• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

woensdag 3 augustus 2016

Frank Westerman's Provinciale Schrijverij 8

Schrijven komt aan op weglaten; het is schiften en zeven.
Frank Westerman. NRC Handelsblad. 9 mei 2000


Aangezien Frank Westerman in zijn boek over het terrorisme’ de CIA niet als ’s werelds grootste terroristische organisatie behandelt, moet de lezer er vanuit gaan dat dit feit ten offer is gevallen aan het ‘schiften en zeven,’ terwijl toch volgens de officiële definitie in het Amerikaanse Legerhandboek terrorisme wordt gedefinieerd als ‘het bewust geplande gebruik van geweld of dreiging van geweld om doelen te bereiken die politiek, religieus, of ideologisch van aard zijn.’ De mainstream-journalistiek in de polder rekent de grootscheepse CIA-terreur niet tot ‘terrorisme.’ Een dergelijke keuze is niet gebaseerd op journalistieke maar op ideologische gronden, die de gecorrumpeerdheid van mijn collega’s opvattingen demonstreren. Laat ik dit nader toelichten aan de hand van de analyse van de prominente Amerikaanse journalist/auteur en Pulitzer Prijs-winnaar Garry Wills, die in zijn boek Bomb Power. The Modern Presidency and The National Security State (2010) laat zien hoe de CIA dankzij de zogeheten National Security Act uit 1947 zich tot een terroristische organisatie ontwikkelde, in dienst van de Amerikaanse financiële, economische en politieke elite. Hoofdstuk 6, getiteld ‘Completing The Apparatus,’ begint met de opmerking dat ‘After the rapid mobilization of national security resources in 1947, several areas remained for extension of the policies already in place.’ Die kwamen ter sprake in het NSC 7-document van 30 maart 1948, waarin de zogeheten ‘counteroffensive’ centraal werd gesteld om ervoor te zorgen dat de VS de hegemonie in de wereld kreeg en niet de Sovjet-Unie, wat in de praktijk betekende dat het Amerikaanse privé-kapitalisme en niet het Russische staatskapitalisme de alleenheerschappij verkreeg. De bureaucratische elite schilderde dit af als een kosmische strijd tussen Goed en Kwaad, die niet anders kon eindigen dan in een nederlaag van wat in de stripboeken-retoriek van president Reagan ‘the evil empire’ heette, en naadloos aansloot bij het ‘georganiseerd puerilisme van mateloze omvang,’ waarop de enige Nederlandse historicus van wereldnaam, Johan Huizinga, al in het interbellum op wees, toen hij erop wees dat het ‘soms [kan] schijnen, alsof de hedendaagse mensheid geen hogere gemeenschappelijke cultuurfunctie meer kent, dan met blijde of toornige blik in de pas te lopen,’ als gevolg van:

het ontbreken van gevoel voor humor, het warmlopen op een woord, de verregaande argwaan en onverdraagzaamheid tegenover niet groepsgenoten, de mateloze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit. Veel van deze pueriele trekken vindt men ook in vroegere beschavingstijdperken ruimschoots vertegenwoordigd, doch nooit in de massaliteit en met de brutaliteit, waarmee zij in het openbare leven van heden zich breed maken. Het is hier niet de plaats voor een uitvoerig onderzoek naar de oorzaken en de groei van dit cultuurverschijnsel. Onder de factoren die er deel aan hebben behoren in ieder geval de intrede der half-ontwikkelde massa's in het geestelijk verkeer, de verslapping der morele standaarden en de al te grote volgzaamheid, die techniek en organisatie aan de maatschappij verleend hebben. De adolescente geesteshouding, ongebreideld door opvoeding, vormen en traditie, tracht in elk domein de overhand te krijgen, en slaagt daarin maar al te zeer. Ganse gebieden van de openbare meningsvorming worden beheerst door het temperament van opgroeiende knapen en de wijsheid van de jongensclub.

In dezelfde periode van de vorige eeuw zette de Spaanse filosoof Ortega y Gasset in De Opstand Der Horden (1933) uiteen dat de moderne mensen behept waren met een ‘verdwaasde gemoedstoestand.’ Zij ‘hebben alleen maar oog en hart voor stoffelijk welzijn, en tegelijk keren zij zich tegen de grondslagen waarop dit gemeenschappelijk welzijn berust. Aangezien zij niet inzien dat de beschaving en haar voordelen voortkomen uit het scheppend vernuft en de ontzagwekkende creatie is van mensenhanden, en alleen gemaakt kunnen worden door onafgebroken zwoegen en spieden, menen deze horden dat het enige dat zij te doen hebben, is dringend eisen alsof wat hun gegeven wordt hun geboorterecht was. 

Vandaag de dag, levend in een nieuw interbellum, beschikt de postmoderne massamens die voortdurend zijn virtuele werkelijkheid bijeen schift en zeeft, inmiddels over genocidale kernwapens waarbij zowel Auschwitz als Hiroshima een bagatel zullen blijken te zijn geweest. Met het oog op het feit dat volgens Westerman het in de 21ste eeuw gaat om ’Frictie of non-frictie’ en dat ‘of iets “waar gebeurd” is of aan de fantasie van de schrijver ontsproten,’ van nu af aan ‘ongeschikt [is] als indelings- of beoordelingscriterium,’ en deze journalist/schrijver van oordeel is dat ‘fictie en non-fictie,’ verouderde en daarmee onbruikbare begrippen zijn, omdat de ‘grenzen tussen journalistiek, geschiedschrijving en literatuur vervagen,’ is het van levensbelang de Duitse filosoof Peter Sloterdijk te citeren. In zijn Kritiek van de cynische rede (1983) schreef hij over het kernwapen:

De atoombom is eigenlijk de Boeddha van het Westen, een perfecte, abstracte, soevereine apparatuur. Onbeweeglijk rust ze in haar atoomsilo, toppunt van werkelijkheid en toppunt van mogelijkheid. Ze is het summum van de kosmische energie en van het menselijk aandeel daarin, de topprestatie van de mens en zijn vernietigster, een triomf van technische rationaliteit en verheffing daarvan tot het paranoïde. Met de atoombom verlaten wij het gebied van de praktische rede, waar men doeleinden met gepaste middelen nastreeft. De bom is al lang geen middel tot een doel meer, want zij is het mateloze middel dat elk mogelijk doel te boven gaat. Juist omdat zij echter geen middel tot een doel kan zijn, moet zij veranderen in een medium voor de zelfbeleving. Ze is een antropologisch gebeuren, het toppunt van objectivering van de machtsgeest die aan het werk is achter de drift tot zelfbehoud. Als wij haar geconstrueerd hebben om onszelf te 'verdedigen,' dan heeft dat ons in werkelijkheid een onvoorstelbare weerloosheid opgeleverd. De bom is een voltooiing van de mens in zijn 'slechte' vorm. Slechter, intelligenter en defensiever kunnen wij niet meer worden.

In feite is de bom de enige Boeddha die ook door de westerse rede wordt begrepen. Eindeloos zijn haar rust en haar ironie. Haar maakt het niets uit hoe ze haar missie volbrengt, door zwijgend afwachten of als gloeiende wolk; voor haar maakt de aggregatietoestand geen verschil. Net als bij Boeddha is alles wat er te zeggen zou zijn, alleen al door haar bestaan gezegd. De bom is geen zier slechter dan de werkelijkheid, en geen haar destructiever dan wij. Ze vertegenwoordigt slechts onze ontplooiing, een materiële uitbeelding van ons wezen. Ze is reeds belichaamd als iets volmaakts, terwijl wij in onze relatie tot haar nog gespleten zijn. Tegenover een dergelijk apparaat zijn geen strategische overwegingen meer op hun plaats, maar men moet aandachtig luisteren. De bom eist van ons strijd noch berusting, maar zelfbeleving. Wij zijn zelf die bom. Zij is het volmaakte westerse 'subject.' Onze enorme bewapening maakt ons zo weerloos dat wij weer zwak worden, zo zwak dat wij verstandig worden, zo verstandig dat wij bang worden. De enige vraag die blijft is of wij de uitwendige weg kiezen, of de innerlijke — of het inzicht vanuit de bezinning zal komen, of uit de vuurgloed boven de aarde.

Binnen deze werkelijkheid is de bewering van Frank Westerman dat hij en zijn soortgenoten door al hun ‘weglaten, schiften en zeven’ erin zijn geslaagd de ‘grenzen tussen journalistiek, geschiedschrijving en literatuur’ te laten ‘vervagen,’ een uiterst beangstigende realiteit. Ondanks de stelling van de door hem zo bewonderde Henk Hofland dat er een ‘politiek-literaire elite’ zou bestaan, blijft dit gevaarlijke nonsens van journalisten die zich literaire schrijvers beschouwen. Zoals  Milan Kundera en Frans Kellendonk helder hebben beschreven bestaat er een wereld van verschil tussen de journalistiek en de literatuur. Kellendonk stelde tijdens zijn lezing Idolen (1986) op een scherpzinnige manier de dwaasheid van de westerse journalistiek aan de kaak, toen hij zei dat:

Het realisme een weerspiegeling van de werkelijkheid [veinst] te zijn, maar stiekem gaat het afbeelden precies andersom: aan de werkelijkheid wordt door het realisme een beeld opgedrongen.

Dat is des te gevaarlijker omdat dit vertekend 'realisme,' aldus Kellendonk 'oppermachtig heerst' in 'de journalistiek. Die geeft zich zonder voorbehoud uit voor naakte werkelijkheid… Niets is zo levend, of deze geestdodende vervreemdingsmachine weet het onverwijld op maat te snijden.' De pretentie dat journalisten de werkelijkheid zouden kunnen weergeven is volstrekt onzinnig, daarvoor is de werkelijkheid te groot, te gelaagd, te verfijnd en te gecompliceerd om die elke dag weer in kort bestek te kunnen samenvatten. Flaubert had een heel boek nodig om de complexiteit van Madame Bovary te belichten, Tolstoj had Oorlog en Vrede nodig om te laten zien hoe de mens door krachten buiten hem om wordt meegesleurd. Het enige dat  de journalistiek daar tegenover kan stellen is een uiterst versimpelde ideologie. Terecht schreef Kellendonk dat de 'journalistieke media allemaal verpolitiekt [zijn]' waarbij de 'ideologie de wereld van het uitgeschakelde denken is en de volautomatische moraal.' Goed en Kwaad zijn bij voorbaat onwrikbaar vastgelegd. Goed ben Ik, slecht is De Ander, overal en altijd, en wel omdat ‘de mens zich een wereld [wenst] waarin het goed en het kwaad duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, want in hem huist het ingeschapen en ontembare verlangen te oordelen alvorens te begrijpen.’ Ik moet telkens opnieuw aan deze observatie van de romanschrijver Kundera denken wanneer ik een stuk lees van iemand die op hoge toon en met veel retoriek onze westerse waarden bejubelt om vervolgens obsessief het kwaad in De Ander te projecteren. Wat overblijft voor wie het leven zinloos lijkt, is zelfmoord of het cultiveren van het  slachtofferschap. Dat laatste doet Frank Westerman in zijn boek Een Woord Een Woord (2016) over ‘het terrorisme,’ dat wil zeggen: het ‘terrorisme’ van De Ander. Het westerse grootschalige’terrorisme’ staat niet centraal in zijn door de mainstream zo geprezen boek. Het is geschreven voor een zo groot mogelijk publiek en dus geldt Kundera’s observatie dat ‘het goed en het kwaad duidelijk van elkaar te onderscheiden’ moeten ‘zijn,’ want in de massamens ‘huist het ingeschapen en ontembare verlangen te oordelen alvorens te begrijpen.’ In dit opzicht staan de journalistiek en de literatuur lijnrecht tegenover elkaar. Kellendonk merkte op:

Cultuurfilosofen speculeren wel eens of de kunst misschien de opengevallen plaats van de religie zou kunnen innemen, maar ik zou zweren dat die plaats bij ons allang bezet is door de ideologie.

De 'ideologie' van het zelfgenoegzame simplisme, van de reclame-slogan als 'It's the real thing, drink Coca-Cola,'en de propaganda-leuze als 'Geen Jorwert zonder Brussel.' Het is de 'ideologie' van het simplisme en de gedachteloosheid. Het was de dichter W.B. Yeats die duidelijk maakte dat 'argument with someone else is rhetoric. Argument with yourself is poetry.' De massamedia kunnen slechts overleven door retoriek, het is de enige manier waarop ze hun taak kunnen vervullen: en die is eenvoudigweg het mobiliseren van de massa om de belangen van de elite te dienen. Kellendonk: 

Voor de schrijver is ethiek iets persoonlijks. De journalist preekt een publieke moraal. Ethiek betekent voor het 'ik': het kwaad in zichzelf onderkennen. Zonder die twijfel zou zijn denken geautomatiseerd en dus niet meer creatief zijn. De eerste impuls tot een verhaal krijgt een schrijver wanneer hij het met zichzelf oneens is. Twijfel en geloof zijn voor hem complementaire tegengestelden… 

De publieke opinie kent geen 'ik.' Twijfel en geloof zijn haar beide wezensvreemd. Ze is extravert. Zelfkritiek is in haar ogen ziekelijke zelfkwellerij. Ze doet aan zelfrechtvaardiging. Om haar eigen voortreffelijkheid aan te tonen zoekt ze een tegenstander die ze met modder kan bekogelen. Kritiek is voor haar etikettering, nooit discussie. Een idee is voor haar een dogma of een ketterij. Het staat altijd in het gelid van een partijprogramma, dat weer in het gelid staat van een ideologie. Het draagt een geweer en daarom moet ze het wel partijdig bejegenen. 

Het publieke Ik van de mainstream-journalisten is niet in staat tot zelfreflectie, en kan dus niet de bewuste en onbewuste processen in de eigen psyche herkennen, laat slaan doorgronden. 'Reflexen zijn het, je bent daar geconditioneerd in,' verklaarde eens Frits van Exter, de voormalige hoofdredacteur van Trouw en Vrij Nederland. Zijn conclusie was dan ook dat het publiek 'wantrouwend' behoort 'te zijn tegenover de media,' aangezien de 'aandacht van de media natuurlijk voor een belangrijk deel wordt gestuurd' door 'de politieke machten.' Ik had het niet juister kunnen formuleren. Het probleem is alleen dat deze ontboezeming niet bedoeld was en is voor het grote publiek. Dat moet in de waan blijven dat de 'vrije pers' onafhankelijk, objectief en vooral ook ‘vrij’ is, en dat haar werk juist niet wordt gedirigeerd. In die wereld wordt de CIA niet gezien als een terroristische organisatie, in die wereld wordt het militair-industrieel complex met rust gelaten. In die wereld worden eufemismen gebruikt om te voorkomen dat de macht kleur moet bekennen. Zo constateerde de Amerikaanse fotograaf Paul Shambroom in zijn fotoboek Face to Face with the Bomb. Nuclear Reality after the Cold War (2003)

Military people used terminology that seems a denial of the real function of the hardware. Words such as ‘bomb’ and ‘warhead’ are rarely used. Instead, the air force uses the acronym ‘RV’ (for ‘Reentry Vehicle’). The navy, perhaps just to be different, uses ‘RB’ (for ‘Reentry Body’). I was sharply corrected the first time I referred to the MX missile and told that the official name is ‘Peacekeeper.’ Bombs are ‘gravity weapons.’ Warheads are jokingly referred to as ‘physics packages.’ Anything nuclear is ‘non-conventional.’


Het openingscitaat in zijn fotoboek is van 'Secretary of Defense Donald H. Rumsfeld' die tijdens zijn 'testimony to the Senate Foreign Relations Committee,' op 17 juli 2002 zei:

Some have asked why, in the post-Cold War world, we need to maintain as many as 1,700-2,200 operationally deployed warheads. The end of the Soviet threat does not mean we no longer need nuclear weapons. To the contrary, the U.S. nuclear arsenal remains an important part of our deterrence strategy, and helps us to dissuade the emergence of potential or would-be peer competitors, by underscoring the futility of trying to reach parity (gelijkheid. svh) with us.

Het Amerikaanse 'nucleaire arsenaal' dient 'potentiële' mededingers af te schrikken om te pogen gelijkwaardig te worden aan de VS. Washington en Wall Street dulden geen gelijkheid, omdat zij dan gedwongen zijn tegenspraak te accepteren. En tegenspraak wordt gezien als een hindernis tijdens de jacht op steeds hogere winsten, het belangrijkste geloofsartikel van de neoliberale cultuur. De wereld, inclusief de Europese Unie van 'Geen Jorwert zonder Brussel,' dient de Amerikaanse politieke en economische elite klakkeloos te gehoorzamen. Als dit niet goedschiks gaat dan maar kwaadschiks, met als uiterste consequentie: de nucleaire holocaust. In de woorden van de Amerikaanse vice-president Joe Biden op 27 juli 2016 tijdens de Democratische Conventie: 'We are America, second to none.  And we own the finish line. Don't forget it,’  want 

We never bow. We never bend. We never break when confronted with crisis. No, we endure. We overcome. And we always always always move forward… The 21st century is going to be the American century because lead not only by our power but by the power of our example. That is the history of the journey of America. 

Met deze krankzinnige werkelijkheid moet iedere wereldbewoner dag in dag uit rekening houden. Het is 'Rationality without Reason,’ zoals de invloedrijke Amerikaanse socioloog C.Wright Mills al in de jaren vijftig wist. Dit rationalisme is in ultieme irrationaliteit ontspoort; de hegemonistische macht chanteert ons en zichzelf met de massale vernietiging. Mutual Assured Destruction, MAD. De dreiging met ultiem terrorisme. De macht drukt de loop van het geweer tegen het hoofd van iedere wereldbewoner. In een fractie van een seconde kan de menselijke tijd voorgoed gestopt worden. 'We live with the knowledge that we have the means to eradicate our own species,' schrijft Paul Shambroom in de proloog van zijn boek. 'Strategic weapons are weapons targeted at an opponent's nuclear weapons, command centers, or civilian populations,' laat hij weten, terwijl algemeen bekend is dat volgens het internationaal recht burgers absoluut nooit als doelwit mogen dienen. De westerse burger accepteert deze terreur, want

It's natural to want, to need NOT to believe that hardware for our extinction exists, is made of real nuts and bolts, and is kept at the ready by living, breathing, human beings.

De massamens is gedwongen in een verzonnen werkelijkheid te geloven om te voorkomen dat de waanzin het laatste restje zingeving vernietigt. De collectieve gekte is reëler geworden dan het gezond verstand. Intussen wordt de mensheid van alle kanten bedreigd. De Amerikaan Eugene Jarecki, regisseur van de 'Award-Winning Film Why We Fight' (2008) schreef in dit verband:

Traditional military threats have been in many ways overshadowed today by nontraditional ones: climate change, infectious diseases, overpopulation, resource scarcity, non state terror, and international economic disorder. These and other sources of international instability are of increasing concern on an ever more interconnected planet, requiring radical solutions and unprecedented levels of international coordination. Yet efforts at reform to date have been too confined by outmoded Cold War thinking.

Terrorisme op mega-schaal, maar geen woord daarover in Frank Westerman’s boek over ‘het terrorisme.’ Nu 'Wij zelf die bom [zijn]' en 'Zij het volmaakte westerse ''subject'' [is],' moet duidelijk zijn hoe absurd de opvatting van mainstream-opiniemakers als Westerman en Geert Mak's is. Laatst genoemde beweert dat 

De kracht van onze westerse samenleving onze democratie [is], onze variatie in ideeën, onze tolerantie, onze openheid tegenover andere culturen.

Mak's 'democratie' is al een halve eeuw geleden door het ontstaan van de National Security State ten onder gegaan. Talloze Amerikaanse intellectuelen hebben dit omstandig en gedocumenteerd aangetoond, onder wie Garry Wills. Maar in Geert Mak's vuistdikke bestseller Reizen zonder John (2012), waarin hij claimt 'op zoek’ te zijn ‘naar Amerika,’ realiseerde 'de chroniqueur van Europa' zich nog steeds niet dat de kernbom 'redefined' de Amerikaanse Grondwet, en dat de VS de afgelopen halve eeuw is getransformeerd in een 'society pervasively militarized,' een ontwikkeling waar niemand minder dan president Eisenhower in zijn afscheidsrede in 1961 nadrukkelijk voor waarschuwde. De VS heeft geen militair-industrieel complex, maar is er één. De gescheiden staatsmachten zijn daardoor niet meer gescheiden, alles staat er in het teken van het grootscheeps georganiseerd terroristisch geweld, hedendaags zowel als toekomstig, zoals ook de invloedrijke senator, ambassadeur en socioloog Daniel Patrick Moynihan stelde in zijn boek Secrecy: The American Experience (1998) waarin hij benadrukte dat na 1945 'American society in peacetime began to experience wartime regulation.' Het is de in de polder zo geprezen opiniemakers Mak en Westerman allemaal ontgaan, en hetzelfde geldt voor de rest van de zogeheten 'politiek-literaire elite' alhier. Zij allen herhalen leugens over democratie en mensenrechten en blijven propaganda maken voor een niet bestaand systeem. Nederland is in dit opzicht uniek. Bij gebrek aan een kritische intelligentsia is hier het corrupte poldermodel tot ultieme waarheid uitgeroepen. Daarentegen zien we in cultuurlanden dat grote denkers soms ook tot de mainstream-media weten door te dringen. Zo publiceerde de alles behalve radicale Huffington Post op 31 augustus 2014 een essay van de kritische Amerikaanse geleerde Noam Chomsky over de VS als National Security State, getiteld 'Whose Security? How Washington Protects Itself and the Corporate Sector.' The Huffington Post introduceerde hem bij het mainstream-publiek als volgt:

Noam Chomsky
Institute Professor emeritus, MIT Department of Linguistics and Philosophy; Author, 'Who Rules the World?'
Noam Chomsky is Institute Professor (retired) at MIT. He is the author of many books and articles on international affairs and social-political issues, and a long-time participant in activist movements. His latest book is Who Rules the World?


Wikipedia omschrijft hem ondermeer op deze manier:

In his youth, Chomsky developed a dislike of capitalism and the selfish pursuit of material advancement. At the same time he developed a disdain for the authoritarian attempts to establish a socialist society, as represented by the likes of the Leninism and Stalinism of the USSR. Chomsky believes that libertarian socialism should ‘properly be regarded as the inheritor of the liberal ideas of the Enlightenment,’ arguing that his ideological position revolves around ‘nourishing the libertarian and creative character of the human being.’ He has stated his opposition to ruling elites, among them institutions like the IMF, World Bank, and GATT.

Chomsky highlights that since the 1970s, the U.S. has become increasingly economically unequal as a result of the repeal of various financial regulations and the rescindment (herroeping.svh) of the Bretton Woods financial control agreements. He characterizes the U.S. as a de facto one-party state, viewing both the Republican Party and Democratic Party as manifestations of a single ‘Business Party’ controlled by corporate and financial interests. Chomsky highlights that within Western capitalist liberal democracies, at least 80% of the population has no control over economic decisions, which are instead in the hands of a management class and ultimately controlled by a small, wealthy elite.

Noting that this economic system is firmly entrenched and difficult to overthrow, he believes that change is possible through the organized co-operation of large numbers of people who understand the problem and know how they want to re-organize the economy in a more equitable way. Although acknowledging that corporate domination of media and government stifle any significant change to this system, he sees reason for optimism, citing the historical examples of the social rejection of slavery as immoral, the advances in women's rights, and the forcing of government to justify invasions to illustrate how change is possible. He views violent revolution to overthrow a government as a last resort to be avoided if possible, citing the example of historical revolutions where the population's welfare has worsened as a result of the upheaval.

Juist daarom is het ondenkbaar dat de visie van Chomsky, wiens boeken in vele talen zijn verschenen, uitgebreid en met zekere regelmaat in de Nederlandse mainstream-media verschijnt. Veel van de 'dissidente' informatie wordt hier ogenblikkelijk gemarginaliseerd dan wel domweg verzwegen. Het is ook niet verbazingwekkend dat Geert Mak in zijn Reizen zonder John de prominente Noam Chomsky 573 pagina's lang negeert, en dat Mak geen enkel boek van hem gelezen heeft. 'De middelmaat heeft de regel lief,' stelde Flaubert al in de negentiende eeuw vast, terwijl op zijn beurt de Amerikaanse auteur Wendell Berry in The Unsettling of America (1996) beschreef hoe het kleurloze midden het grote gevaar vormt, omdat het mentaal niet in staat is zich aan te passen aan een radicaal veranderende situatie. Sterker nog: ‘Like many another orthodoxy, it would rather die than change, and may change only by dying. This determination is enforced both from within and from without.’ Verandering is onmogelijk zolang de orthodoxie de macht heeft. Wendell Berry geeft het volgende voorbeeld:

The pattern of orthodoxy in religion, because it is well known, gives us a useful paradigm. The encrusted religious structure is not changed by its institutional dependents – they are part of the crust. It is changed by one who goes alone to the wilderness, where he fasts and prays, and returns with cleansed vision. In going alone, he goes independent of institutions, forswearing orthodoxy ('right opinion'). In going to the wilderness he goes to the margin, where he is surrounded by the possibilities – by no means all good – that orthodoxy has excluded. By fasting he disengages his thoughts from the immediate issues of livelihood; his willing hunger takes his mind off the payroll, so to speak. And by praying he acknowledges ignorance; the orthodox presume to know, whereas the marginal person is trying to find out. He returns to the community, not necessarily with new truth, but with a new vision of the truth; he sees it more whole than before.

Vandaar dat opiniemakers als Westerman en Mak, woordvoerder van het taaie midden, nooit een nieuwe visie kunnen bieden, daarvoor zijn ze teveel onderdeel van het verziekte systeem, hetgeen nog eens onderstreept wordt door de talloze prijzen waarmee de gevestigde orde de Makkianen overlaadt. Elke prijs is als het ware een brevet van eigen onvermogen. De enigen die daadwerkelijk een alternatieve zienswijze aandragen zijn de gemarginaliseerde critici. Zij slagen er wel in om de werkelijkheid in een bredere context te plaatsen, en analyseren de continuïteit aan van het westerse geweld, c.q. de Amerikaanse terreur. Omdat Noam Chomsky door de Nederlandse mainstream-media, van De Telegraaf tot De Groene Amsterdammer, wordt geboycot, heb ik hieronder een groot fragment van zijn uiteenzetting over het onderwerp: 'Wiens Veiligheid?’  overgenomen:

There is a 'received standard version,' common to academic scholarship, government pronouncements, and public discourse.  It holds that the prime commitment of governments is to ensure security, and that the primary concern of the U.S. and its allies since 1945 was the Russian threat.

There are a number of ways to evaluate the doctrine.  One obvious question to ask is: What happened when the Russian threat disappeared in 1989? Answer: everything continued much as before.

The U.S. immediately invaded Panama, killing probably thousands of people and installing a client regime. This was routine practice in U.S.-dominated domains -- but in this case not quite as routine. For the first time, a major foreign policy act was not justified by an alleged Russian threat. 

Instead, a series of fraudulent pretexts for the invasion were concocted that collapse instantly on examination. The media chimed in enthusiastically, lauding the magnificent achievement of defeating Panama, unconcerned that the pretexts were ludicrous, that the act itself was a radical violation of international law, and that it was bitterly condemned elsewhere, most harshly in Latin America. Also ignored was the U.S. veto of a unanimous Security Council resolution condemning crimes by U.S. troops during the invasion, with Britain alone abstaining. All routine. And all forgotten (which is also routine).

From El Salvador to the Russian Border

The administration of George H.W. Bush issued a new national security policy and defense budget in reaction to the collapse of the global enemy. It was pretty much the same as before, although with new pretexts. It was, it turned out, necessary to maintain a military establishment almost as great as the rest of the world combined and far more advanced in technological sophistication -- but not for defense against the now-nonexistent Soviet Union. Rather, the excuse now was the growing 'technological sophistication' of Third World powers. Disciplined intellectuals understood that it would have been improper to collapse in ridicule, so they maintained a proper silence.

The U.S., the new programs insisted, must maintain its 'defense industrial base.' The phrase is a euphemism, referring to high-tech industry generally, which relies heavily on extensive state intervention for research and development, often under Pentagon cover, in what economists continue to call the U.S. 'free-market economy.'

One of the most interesting provisions of the new plans had to do with the Middle East. There, it was declared, Washington must maintain intervention forces targeting a crucial region where the major problems 'could not have been laid at the Kremlin’s door.' Contrary to 50 years of deceit, it was quietly conceded that the main concern was not the Russians, but rather what is called 'radical nationalism,' meaning independent nationalism not under U.S. control.

All of this has evident bearing on the standard version, but it passed unnoticed -- or perhaps, therefore it passed unnoticed.

Other important events took place immediately after the fall of the Berlin Wall, ending the Cold War.  One was in El Salvador, the leading recipient of U.S. military aid -- apart from Israel-Egypt, a separate category -- and with one of the worst human rights records anywhere. That is a familiar and very close correlation. 

The Salvadoran high command ordered the Atlacatl Brigade to invade the Jesuit University and murder six leading Latin American intellectuals, all Jesuit priests, including the rector, Fr. Ignacio Ellacuría, and any witnesses, meaning their housekeeper and her daughter. The Brigade had just returned from advanced counterinsurgency training at the U.S. Army John F. Kennedy Special Warfare Center and School in Fort Bragg, North Carolina, and had already left a bloody trail of thousands of the usual victims in the course of the U.S.-run state terror campaign in El Salvador, one part of a broader terror and torture campaign throughout the region. All routine. Ignored and virtually forgotten in the United States and by its allies, again routine. But it tells us a lot about the factors that drive policy, if we care to look at the real world.

Another important event took place in Europe. Soviet president Mikhail Gorbachev agreed to allow the unification of Germany and its membership in NATO, a hostile military alliance.  In the light of recent history, this was a most astonishing concession.  There was a quid pro quo.  President Bush and Secretary of State James Baker agreed that NATO would not expand “one inch to the East,” meaning into East Germany.  Instantly, they expanded NATO to East Germany. 

Gorbachev was naturally outraged, but when he complained, he was instructed by Washington that this had only been a verbal promise, a gentleman’s agreement, hence without force. If he was naïve enough to accept the word of American leaders, it was his problem.

All of this, too, was routine, as was the silent acceptance and approval of the expansion of NATO in the U.S. and the West generally. President Bill Clinton then expanded NATO further, right up to Russia’s borders.  Today, the world faces a serious crisis that is in no small measure a result of these policies.

The Appeal of Plundering the Poor

Another source of evidence is the declassified historical record. It contains revealing accounts of the actual motives of state policy. The story is rich and complex, but a few persistent themes play a dominant role. One was articulated clearly at a western hemispheric conference called by the U.S. in Mexico in February 1945 where Washington imposed 'An Economic Charter of the Americas' designed to eliminate economic nationalism 'in all its forms.' There was one unspoken condition. Economic nationalism would be fine for the U.S. whose economy relies heavily on massive state intervention.

The elimination of economic nationalism for others stood in sharp conflict with the Latin American stand of that moment, which State Department officials described as 'the philosophy of the New Nationalism [that] embraces policies designed to bring about a broader distribution of wealth and to raise the standard of living of the masses.' As U.S. policy analysts added, 'Latin Americans are convinced that the first beneficiaries of the development of a country's resources should be the people of that country.'

That, of course, will not do. Washington understands that the 'first beneficiaries' should be U.S. investors, while Latin America fulfills its service function. It should not, as both the Truman and Eisenhower administrations would make clear, undergo 'excessive industrial development' that might infringe on U.S. interests. Thus Brazil could produce low-quality steel that U.S. corporations did not want to bother with, but it would be 'excessive,' were it to compete with U.S. firms.

Similar concerns resonate throughout the post-World War II period. The global system that was to be dominated by the U.S. was threatened by what internal documents call 'radical and nationalistic regimes' that respond to popular pressures for independent development.  That was the concern that motivated the overthrow of the parliamentary governments of Iran and Guatemala in 1953 and 1954, as well as numerous others. In the case of Iran, a major concern was the potential impact of Iranian independence on Egypt, then in turmoil over British colonial practice. In Guatemala, apart from the crime of the new democracy in empowering the peasant majority and infringing on possessions of the United Fruit Company -- already offensive enough -- Washington’s concern was labor unrest and popular mobilization in neighboring U.S.-backed dictatorships.

In both cases the consequences reach to the present. Literally not a day has passed since 1953 when the U.S. has not been torturing the people of Iran. Guatemala remains one of the world’s worst horror chambers. To this day, Mayans are fleeing from the effects of near-genocidal government military campaigns in the highlands backed by President Ronald Reagan and his top officials. As the country director of Oxfam, a Guatemalan doctor, reported recently,

'There is a dramatic deterioration of the political, social, and economic context. Attacks against Human Rights defenders have increased 300% during the last year.  There is a clear evidence of a very well organized strategy by the private sector and Army. Both have captured the government in order to keep the status quo and to impose the extraction economic model, pushing away dramatically indigenous peoples from their own land, due to the mining industry, African Palm and sugar cane plantations. In addition the social movement defending their land and rights has been criminalized, many leaders are in jail, and many others have been killed.'

Nothing is known about this in the United States and the very obvious cause of it remains suppressed.

In the 1950s, President Eisenhower and Secretary of State John Foster Dulles explained quite clearly the dilemma that the U.S. faced. They complained that the Communists had an unfair advantage. They were able to ‘appeal directly to the masses’ and 'get control of mass movements, something we have no capacity to duplicate. The poor people are the ones they appeal to and they have always wanted to plunder the rich.'

That causes problems. The U.S. somehow finds it difficult to appeal to the poor with its doctrine that the rich should plunder the poor.


The Cuban Example

A clear illustration of the general pattern was Cuba, when it finally gained independence in 1959.  Within months, military attacks on the island began. Shortly after, the Eisenhower administration made a secret decision to overthrow the government. John F. Kennedy then became president. He intended to devote more attention to Latin America and so, on taking office, he created a study group to develop policies headed by the historian Arthur Schlesinger, who summarized its conclusions for the incoming president.

As Schlesinger explained, threatening in an independent Cuba was 'the Castro idea of taking matters into one's own hands.' It was an idea that unfortunately appealed to the mass of the population in Latin America where 'the distribution of land and other forms of national wealth greatly favors the propertied classes, and the poor and underprivileged, stimulated by the example of the Cuban revolution, are now demanding opportunities for a decent living.' Again, Washington’s usual dilemma.

As the CIA explained, 'The extensive influence of "Castroism" is not a function of Cuban power... Castro’s shadow looms large because social and economic conditions throughout Latin America invite opposition to ruling authority and encourage agitation for radical change,' for which his Cuba provides a model.  Kennedy feared that Russian aid might make Cuba a 'showcase' for development, giving the Soviets the upper hand throughout Latin America.

The State Department Policy Planning Council warned that 'the primary danger we face in Castro is... in the impact the very existence of his regime has upon the leftist movement in many Latin American countries… The simple fact is that Castro represents a successful defiance of the U.S., a negation of our whole hemispheric policy of almost a century and a half' -- that is, since the Monroe Doctrine of 1823, when the U.S. declared its intention of dominating the hemisphere.

The immediate goal at the time was to conquer Cuba, but that could not be achieved because of the power of the British enemy. Still, that grand strategist John Quincy Adams, the intellectual father of the Monroe Doctrine and Manifest Destiny, informed his colleagues that over time Cuba would fall into our hands by 'the laws of political gravitation,' as an apple falls from the tree. In brief, U.S. power would increase and Britain’s would decline.

In 1898, Adams’s prognosis was realized. The U.S. invaded Cuba in the guise of liberating it. In fact, it prevented the island’s liberation from Spain and turned it into a 'virtual colony' to quote historians Ernest May and Philip Zelikow. Cuba remained so until January 1959, when it gained independence.  Since that time it has been subjected to major U.S. terrorist wars, primarily during the Kennedy years, and economic strangulation.  Not because of the Russians.

The pretense all along was that we were defending ourselves from the Russian threat -- an absurd explanation that generally went unchallenged. A simple test of the thesis is what happened when any conceivable Russian threat disappeared. U.S. policy toward Cuba became even harsher, spearheaded by liberal Democrats, including Bill Clinton, who outflanked Bush from the right in the 1992 election.  On the face of it, these events should have considerable bearing on the validity of the doctrinal framework for discussion of foreign policy and the factors that drive it. Once again, however, the impact was slight.


The Virus of Nationalism

To borrow Henry Kissinger’s terminology, independent nationalism is a 'virus' that might 'spread contagion.' Kissinger was referring to Salvador Allende’s Chile. The virus was the idea that there might be a parliamentary path towards some kind of socialist democracy.  The way to deal with such a threat is to destroy the virus and to inoculate those who might be infected, typically by imposing murderous national security states. That was achieved in the case of Chile, but it is important to recognize that the thinking holds worldwide. 

It was, for example, the reasoning behind the decision to oppose Vietnamese nationalism in the early 1950s and support France’s effort to reconquer its former colony. It was feared that independent Vietnamese nationalism might be a virus that would spread contagion to the surrounding regions, including resource-rich Indonesia. That might even have led Japan -- called the ‘superdomino’ by Asia scholar John Dower -- to become the industrial and commercial center of an independent new order of the kind imperial Japan had so recently fought to establish. That, in turn, would have meant that the U.S. had lost the Pacific war, not an option to be considered in 1950.  The remedy was clear -- and largely achieved. Vietnam was virtually destroyed and ringed by military dictatorships that kept the 'virus' from spreading contagion.

In retrospect, Kennedy-Johnson National Security Adviser McGeorge Bundy reflected that Washington should have ended the Vietnam War in 1965, when the Suharto dictatorship was installed in Indonesia, with enormous massacres that the CIA compared to the crimes of Hitler, Stalin, and Mao. These were, however, greeted with unconstrained euphoria in the U.S. and the West generally because the 'staggering bloodbath,' as the press cheerfully described it, ended any threat of contagion and opened Indonesia’s rich resources to western exploitation. After that, the war to destroy Vietnam was superfluous, as Bundy recognized in retrospect.

The same was true in Latin America in the same years: one virus after another was viciously attacked and either destroyed or weakened to the point of bare survival. From the early 1960s, a plague of repression was imposed on the continent that had no precedent in the violent history of the hemisphere, extending to Central America in the 1980s under Ronald Reagan, a matter that there should be no need to review.

Much the same was true in the Middle East. The unique U.S. relations with Israel were established in their current form in 1967, when Israel delivered a smashing blow to Egypt, the center of secular Arab nationalism. By doing so, it protected U.S. ally Saudi Arabia, then engaged in military conflict with Egypt in Yemen. Saudi Arabia, of course, is the most extreme radical fundamentalist Islamic state, and also a missionary state, expending huge sums to establish its Wahhabi-Salafi doctrines beyond its borders. It is worth remembering that the U.S., like England before it, has tended to support radical fundamentalist Islam in opposition to secular nationalism, which has usually been perceived as posing more of a threat of independence and contagion.

The Value of Secrecy

There is much more to say, but the historical record demonstrates very clearly that the standard doctrine has little merit. Security in the normal sense is not a prominent factor in policy formation.

To repeat, in the normal sense. But in evaluating the standard doctrine we have to ask what is actually meant by 'security': security for whom?

One answer is: security for state power.  There are many illustrations. Take a current one.  In May, the U.S. agreed to support a U.N. Security Council resolution calling on the International Criminal Court to investigate war crimes in Syria, but with a provison: there could be no inquiry into possible war crimes by Israel. Or by Washington, though it was really unnecessary to add that last condition. The U.S. is uniquely self-immunized from the international legal system. In fact, there is even congressional legislation authorizing the president to use armed force to 'rescue' any American brought to the Hague for trial -- the 'Netherlands Invasion Act,' as it is sometimes called in Europe. That once again illustrates the importance of protecting the security of state power.

But protecting it from whom? There is, in fact, a strong case to be made that a prime concern of government is the security of state power from the population. As those who have spent time rummaging through archives should be aware, government secrecy is rarely motivated by a genuine need for security, but it definitely does serve to keep the population in the dark. And for good reasons, which were lucidly explained by the prominent liberal scholar and government adviser Samuel Huntington, the professor of the science of government at Harvard University. In his words: 'The architects of power in the United States must create a force that can be felt but not seen. Power remains strong when it remains in the dark; exposed to the sunlight it begins to evaporate.'

He wrote that in 1981, when the Cold War was again heating up, and he explained further that 'you may have to sell [intervention or other military action] in such a way as to create the misimpression that it is the Soviet Union that you are fighting. That is what the United States has been doing ever since the Truman Doctrine.'

These simple truths are rarely acknowledged, but they provide insight into state power and policy, with reverberations to the present moment.

State power has to be protected from its domestic enemy; in sharp contrast, the population is not secure from state power. A striking current illustration is the radical attack on the Constitution by the Obama administration’s massive surveillance program. It is, of course, justified by ‘national security.’ That is routine for virtually all actions of all states and so carries little information. 

When the NSA’s surveillance program was exposed by Edward Snowden’s revelations, high officials claimed that it had prevented 54 terrorist acts. On inquiry, that was whittled down to a dozen.  A high-level government panel then discovered that there was actually only one case: someone had sent $8,500 to Somalia. That was the total yield of the huge assault on the Constitution and, of course, on others throughout the world.

Britain’s attitude is interesting.  In 2007, the British government called on Washington’s colossal spy agency 'to analyze and retain any British citizens’ mobile phone and fax numbers, emails, and IP addresses swept up by its dragnet,' the Guardian reported.  That is a useful indication of the relative significance, in government eyes, of the privacy of its own citizens and of Washington’s demands.

Another concern is security for private power. One current illustration is the huge trade agreements now being negotiated, the Trans-Pacific and Trans-Atlantic pacts. These are being negotiated in secret -- but not completely in secret. They are not secret from the hundreds of corporate lawyers who are drawing up the detailed provisions. It is not hard to guess what the results will be, and the few leaks about them suggest that the expectations are accurate. Like NAFTA and other such pacts, these are not free trade agreements. In fact, they are not even trade agreements, but primarily investor rights agreements.

Again, secrecy is critically important to protect the primary domestic constituency of the governments involved, the corporate sector.



The Final Century of Human Civilization?

There are other examples too numerous to mention, facts that are well-established and would be taught in elementary schools in free societies.

There is, in other words, ample evidence that securing state power from the domestic population and securing concentrated private power are driving forces in policy formation.  Of course, it is not quite that simple. There are interesting cases, some quite current, where these commitments conflict, but consider this a good first approximation and radically opposed to the received standard doctrine.

Let us turn to another question: What about the security of the population? It is easy to demonstrate that this is a marginal concern of policy planners. Take two prominent current examples, global warming and nuclear weapons. As any literate person is doubtless aware, these are dire threats to the security of the population. Turning to state policy, we find that it is committed to accelerating each of those threats -- in the interests of the primary concerns, protection of state power and of the concentrated private power that largely determines state policy.

Consider global warming. There is now much exuberance in the United States about '100 years of energy independence' as we become 'the Saudi Arabia of the next century' -- perhaps the final century of human civilization if current policies persist. 

That illustrates very clearly the nature of the concern for security, certainly not for the population. It also illustrates the moral calculus of contemporary Anglo-American state capitalism: the fate of our grandchildren counts as nothing when compared with the imperative of higher profits tomorrow.

These conclusions are fortified by a closer look at the propaganda system. There is a huge public relations campaign in the U.S., organized quite openly by Big Energy and the business world, to try to convince the public that global warming is either unreal or not a result of human activity. And it has had some impact. The U.S. ranks lower than other countries in public concern about global warming and the results are stratified: among Republicans, the party more fully dedicated to the interests of wealth and corporate power, it ranks far lower than the global norm.

The current issue of the premier journal of media criticism, the Columbia Journalism Review, has an interesting article on this subject, attributing this outcome to the media doctrine of 'fair and balanced.' In other words, if a journal publishes an opinion piece reflecting the conclusions of 97% of scientists, it must also run a counter-piece expressing the viewpoint of the energy corporations.

That indeed is what happens, but there certainly is no ‘fair and balanced’ doctrine. Thus, if a journal runs an opinion piece denouncing Russian President Vladimir Putin for the criminal act of taking over the Crimea, it surely does not have to run a piece pointing out that, while the act is indeed criminal, Russia has a far stronger case today than the U.S. did more than a century ago in taking over southeastern Cuba, including the country’s major port -- and rejecting the Cuban demand since independence to have it returned.  And the same is true of many other cases.  The actual media doctrine is 'fair and balanced' when the concerns of concentrated private power are involved, but surely not elsewhere.

On the issue of nuclear weapons, the record is similarly interesting -- and frightening. It reveals very clearly that, from the earliest days, the security of the population was a non-issue, and remains so. There is no time here to run through the shocking record, but there is little doubt that it strongly supports the lament of General Lee Butler, the last commander of the Strategic Air Command, which was armed with nuclear weapons.  In his words, we have so far survived the nuclear age 'by some combination of skill, luck, and divine intervention, and I suspect the latter in greatest proportion.' And we can hardly count on continued divine intervention as policymakers play roulette with the fate of the species in pursuit of the driving factors in policy formation.

As we are all surely aware, we now face the most ominous decisions in human history.  There are many problems that must be addressed, but two are overwhelming in their significance: environmental destruction and nuclear war. For the first time in history, we face the possibility of destroying the prospects for decent existence -- and not in the distant future.  For this reason alone, it is imperative to sweep away the ideological clouds and face honestly and realistically the question of how policy decisions are made, and what we can do to alter them before it is too late.

De feiten die Chomsky aandraagt, én de context waarin hij die feiten plaatst, zijn taboe voor de Nederlandse mainstream-media, ten dele omdat dissidente informatie, zoals het werk van Geert Mak en Frank Westerman zo treffend bewijzen, domweg niet past in de hoopvolle en commercieel goed verkopende consensus dat bijvoorbeeld de VS na 1945 'decennialang als ordebewaker en politieagent' van de wereld 'fungeerde.' Liever een geruststellende mythe verkopen die een lucratieve bestseller oplevert, dan de werkelijkheid vertellen waardoor status en rijkdom als sneeuw voor de zon verdwijnen. Liever nu bekend en geprezen dan na je dood te worden geridiculiseerd voor zoveel doortraptheid en onnozelheid. En aldus keer ik onverhoopt terug bij de opmerking van Frank Westerman, waarmee ik deze aflevering begon: ‘Schrijven komt aan op weglaten; het is schiften en zeven.’In deze tijd schift en zeeft de postmoderne mens elke dag weer zijn eigen werkelijkheid bij elkaar, aangezien, zo vindt Westerman, ‘Of iets “waar gebeurd” is of aan de fantasie van de schrijver ontsproten, is ongeschikt als indelings- of beoordelingscriterium. Daarom weg met fictie en non-fictie. De grenzen tussen journalistiek, geschiedschrijving en literatuur vervagen,’  waardoor ‘Het meest gangbare indelingscriterium zijn langste tijd [heeft] gehad: het muurtje tussen fictie (zoals romans en verhalen) en non-fictie (zoals studies en reisverslagen) brokkelt af. En dat is maar goed ook. Als onderscheidingskenmerk is het namelijk oninteressant en op den duur onhoudbaar.’ Het resultaat van dit geloof is zijn recent verschenen Een Woord. Een Woord, waarin de ‘major U.S. Terrorist wars,’ eruit zijn geschift en gezeefd. Waarom? Uitgaande van zijn eigen betoog, kennelijk omdat er geen ‘indelings- of beoordelingscriterium’ meer bestaat, behalve dan het gluiperige ‘indelings- of beoordelingscriterium’ van de mainstream, dat verordonneert dat het Amerikaans of Israelisch ‘terrorisme’ geen ‘terrorisme’ is. Waarom niet? Wel, omdat de werkelijkheid niet goed verkoopt, en uiteindelijk gaat het ook Westerman om de oplagecijfers, de roem, het geprezen worden, de pecunia. En dus voegde hij zich ‘op de avond na het bloedbad op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo,’ in gezelschap van 

zijn 12-jarige dochter Vera bij een groep mensen op de Dam om te protesteren tegen de aanslag op het vrije woord. Twaalf doden waren er die dag in Parijs gevallen. Er werden kaarsen gebrand en toespraken gehouden. ‘Ik dacht: Ik hou een pen omhoog,’ en wel ‘Als gebaar vanuit het idee dat de pen machtiger is dan het zwaard en de pen uiteindelijk overwint. Dat wilde ik uitstralen. Iets hoopvols, ook vanwege mijn dochter.’

Maar dat zijn dochter eerder het slachtoffer zal worden van de klimaatverandering dan van een terroristische aanslag omdat ‘the fate of our grandchildren counts as nothing when compared with the imperative of higher profits tomorrow,’  weerhoudt vader Frank er niet van om ook deze massale neoliberale terreur ‘weg’ te ‘laten,’ weg ‘te ziften en te zeven.’  Immers, ‘Of iets “waar gebeurd” is of aan de fantasie van de schrijver ontsproten,’ is onbelangrijk geworden. Hetzelfde geldt voor de ‘enormous massacres that the CIA’ in Indonesië organiseerde en die te vergelijken zijn met ‘the crimes of Hitler, Stalin, and Mao,’ ook die terreur is uit Westerman’s boek gezeefd, want pa Westerman moet er rekening mee houden met het adagium dat 'Power remains strong when it remains in the dark; exposed to the sunlight it begins to evaporate.’ En wat betreft een mogelijke nucleaire genocide, ook dat behoort volgens de vader die zijn pen opstak om zijn dochter ‘iets hoopvols’ te geven, niet tot de categorie: dreiging met massale terreur. En zo fröbelt de postmoderne burger zijn 'literaire' werkelijkheid bijeen. Meer hierover de volgende keer. 




3 opmerkingen:

  1. Het lange Citaat van Wendell Berry "The pattern of orthodoxy..." is aandoenlijk
    en zeer aansprekend (even het woord 'prayer' in een wat overgankelijke betekenis lezend).

    BeantwoordenVerwijderen
  2. ''‘Of iets “waar gebeurd” is of aan de fantasie van de schrijver ontsproten, is ongeschikt als indelings- of beoordelingscriterium. Daarom weg met fictie en non-fictie. De grenzen tussen journalistiek, geschiedschrijving en literatuur vervagen,’ waardoor ‘Het meest gangbare indelingscriterium zijn langste tijd [heeft] gehad: het muurtje tussen fictie (zoals romans en verhalen) en non-fictie (zoals studies en reisverslagen) brokkelt af. En dat is maar goed ook. Als onderscheidingskenmerk is het namelijk oninteressant en op den duur onhoudbaar.’ ''

    Aldus Frank en Vrije Westerman.
    Met deze baarlijke nonsens poogt een hoop stront die niet beter weet zich op te tuigen tot notentaart.

    Je raakt een punt waar je Makkie en Frankie in verband brengt met polderland. Het zijn
    beide dominees. Positivoos. Zendelingen. Maar dan vooral zendeling voor number one
    al die onzin is in eerste instantie bedoeld om lachend naar de bank te lopen. Waarheid-
    entertainers, d.w.z. leugen-entertainers.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. "Maar dat zijn dochter eerder het slachtoffer zal worden van de klimaatverandering dan van een terroristische aanslag"

    Een knock-out argument.

    Ik zou er iets meer de nadruk op hebben gelegd dat het bijna zeker is
    dat zijn dochter slachtoffer zal worden van de klimaatverandering, maar wat
    je schrijft is zonder meer een geniale one-two punch.

    BeantwoordenVerwijderen