedrijf, de NS die voor elke gedeporteerde Jood f4,80 enkele reis rekende, de ambtenaren op het Stadhuis die ongevraagd kaarten tekenden met daarop concentraties Joodse Amsterdammers om de nazi's van dienst te zijn, al deze gewetenloze ambtenaren werkten gebroederlijk samen om een deel van de hoofdstedelijke bevolking uiteindelijk in veewagons te kunnen proppen. Niet voor niets sprak mevrouw Halsema van een "moreel falen: zij benadrukte dat de gemeente niet alleen passief was, maar heeft gefaald in de bescherming van haar burgers."Natuurlijk moest er in onze handelsnatie een "financieel gebaar" worden gemaakt voor dit intense leed. "Naast de excuses maakt de gemeente €25 miljoen vrij om het 'Joodse leven' in Amsterdam te versterken en ondersteunen."
Context: De excuses kwamen na onderzoek waaruit bleek dat de gemeentelijke overheid administratief medewerker was aan de deportaties.
Reacties: De reacties vanuit de Joodse gemeenschap waren verdeeld, variërend van opluchting ("beter laat dan nooit") tot kritiek op het proces.
https://www.youtube.com/watch?v=S9hfVq_0S8w
Misschien wel het meest verachterlijke was dat "Na de Tweede Wereldoorlog het devies Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig aan het wapen werd toegevoegd. Er zijn twee lezingen in omloop over wanneer en waarom dit devies toegekend werd. Het zou op 25 februari 1946 tijdens de eerste herdenking van de Februaristaking verleend zijn. Volgens een tweede visie zou de toenmalige koningin Wilhelminaop 29 maart 1947 het recht verleend hebben als hulde aan de houding van de Amsterdammers tijdens de Duitse bezetting van 1940-1945." Dit was dus in dezelfde tijd dat "veel Nederlandse gemeenten, inclusief Amsterdam, Joodse overlevenden alsnog tot het betalen dwongen van achterstallige gemeentelijke belastingen en erfpachtcanon over de oorlogsjaren. Ondanks onteigening, onderduik of deportatie werden belastingen geheven voor woningen waar ze niet konden wonen. Het leidde tot schrijnende situaties, waarbij getraumatiseerde terugkeerders voor 'onbetaalbare' kosten kwamen te staan.
Achtergrond: Joodse inwoners werden beroofd van hun bezittingen, maar gemeenten hanteerden vaak de administratieve regel dat als panden niet formeel waren verkocht, de eigenaar belastingplichtig bleef.
Onderzoek en excuses: Verschillende gemeenten (waaronder Amsterdam, Utrecht, Maastricht) hebben onderzoek gedaan naar dit handelen.
Naheffingen: Het Centraal Joods Overleg (CJO) benadrukt dat deze naoorlogse financiële claims bovenop het onrecht van de vervolging kwamen.
Veel van deze naheffingen worden nu gezien als een koude en onrechtvaardige afwikkeling van de oorlog."
Kan in dit immorele Nederland Anja Meulenbelt naadloos plaats nemen in de gesloten rijen van de zogeheten "politiek-literaire elite"? Het is te hopen voor haar, want afgezien van haar betekenis voor het feminisme is haar inzet voor de Palestijnse vrijheidsstrijd bewonderenswaardig in dit land van collaborateurs. Onlangs schreef zij het volgende:
"EERHERSTEL VOOR HANNAH ARENDT. HET ZIONISME BIJ NADER INZIEN.
Ik was blij toen ik het boek van Alicja Gescinska, ‘Vrouwen in duistere tijden’ in mijn handen hield. Goed idee, tien vrouwen, denkers noemt ze hen, van blijvende betekenis. Ik ben het eens met haar opzet, om niet alleen te focussen op de inhoud, wat hebben ze te zeggen dat nu nog belangrijk is, maar dat te koppelen aan hun persoonlijke geschiedenis. Ik vond het ook een goed idee om zowel de vrouwen te noemen die voor ons een bekende naam hebben, Rosa Luxemburg, Simone Weil, Etty Hillesum en natuurlijk Hannah Arendt, als ook vrouwen waar ik nog nooit van gehoord heb. Heel goed om die uit de vergetelheid naar boven te halen, en heel goed om opnieuw te kijken naar die bekende en nog onbekende namen, wat hebben die ons nu nog te vertellen?
Ik begon er met plezier in te lezen. Gescinska is een Pools-Belgische schrijfster. Met, zegt ze in haar inleiding, een aversie tegen communisme, gezien waar ze vandaan komt. Dat heeft haar er niet van weerhouden om ook aandacht te hebben voor een vrouw als Rosa Luxemburg. Haar belang voor nu? Hoe ze schrijft over oorlog, massamoord, de ontmenselijking die er aan genocides voorafgaat. Want het moorden begint met woorden. Mijn eerste aantekening onderaan de bladzijde die gaat over het belang van haar denken voor nu: waar blijft Israël? Het boek is van 2025. Het woord genocide is al ruimschoots gevallen.
Als ik het hoofdstuk over Arendt uit heb is het afgelopen met mijn sympathie voor het boek. In één mager zinnetje wordt genoemd dat ze zich verzette tegen de stichting van een joodse natiestaat in Palestina. Uitgebreid wordt er ingegaan op hoe Hannah Arendt, zelf vluchtelinge werd die haar leven heeft gered door op tijd weg te zijn, eerst naar Frankrijk, dan naar de VS. Uitgebreid gaat het ook over haar opvattingen over het Eichmann proces. Dat ze zich ook engageerde met het lot van de Palestijnen staat er ook heel kort in, dan gaat het over de Palestijnen als vluchtelingen. Die verdienen wel een thuis in de wereld, nadat ze gevlucht zijn. Maar hoe de oorspronkelijke sympathie van Arendt voor het zionisme veranderde in bijtende kritiek? Weggelaten. En uitgerekend dat is waarmee we nu nog steeds de naam van Arendt moeten eren. Het waren maar een handjevol joden, Einstein, Arendt, die nog vóór de stichting van Israel begrepen dat het zionisme een ramp zou veroorzaken, in de eerste plaats voor de Palestijnen, maar uiteindelijk ook voor de joden zelf. Hoe krijgt Gescinska het voor elkaar om dat weg te moffelen?
Niet omdat het materiaal er niet is. In mijn boekenkast staat bij de boeken van Arendt ook 'Het zionisme bij nader inzien’, De vertaling van drie belangrijke artikelen, waaronder ‘De jodenstaat later, waartoe heeft Herzls politiek geleid’? dat heel opmerkelijk gepubliceerd werd in 1946. Dat was dus nog vóór de staat Israël was gevestigd, nog vóór de Nakba, de grote catastrofe waarbij duizenden Palestijnen op de vlucht werden gejaagd en meer dan 400 dorpen werden verwoest. En Arendt begreep toen al dat het faliekant mis zou gaan. Dat boek is niet meer in de handel, maar diezelfde artikelen zijn ook te lezen in een engelstalige bundel, The Jewish Writings van Hannah Arendt. Die twee titels zijn niet terug te vinden in de literatuurlijst bij het hoofdstuk over Arendt. Er kan geen kwestie van zijn dat Gescinska deze artikelen en deze boeken per ongeluk over het hoofd heeft gezien.
De Nederlandse editie is dus helaas niet meer verkrijgbaar. Het ‘zionisme bij nader inzien’ verscheen in 2005, met een uitstekend informatieve inleiding door Hella Rottenberg, die precies uitlegt wat Gescinska laat zitten. Arendt was niet iemand die zich makkelijk aansloot bij een groep, daarvoor was ze te onafhankelijk en te eigenzinnig. In een interview zei ze eens, ‘de zionisten waren de enige groep waar ik toe behoord heb’. Maar gaandeweg begreep ze dat haar vriendelijke versie van zionisme, het streven naar een joods vaderland, wat niet hetzelfde is als een exclusieve joodse staat, het niet zou halen. Het zionisme dat het won was niet geïnteresseerd in een akkoord met de Arabieren. Waarmee er een einde kwam aan haar ideaal. In een exclusief joodse staat, zo voorzag ze feilloos, zouden Palestijnse Arabieren gedwongen worden te vertrekken of tweederangsburgers te te worden. Een joodse staat kan alleen worden opgericht ten koste van een joods vaderland. En Arendts hoop op een zionisme dat ruimte zou laten voor een compromis met de Arabieren werd de bodem ingeslagen. Daarmee eindigde haar betrokkenheid bij de zionistische beweging. Op 4 december 1948, was ze een van de opstellers van een protestbrief die ondertekend werd door een groep bekende Amerikaanse joden, waarin gewaarschuwd werd voor de gevaarlijke Begin, die bezig was om een ‘fascistische partij’ te organiseren die een ‘mengeling van ultranationalisme, religieuze mystiek en rassensuperioriteit’ predikte. Daarna staakte Arendt haar publicitaire pogingen om nog iets te redden van haar strijd voor een vredelievend joods vaderland.
Ik was nog aan het bijkomen van mijn teleurstelling dat een in principe fijn boek met zo’n evidente miskleun werd verpest, toen ik bij mijn favoriete boekhandel een nieuw boekje zag: Hannah Arendt, 'Over Palestina. Twee herontdekte teksten'. Even dacht ik dat de uitgeverij (De Bezige Bij) had ontdekt dat Gescinska een belangrijke zaak had weggelaten, en dat het nu werd rechtgezet.. Helaas gingen die twee artikelen over maar één vraagstuk dat Hannah Arendt, zelf vluchteling aan het hart ging. Ze wilde een humanitaire oplossing vinden voor het toen al tien jaar bestaande Palestijnse vluchtelingenprobleem. Heel mooi. Maar of de enige oplossing moest zijn een betere opvang voor die vluchtelingen? Dat maakt niet veel goed. Waar dat boekje wel nuttig voor is, is de inleiding van Gescinska zelf. Die verheldert wat haar visie is op het probleem Israël. Dat is niet de genocide die al gaande is, iets wat niet langer te ontkennen valt zonder je geloofwaardigheid te verliezen. En daarmee wordt ook duidelijk waarom ze juist de opinie van Arendt, die veel radicaler is dan die van haarzelf, heeft verdonkeremaand.
Gescinska zelf komt aanzetten met het cliché frame dat het gaat om ‘het Isralisch-Palestijns conflict’. Een conflict? Echt? Een conflict is onenigheid tussen in principe twee gelijke partijen. Ah, daar hebben we haar visie op wat er aan de hand is. Het gaat om de barbaarse aanval van Hamas op 7 oktober 2023, en de daarop volgende niets ontziende vergeldingsdrang van Israël. Het gaat dus niet over de aanvallen van Israël op Gaza voorafgaand aan 7 oktober, het gaat niet over de Nakba, niet over de etnische zuivering, het apartheidssysteem, de blokkade van Gaza, de verwoesting van de Westoever, de eerste inzet van de genocide die na 7 oktober full force in werking werd gezet. Gescinska vermijdt een realistische framing van hoe dat ‘conflict’ kon ontstaan, ze vermijdt de vermelding van de historici, Pappé, Shlaim, Khalidi, die allang vinden, en dat kunnen onderbouwen, dat dat conflict geen conflict is, maar (hopelijk) de laatste stuiptrekking van een vestigingskolonialisme - een kolonialisme dat in de begintijd van het zionisme door de zionisten zelf nooit ontkend werd.
Gescinska zelf blijft anders dan Arendt die meer lef toonde, steken in wat ik een tweetje noem. Je weet wel, waar er twee vechten hebben er twee schuld. Dit is het probleem volgens haar: ‘de wederzijdse denkbeelden en gevoelens bij Palestijnen en Israeli’s die zich vandaag weer (weer?) op een historisch dieptepunt bevinden. Want er is geen enkele natuurwet die bepaalt dat Palestijnen en Israeli’s elkaar als vijanden moeten en zullen beschouwen’ zegt ze. Ach, de schat. Alles gaat voorbij, dus ook de haat moet ooit eens wijken zegt ze aan het eind van haar inleiding. Wie daar voor moet zorgen dat de haat ophoudt, en wat daar voor nodig is, dat horen we van haar niet.
Dat mag ze natuurlijk denken. Het punt is alleen dat ze Hannah Arendt uitzocht als een van haar voorbeeldvrouwen, en het vervolgens verdomt om haar werkelijk aan het woord te laten, Arendt die zich niet meer kan verweren staat bij mij bekend als iemand met een van de moedigste stellingnames op dit moment, waarmee ze uitgerekend nú, met een wonderbaarlijke vooruitziend blik, geheel bij de tijd is. We staan midden in een nieuwe genocide die duizenden levens kost, en een volk dat op de rand van uitroeiing staat, en alles dreigt te verliezen, hun land, hun cultuur, zelfs hun geschiedenis wordt verdonkeremaand. En dan wordt het hen kwalijk genomen dat ze zich verzetten, die terroristen. Zelfs Ben Gurion had eens onder ogen gezien dat je van de Palestijnen niet hoefde te verwachten dat die zich gedwee van de kaart zouden laten vegen. ‘Als ik een Arabisch leider was zou ik nooit een verdrag ondertekenen met Israël. Dat is normaal: we hebben hun land in beslag genomen. We hebben antisemitisme meegemaakt, de Nazi’s, Hitler, Auschwitz, maar was dat hun schuld? Zij zien alleen één ding, wij zijn gekomen en hebben hun land gestolen. Waarom zouden ze dat moeten accepteren?’.
Wat ik al zei: Gescinska kan natuurlijk blijven steken in het idee dat het hele Palestina-Israel probleem alleen gaat over wederzijdse haat, haat waar het nu maar eens mee afgelopen moet zijn. Maar dat ze in een boek over moedige denkers, vrouwen, een heel belangrijke en dappere stellingname van Hannah Arendt, die het monster gewoon bij de naam durfde te noemen, en die akelig gelijk heeft gekregen, gewoon maar weglaat? Schande."
Anja Meulenbelt had hieraan nog de naam van de kritische Joods Israelische historica en hoogleraar Idith Zertal kunnen toevoegen, de drijvende kracht achter het vertalen van Hannah Arendt's oeuvre in Hebreeuws nadat het decennialang in Israel geboycot was door uiterst kritische uitspraken over "het proces van het heilig verklaren van de Holocaust – dat op zichzelf al een vorm van devaluatie is -- gekoppeld aan het concept van de heiligheid van het land" een "vaderland heeft veranderd in een tempel en een eeuwig altaar,"zoals Zertal constateert in haar alom geprezen studie Israël’s Holocaust and the Politics of Nationhood (2005). In haar essay "Een staat voor de rechter: Hannah Arendt tegen de staat Israël schreef Zertal "Of ze het nu leuk vond of niet, Arendt was op haar eigen manier een uitzonderlijke vrouw, net zoals ze, blijkbaar, ondanks alles, een 'uitzonderlijke Joodse vrouw' was. En precies uitgerust met de juiste kwaliteiten en reputaties, stormde ze het nationale klaslokaal binnen om chaos te veroorzaken terwijl Israëls mythische stichter en politieke leider, David Ben-Gurion, zijn laatste grote nationale onderneming uitvoerde, het Eichmann-proces. Toen ze naar Jeruzalem kwam om het proces voor The New Yorker te verslaan, was alles aan haar uitzonderlijk: ze was een volstrekt onafhankelijke, kritische intellectueel die opereerde binnen een strak gestructureerde politieke ruimte; een prominente vrouwelijke wetenschapper in een discipline die destijds uitsluitend voor mannen was gereserveerd. Ze was ook een Joodse vrouw in ballingschap die werd gezien als iemand die zich had bemoeid met een zeer nationale, louterende Israëlische gebeurtenis; Een eenzame, oudere vrouw die zich vanaf het begin verzette tegen de jonge nationalistische collectivistische staat die zijn staatsvorming en soevereiniteit vierde door middel van het proces. Waar ik me in dit essay op wil richten, is Arendts uitdaging van het politieke, nationalistische karakter van de georganiseerde gebeurtenis waarvan zij één van de hoofdrolspelers was – al was het maar als bijrolspeler, als waarnemer van dichtbij; of meer in het algemeen haar openlijke, publieke verzet tegen het Ben-Gurioniaanse ‘koninkrijk’ (het is geen toeval dat Ben-Gurions staatsvorm de Hebreeuwse term Mamlachtiut kreeg, een mengvorm van koningschap en royalisme) en de bijbehorende praktijken. En door de kieren van haar kritiek op de manier waarop het proces werd gevoerd en op de staatsinstellingen die eraan deelnamen, kon men, naar mijn mening, haar oudere en meer conceptuele beschouwing van de Europese natiestaat waarnemen, namelijk haar diepe vijandigheid jegens en wantrouwen ten opzichte van het concept en de praktijk van de natiestaat in het bijzonder en nationale soevereiniteit in het algemeen. De natiestaat betekende voor Arendt, volgens het Europese model zoals dat door de Joodse staat werd gehanteerd, een staat die niet alleen ondergeschikt was aan het idee van de natie, maar die feitelijk door de natie werd 'veroverd': een staat met een heersende homogene bevolking, verenigd door een gemeenschappelijke geschiedenis, taal, cultuur, herinneringen en tradities; een staat die etnische minderheden marginaliseert, discrimineert en feitelijk uitsluit. “In naam van de wil van het volk werd de staat gedwongen om alleen ‘onderdanen’ als burgers te erkennen, om volledige burgerlijke en politieke rechten alleen toe te kennen aan hen die op grond van afkomst en geboorte tot de nationale gemeenschap behoorden,” schreef Arendt in haar meesterwerk over totalitarisme (Arendt, 1968: 230). Maar nog belangrijker voor het huidige betoog was de perceptie en mobilisatie door de heersende bevolking en staatsinstellingen van de wet en het gehele rechtssysteem, uitsluitend in dienst van de natie, en niet in dienst van de gehele burgerij. De betekenis hiervan, schreef ze, was “dat de staat gedeeltelijk werd getransformeerd van een instrument van de wet tot een instrument van de natie” (Arendt, 1968: 230). Bovendien lag de éénpartij-dictatuur volgens Arendt niet ver van het meerpartijenstelsel van de natiestaat, en was deze “slechts de laatste fase in de ontwikkeling van de natiestaat in het algemeen en van het meerpartijenstelsel in het bijzonder,” zoals ze zou schrijven (Arendt, 1963b: 265-266). De natiestaat bood dus een politiek voorbeeld dat altijd de meest rampzalige vorm van politiek bestuur in de moderne tijd in zich droeg, de vorm die ze grondig bestudeerde in 'De oorsprong van het totalitarisme.' Het is opmerkelijk dat het Israël van begin jaren zestig, toen het proces in Jeruzalem plaatsvond – nog steeds in de ban was van het autoritaire bewind van Ben-Gurion en met de heersende cultus van nationale eenheid en eensgezindheid die zij sinds het ontstaan van de staat had gevreesd – voor haar het potentiële gevaar vertegenwoordigde van een afglijden naar een totalitair regime."
Op gedocumenteerde wijze zet Zertal uiteen op welke manier de herinnering aan de Holocaust een ideologisch wapen werd voor een verwerpelijke politiek, uiteindelijk ook ten koste van de ware slachtoffers zelf:
"Terwijl de Israëlische samenleving de herinnering aan de Holocaust nationaliseerde – door leiders en woordvoerders die ‘daar’ niet geweest waren – en organiseerde" in "een geritualiseerde, didactische herinnering, die een nationale les uitdraagt in overeenstemming met haar visie, sloot men de directe boodschappers van deze herinnering uit – zo’n kwart miljoen Holocaust-overlevenden die naar Israël waren gemigreerd.
Idith Zertal verklaarde rruim een decennium geleden in een interview met mij:
Wanneer ik in mijn boek schrijf dat door middel van Auschwitz Israël zich immuun heeft gemaakt voor kritiek en niet meer open staat voor een rationele dialoog met de wereld, moet opgemerkt worden dat voor die ontwikkeling geen duidelijk beginpunt aan te wijzen is. Er is sprake van een doorgaand proces, dat voortkomt uit de Joodse geschiedenis die geen bijzonder vreugdevolle is, en die natuurlijk enorm verslechterd is door de Holocaust. Tijdens de Holocaust waren Joden de ultieme slachtoffers en vanuit dit totale slachtofferschap en deze totale hulpeloosheid stamt nog steeds het gevoel slachtoffer te zijn. Het interessante is dat dit gevoel van slachtofferschap begrijpelijk was in de jaren tussen het eind van de oorlog en de stichting van de staat Israël, toen de herinnering aan de gruwelijkheden nog zo levendig en diep was, maar dat het nu veel minder begrijpelijk is geworden. Immers, de Israëlische werkelijkheid verwijdert zich steeds verder van de totale hulpeloosheid tijdens de Holocaust. Het huidige slachtoffer-gevoel is zelfs nogal vreemd en discutabel, aangezien Israël een machtige staat is geworden met een gevreesd leger. Meer nog dan een psychologisch fenomeen is het slachtoffer-gevoel een politiek verschijnsel geworden, beide zijn met elkaar verweven, in elkaar verstrikt geraakt, het psychologische voedt het politieke en omgekeerd. De claim slachtoffer te zijn, terwijl men dat niet is, is politiek gezien natuurlijk uiterst handig... terwijl wij militair en technologisch sterk zijn, zijn we tegelijkertijd psychologisch zwak. Er zit een diepe neurose in de Israëlische psyche, een neurose die in stand wordt gehouden en wordt gevoed door de Israëlische politiek, want het is opportuun om gezien te worden als slachtoffer. Dat geldt ook voor het huidige geweld tegen de Palestijnen, waarbij wij absoluut niet de slachtoffers zijn.''
Deze noodzakelijke zelfkritiek zult u zelden tot nooit terugvinden in de Nederlandse mainstream media, waardoor de politieke en maatschappelijke discussie onder Hoflands vermeende "politiek-literaire elite"alhier het propagandistische CIDI-niveau niet kan ontstijgen. Daarover volgende keer meer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten