De man in de open auto

Er bestaat een foto uit 1925. Een trein vanuit Roosendaal naar Amsterdam, ergens onderweg, en in een raampje aan de rechterkant kijkt mijn overgrootvader naar buiten. Naast hem in de coupé zitten Tom Mix, de cowboy van het witte doek, en zijn vrouw Victoria. Louis heeft hen aan de grens opgehaald. Hij is hun gids.
Op Centraal Station was het chaos. De directies van Fox en Cinema Royal hadden gerekend op honderd à honderdvijftig enthousiastelingen. Het waren er veel meer. De agent op het Stationsplein moest assistentie bellen en kreeg vier agenten te paard. De trein reed enige meters te ver door. Tom Mix stapte uit, de menigte juichte, de portiers van Cinema Royal stonden op het perron.
Daarna kwam de open auto. Op het Rokin staat ze tussen de juichende mensen. Achterin staand Tom Mix, die zwaait. Voor hem in de auto zitten mijn overgrootouders. Louis Groen en Judith de Hond. Hij draagt een colbert, zij een hoed met rand. Ze kijken niet in de camera. Ze kijken naar de mensen. Ik heb de bewegende beelden gezien. Mijn opa Max is dan zeven en blijft thuis. Het is nog rustig in zijn leven.
Louis kwam uit het diamantvak. Hij was diamantslijper, zoals zoveel Amsterdamse Joden van zijn generatie. Toen de diamantsector kort voor de Eerste Wereldoorlog instortte, stapten ze een voor een over naar de filmwereld. De Hoop, Hamburger, Kroonenberg, Van Biene, Mendes, Bierman en Groen. Een hele lichting die in de bioscoop een nieuw bestaan zocht.
Hij viel op. Hij sprak Italiaans, Frans en Engels. Hij speelde viool, gitaar, piano en cimbaal. Hij schilderde. Hij begon als tolk en gids voor buitenlandse gasten in het Amstel Hotel in Amsterdam. Daar ontmoette hij in 1922 William Fox, de Amerikaanse filmmagnaat, op rondreis door Europa. Fox zag iets in hem en nam hem mee naar New York. Daar leerde hij het vak. In 1923 kwam hij terug en werd hij leider van het Nederlandse verkoopbureau van Fox Film Corporation.
In Amerika was hij Louis gaan heten. Die naam hield hij. In de kranten, in het werk, in de filmwereld was hij voortaan Louis Groen. Levie stond op zijn papieren. Het was wat zijn familie zou blijven doen. Zijn zoon werd geboren als Meijer Louis en heette in het leven Max. Mijn vader werd geboren als Robert Louis en heet Rob. De officiële namen droegen ze in stilte. De werkbare namen droegen ze hardop.
Vanaf dat moment bepaalde hij wat de Nederlandse bioscopen uit Hollywood vertoonden. In 1926, vijf jaar nadat hij was begonnen, vertoonden honderdtwintig van de tweehonderdtwaalf bioscoop-theaters in Nederland een Fox-programma ter ere van zijn lustrum. Meer dan de helft van het land. Vanaf 1928 was hij hoofdbestuurslid van de Nederlandse Bioscoopbond, het gesloten bolwerk dat de hele Nederlandse filmsector beheerde. Hij at aan dezelfde tafels als Tuschinski, Hamburger jr., Barnstijn, De Hoop. Decennia, in dezelfde wereld, met dezelfde namen.
De meesten wilden Nederlander zijn, niet Jood-in-Nederland
Op 20 februari 1933 vierde hij zijn tienjarig jubileum. De receptie was in de Fransche Zaal van het Carlton-Hotel in Amsterdam. De hele Nederlandse filmwereld was er. Charles van Biene sprak namens de Bioscoopbond en roemde wat hij noemde de groote bescheidenheid van de jubilaris. Het personeel van Fox sprak over de bijzonder aangename verstandhouding waaronder het werkte. Met een diner werd het feest besloten. Het Nieuw Weekblad voor de Cinematografie schreef erover. Jubileum Louis Groen.
Wat in dat milieu opvalt, is wat er níet gebeurde. De meeste Joodse bioscoopbazen draaiden geen zionistische films. Tuschinski deed het niet in zijn Amsterdamse vlaggenschip. Jozef Kroonenberg, die het meest Joodse theater van de stad bezat, weigerde het. Het was een commerciële wereld die haar Jood-zijn liefst ongezien hield. Politiek paste niet bij de bioscoop, en zionisme was politiek. Bovendien lag het zionisme niet goed bij het Joodse publiek zelf. Traditionele Joden hadden theologische bezwaren. Socialistische Joden vonden het bourgeois. Geassimileerde Joden vreesden dat het hun integratie zou schaden. De meesten wilden Nederlander zijn, niet Jood-in-Nederland. De Bioscoopbond cultiveerde dezelfde geest. Neutraal, nationaal, niet-zuilgebonden. Louis staat in geen enkel zionistisch dossier. Hij draaide geen Palestinafilms, faciliteerde geen NZB-avonden, kwam niet voor in De Joodsche Wachter. Hij was Jood, maar zijn Jood-zijn droeg hij naar binnen, niet naar buiten. Dat was wat zijn generatie deed. Dat was wat veilig leek. Hamburger jr., voorzitter van de Bioscoopbond, dacht daar anders over. In 1939 verkocht hij al zijn bezittingen en vertrok naar Nederlands-Indië.
Op 18 juli 1938 stond Louis op Schiphol om Darryl F. Zanuck te ontvangen, de vicepresident van Twentieth Century Fox. Naast hem stond de heer Tuschinski. Anderhalf jaar voor de Duitse inval. Achttien maanden voor de eerste razzia’s. Dat was zijn wereld. Een wereld die hij had helpen bouwen, in een stad die hij van zichzelf wist. Toen kwam de oorlog.
Zijn moeder Branca werd vermoord. Zijn zus Helena, zijn zus Rebecca, zijn broer Michel, allemaal vermoord. Zijn zoon Rudi, achttien jaar oud, werd op 9 april 1943 in Sobibor vermoord. Drie maanden later, op 16 juli 1943, werd zijn ex-vrouw Judith, die naast hem in de open auto van 1925 had gezeten, in hetzelfde kamp vermoord. Vermoord omdat ze waren wie ze waren.
Louis zelf overleefde. Niet door verzet, maar door een papier. Hij was na de scheiding van Judith hertrouwd met Johanna van Eekeres, een niet-Joodse vrouw. Dat formulier hield hem buiten de transporten. In 1939 kregen ze een zoon. Hij noemde hem Louis Frederik. Van de mensen met wie hij in 1939 nog aan tafel had gezeten, kwam bijna niemand terug. Tuschinski, in Auschwitz. Zijn zwager Gerschtanowitz, in Auschwitz. Zijn zwager Ehrlich, in Sobibor. De namen waarmee Louis de Nederlandse filmsector had opgebouwd, vielen weg in een stilte die ze zelf niet meer konden vullen. Toen mijn opa Max in 1945 terugkwam uit zes concentratiekampen, liep hij eerst naar het huis van zijn vader. Louis deed open. Geen Rudi.
Op 19 januari 1948, bijna drie jaar na de bevrijding, vierde hij in Hotel de l’Europe te Amsterdam zijn vijfentwintigjarig jubileum. Inmiddels was hij ook twintig jaar hoofdbestuurslid van de Nederlandse Bioscoopbond. De hele Nederlandse filmwereld was opnieuw aanwezig. Importeurs, exploitanten, critici, filmkeuring. Louis en Johanna stonden in de bloemen. Het Algemeen Dagblad schreef dat het grote gezelschap hem geluk kwam wensen. Hij gaf ondertussen ook leiding aan het Nederlandse bureau van de Motion Picture Export Association, waarin negen grote Amerikaanse maatschappijen zich hadden verenigd. Begin jaren vijftig was hij enige tijd directielid van theater Hollandia in Amsterdam.
4 mei is geen archiefdag. Het is een dag waarop we onszelf de moeilijkste vraag stellen die een herdenking kent. Wat doe ik nu?
In de krant stond niets over wat ontbrak. Niets over de mensen die er niet meer waren. Niets over Tuschinski, niet meer aan tafel. Niets over de tafels van 1939 die nu leeg waren. De Nederlandse filmwereld stond rond Louis en Johanna en wenste hen geluk, en niemand schreef op wat iedereen wist.
In de jaren vijftig stapte hij over naar Warner Bros. en werd hun Nederlandse directeur. Hij bleef in het hoofdbestuur van de Bioscoopbond. In 1959 reisde hij naar Hollywood. Hij was achtenzestig. Een KLM-vlucht naar New York, een hotel in Los Angeles, een toeristenvisum voor één maand. Wat hij daar zocht weet ik niet. Misschien iets terug willen vinden van wat ooit was begonnen op een treinraam tussen Roosendaal en Amsterdam, met een Amerikaanse cowboy naast zich. Hij stierf twaalf jaar later, in september 1971. Erelid van de Nederlandsche Bioscoopbond.
4 mei is geen archiefdag. Het is een dag waarop we onszelf de moeilijkste vraag stellen die een herdenking kent. Wat doe ik nu? Louis keek na 1945 naar een wereld waarin de catastrofe alweer aan het wegzakken was. De handel hervatte zich. De bioscopen openden. Mensen gingen weer naar films kijken zoals ze altijd hadden gedaan. En ergens, achter al dat doorgaan, wist hij wat de meeste mensen om hem heen niet meer wilden weten. Dat een wereld in vier jaar weggevaagd kan worden. Dat namen die je hele leven aan tafel zaten, op een ochtend niet meer bestaan. Hij droeg die kennis met zich mee tot hij stierf, zonder dat het een onderwerp was waarover je sprak.
Op andere plekken in de wereld gebeurt het nog. Op dit moment. Tafels lopen leeg. Namen verdwijnen. Mensen die overleven lopen door straten waar buren niet meer wonen. Hele werelden worden uitgewist terwijl wij naar films kijken.
Louis stierf in 1971. Ik was tien. Ik wist niet dat hij mijn overgrootvader was. Pas op mijn zesendertigste ontdekte ik uit welke familie ik was geboren. Drie generaties Groen die hun officiële namen in stilte droegen en hun werkbare namen luid lieten klinken.
Ik heette in mijn paspoort Pieter ten Zijthoff. De adoptie had me uit hun rij weggehaald. Niet alleen de Louis was weg. Ook de Groen, ook de Meijer, ook het patroon. Dertig jaar geleden heb ik bij Koninklijk Besluit Meijer Louis laten toevoegen aan mijn naam. Niet omdat het van mij was. Omdat ik het van mij wilde maken.
Op 4 mei noem ik hun namen. Branca. Helena. Rebecca. Michel. Judith. Rudi. En Louis Groen, die overleefde, die opnieuw begon, en wiens naam ik nu draag omdat ik ervoor heb gekozen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten