vrijdag 18 mei 2018

Ian Buruma en George Soros


Nog geen week na het Joods-zionistisch fascisme tegen Palestijnse burgers in Gaza, plaatst de NRC een column van mijn oude vriend Ian Buruma met als kop: 

Antisemitisme is geen rechtse ziekte meer.

Bij links heeft de klassenstrijd plaatsgemaakt voor anti-racisme, schrijft Ian Buruma. Bij de Britse Labour-partij is goed te zien hoe dat tot antisemitisme leidt.

Opnieuw voert Buruma de speculant George Soros op als 'Jood' met een hoofdletter, om zijn stelling over het antisemitisme geloofwaardig te maken. Probleem is alleen dat Soros geen Jood is, en ook geen jood, met een kleine letter, want zoals Soros zelf verklaarde tegenover een interviewer van het Amerikaanse televisieprogramma 60 Minutes gelooft hij niet in god, met of zonder een hoofdletter. Bruma heeft de merkwaardige opvatting dat het joods zijn een biologisch gegeven is, het zit als het ware in het bloed van de jood, eenmaal Jood altijd Jood, met een hoofdletter. Wat dit betreft wijkt Buruma's mening niet af van die van de nazi's en absurd genoeg, ook die van de zionisten.  Eerder al, 23 maart 2017 stelde Buruma: 

Soros might be described as the personification of ‘the West’ as defined by Kolnai (joods-Hongaarse filosoof. svh) He is everything that nativists and anti-Semites hate: rich, cosmopolitan, Jewish, and a liberal dedicated to what Karl Popper, yet another child of Jewish origin from the Austro-Hungarian Empire, called ‘the open society.’


De speculant George Soros als representant van ‘de open samenleving.’ Hoe ‘open’ is de ‘samenleving,’ die de getrukeerde ‘Soros’ voor ogen staat? Daarvoor dient men zich te verdiepen in wie Soros is. Op 20 december 1998 zond het bekende CBS-programma 60 Minutes een onthullend interview uit met Soros, dat de onderzoeksjournalist Steve Kroft als volgt inleidde:

When the Nazis occupied Budapest in 1944, George Soros’ father was a successful lawyer. He lived on an island in the Danube and liked to commute to work in a rowboat. But knowing there were problems ahead for the Jews, he decided to split his family up. He bought them forged papers and he bribed a government official to take 14-year-old George Soros in and swear that he was his Christian godson. But survival carried a heavy price tag. While hundreds of thousands of Hungarian Jews were being shipped off to the death camps, George Soros accompanied his phony godfather on his appointed rounds, confiscating property from the Jews.

KROFT: You’re a Hungarian Jew… who escaped the Holocaust… by posing as a Christian.

Mr. SOROS: Right.

KROFT: And you watched lots of people get shipped off to the death camps.

Mr. SOROS: Right. I was 14 years old. And I would say that that’s when my character was made.

KROFT: In what way?

Mr. SOROS: That one should think ahead. One should understand and anticipate events and when one is threatened. It was a tremendous threat of evil. I mean, it was a very personal experience of evil.

KROFT: My understanding is that you went out with this protector of yours who swore that you were his adopted godson.

Mr. SOROS: Yes. Yes.

KROFT: Went out, in fact, and helped in the confiscation of property from the Jews.

Mr. SOROS: Yes. That’s right. Yes.

KROFT: I mean, that sounds like an experience that would send lots of people to the psychiatric couch for many, many years. Was it difficult?

Mr. SOROS: Not – not at all. Not at all. Maybe as a child you don’t see the connection. But it was – it created no – no problem at all.

KROFT: No feeling of guilt?

Mr. SOROS: No… Well, of course I could be on the other side or I could be the one from whom the thing is being taken away. But there was no sense that I shouldn’t be there, because that was – well, actually, in a funny way, it’s just like in markets – that if I weren’t there – of course, I wasn’t doing it, but somebody else would be taking it away anyhow. And – whether I was there or not, I was only a spectator, the property was being taken away. So I had no role in taking away that property. So I had no sense of guilt.


Nog eerder, in 1995, werd Soros geïnterviewd door de befaamde Amerikaanse journalist Charlie Rose. Dit vraaggesprek vond plaats drie jaar nadat George Soros op Black Wednesday, 16 september 1992, de waarde van de Britse munteenheid ineen liet storten, waardoor de Britse bevolking op één dag 3,4 miljard pond verloor, en Soros, dankzij een doortrapt spel, op diezelfde dag meer dan één miljard pond rijker maakte. Het is ander voorbeeld van de immorele wijze waarop Soros zowel tijdens de oorlog als daarna opereerde en nog steeds te werk gaat. De man kent ‘[n]o feeling of guilt.’ Evenals bij de  diefstal van gedeporteerde joodse Hongaren beschouwde hij het oplichten van de Britten ‘in a funny way,’ als iets dat is ‘just like in markets,’ namelijk dat ‘if I weren’t there’ dan ‘somebody else would be taking it away anyhow.’ Volgens eigen zeggen beschouwt hij ‘[t]he market’ als ‘a laboratory where I could test my philosophical ideals.’ Diefstal van weerloze individuen als onderdeel van ‘mijn filosofische idealen,’ want de 

market is a very good example of what reality is. All the false ideas and misconceptions that we have, and which play in the market, is part of the reality that we have to think about. So the role of misconceptions is tremendously important in forming reality.

Tijdens het interview in 1995 stelde Charlie Rose de vraag ‘Strobe Talbot, the Deputy Secretary of State, the principal architect of our policy towards Russia listens to you?’ Soros antwoordde:

He does. I do now have access, we actually work together. The country where I am most engaged and we are really working together is Ukraine.

Interessant in dit verband is dat George Soros met de regelmaat van de klok de gelegenheid krijgt om zijn vermeende ‘philosophical ideals’ uiteen te zetten in The New York Review of Books, het tijdschrift van de mainstream-liberals waarvan Ian Buruma in september 2017 de hoofdredacteur werd. Buruma is van oordeel dat ‘Soros might be described as the personification of “the West”,’ zijnde ‘a liberal dedicated to what Karl Popper, yet another child of Jewish origin from the Austro-Hungarian Empire, called “the open society.”’ Met andere woorden: ook voor Ian Buruma, als woordvoerder het ‘liberal establishment,’ is een volstrekt immorele, stelende en speculerende opportunist, die geen ‘feeling of guilt’ kent, ‘de personificatie van “het Westen”,’ oftewel ‘een liberaal toegewijd aan’ datgene wat  de gevestigde orde als ‘de open samenleving’ ziet.  Om het nog absurder te stellen: een jood die van joodse slachtoffers stal is in deze optiek, niet alleen de 
'personification of “the West” […] a liberal dedicated to […] “the open society”,’ maar tegelijkertijd ook nog eens het slachtoffer van ‘nativists and anti-Semites’ die Soros zien als ‘rich, cosmopolitan, Jewish, and a liberal.’ 

Het te pas en te onpas een beroep doen op het joodse slachtofferschap, is kenmerkend geworden voor de werkwijze van Buruma, die een geassimileerde 'joodse' moeder had, maar wiens eigen identificatie met het jodendom niet berust op een doorleefde werkelijkheid, vergeleken met die van een orthodox joodse gelovige.  Gezien het feit dat ‘na de Tweede Wereldoorlog het jodendom in de christelijke wereld vrijwel heilig [is] verklaard,’ zoals Jan Blokker terecht heeft opgemerkt, is ook een valse joodse identiteit, een geweldig wapen om onzinnige argumenten kracht bij te zetten. Het is als het ware een paspoort voor ‘the open society,’ zelfs voor degenen die nagenoeg onvoorwaardelijk achter de terreurstaat Israel staan. Wat dat betreft stellen eveneens de


begrippen ‘liberal’ en ‘cosmopolitan’ weinig tot niets meer voor. Buruma, die in de Nederlandse polder doorgaat voor een ‘typisch voorbeeld van de nieuwe kosmopoliet,’ identificeert zich ondertussen keer op keer met joods tribalisme. Zijn joods-zijn is evenwel een pose, zoals blijkt uit ondermeer het feit dat hij — of all people — Soros afschildert als slachtoffer. Het maakt Buruma’s intellectuele integriteit op z’n minst verdacht. Zeker als men die vergelijkt met de intellectuele integriteit van iemand als Gilad Atzmon, de in Israel geboren joods-Britse ‘jazz saxophonist, novelist, political activist and writer,’ die het volgende stelt

I don't write about politics, I write about ethics. I write about Identity. I write a lot about the Jewish Question – because I was born in the Jew-land, and my whole process in maturing into an adult was involved with the realization that my people are living on stolen land.

Atzmon has said that his experience in the military of ‘my people destroying other people left a big scar’ and led to his decision that he was deluded about Zionism. He has condemned ‘Jewishness’ as ‘very much a supremacist, racist tendency,’ but he has also stated that ‘I don't have anything against Jews in particular and you won't find that in my writings.’ Regarding the one-state solution, Atzmon concedes that such a state probably would be controlled by Islamists, but says, ‘That's their business.’ 

In een bespreking van zijn boek The Wandering Who? 2011 schreef de Palestijnse kunstenaar Anis Hamadeh dat Atzmon, net als wijlen ‘Leibowitz (Yeshayahu Leibowitz. kritische Joods Israelische hoogleraar. svh), van oordeel is ‘that the genocide was the only thing that united the Jews. This would not be about a historical narrative, for if it was it would not need the protection of laws and politicians. The Holocaust became an ‘ideological interface’ for Zionists, Marxists and humanists who flock to the holy core-narrative, the trauma… The author summarizes: ‘That which maintains the Jewish collective identity is fear.’

Al langere tijd bespeelt Buruma deze ‘Joodse collectieve identiteit’ door in zijn opinies keer op keer in te spelen op de ‘angst.’ Hoewel hij stelt  ‘de meeste affiniteit met de familietraditie van het geassimileerde jodendom van zijn moeder,’  te hebben, reikt die aangepastheid niet zo ver dat Ian ervan afziet om de angst voor de ‘angst’ te misbruiken om zo zijn opinies levensvatbaar te laten lijken. Hij gebruikt het slachtofferschap als politiek wapen. Tegelijkertijd is zijn slachtofferisme tevens het visitekaartje, waarmee hij zich introduceert in kringen die van belang zijn voor Ian's carrièreplanning. Netwerken zijn voor een streber immers onmisbaar, zoals Buruma zelf duidelijk maakte toen hij over zijn vader schreef dat ‘[o]m een toekomst te hebben als jurist moest hij wel lid worden van het corps (dat moet je tot op zekere hoogte nog steeds),’ en dat daardoor zijn vader het ‘normaal’ vond dat ‘feuten,’ inclusief hijzelf, zowel tijdens als na de nazi-bezetting werden vernederd en sadistisch werden behandeld, louter en alleen om bij een netwerk te kunnen horen. Het enig opvallende verschil is dat Ian het slachtofferschap niet meer ‘normaal’ vindt, maar nog wel het daderschap van de ‘stand’ waartoe hij wil behoren, zoals ondermeer blijkt uit het feit dat hij het ‘imperialisme uit Washington’ kwalificeert als ‘betrekkelijk goedaardig.’ Zo ziet men hoe een valse joodse identiteit uiteindelijk leidt tot een absurde vertoning, die lachwekkend zou zijn als zij niet zoveel leed veroorzaakt onder  Palestijnse burgers. Na zeventig jaar zionistische terreur is er mede door de corrupte houding van journalisten als Ian Buruma nog steeds geen zicht op het einde van het lijden van onschuldigen.



The Psychology of Materialism, Violence and War

Love Denied: The Psychology of Materialism, Violence and War Friday, 24 May 2013, 4:35 pm Article:  Robert J. Burrowes Love Denied: ...