• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

zondag 7 januari 2018

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 38

‘For about three hundred years, since the Glorious Revolution,’ zo stelt Ian Buruma in zijn boek Anglomania. A European Love Affair (1998), bezat Groot Brittannië een ‘remarkable combination of civility and freedom.’ Deze bewering wordt op Burumaanse wijze ogenblikkelijk in de volgende zin teniet gedaan door de opmerking dat het land ‘was also a society of great social and economic inequality, cruel penal codes, cultural philistinism, barbarous mobs, and insular attitudes to the outside world.’ Kan een gemeenschap een ‘opmerkelijke combinatie van beschaafdheid en vrijheid’ bezitten en tegelijkertijd ‘een samenleving’ zijn met ‘grote sociale en economische ongelijkheid,’ en met een ‘wrede strafrechtspleging’? Volgens de ‘stedelijke elites,’ waarvan Buruma de opiniemaker is, kan dit wel degelijk, zo valt uit hun meningen op te maken. Daarentegen zijn er — buiten de mainstream om — genoeg burgers met een dissidente opvatting, en die ‘civility and freedom’ onverenigbaar achten met ‘inequality’ en ‘cruel penal codes.’  Het is van belang dit niet te vergeten aangezien Buruma in één adem tevens verwijst naar ‘cultural philistinism’ en ‘barbarous mobs.’ Ter verduidelijking: ‘philistinism’ is de denigrerende term voor ‘the social attitude of anti-intellectualism that undervalues and despises art, beauty, spirituality, and intellect.’ Wat op het eerste gezicht een duidelijke beschuldiging lijkt, blijkt bij nader inzien buitengewoon verwarrend te zijn. Wat is namelijk het geval? Buruma’s ‘stedelijke elites,’ die hij in bescherming neemt tegen de kritiek van ‘populisten’ en hun aanhang, zijn dezelfde ‘elites’ die sinds eind jaren zeventig van de vorige eeuw hebben geprofiteerd van het neoliberalisme met zijn ‘grote sociale en economische ongelijkheid,’  zonder dat zij zich massaal politiek of cultureel hebben verzet tegen het neoliberale ‘anti-intellectualism that undervalues and despises art, beauty, spirituality, and intellect.’ Sterker nog: onder zowel president Clinton, Bush junior als Barack Obama is de kloof tussen arm en rijk toegenomen, en is de macht van het militair-industrieel complex almaar toegenomen. Armoede en oorlog zijn het tegenovergestelde van ‘kunst, schoonheid, spiritualiteit, en intellect.’ Beide fenomenen zijn de grofste vormen van het ‘anti-intellectualisme’ dat Buruma als wapen gebruikt om de ‘barbarous mobs’ te kunnen beschuldigen van ‘culturele platvloersheid.’ Dat dit ‘cultural philistinism’ sinds de opkomst van de huidige kapitalistische klassenmaatschappij bewust is gekweekt en in stand is gehouden, verzwijgt Buruma, die in al zijn snobisme suggereert dat de economische en financiële elite en haar opiniemakers werkelijk geïnteresseerd zijn in ‘art, beauty, spirituality, and intellect,’ terwijl zij even grote cultuurbarbaren zijn zodra hun belangen in het gedrang lijken te komen. Eén blik op het gebombardeerde Afghanistan, Irak, Libië, en Syrië, is voldoende voor elke onafhankelijke waarnemer om te beseffen hoe weinig beschaving de westerse elites bezitten. Niet voor niets merkte de Amerikaanse auteur Orson Welles eens op dat

Everything about me is a contradiction, and so is everything about everybody else. We are made out of oppositions; we live between two poles. There's a philistine and an aesthete in all of us, and a murderer and a saint. You don't reconcile the poles. You just recognize them.

Maar dit besef moet verzwegen blijven in het simplistisch manicheïsme van de Buruma’s, waarin ‘kunst, schoonheid, spiritualiteit, en intellect,’ dienen te verhullen hoe ‘barbaars’ hun eigen moordzuchtige aandriften zijn, en natuurlijk die van hun opdrachtgevers. Zij weigeren verantwoordelijkheid te nemen voor de ‘barbaarse’ consequenties van hun woorden, terwijl er toch geen wezenlijke verschil bestaat tussen de beul en de degenen die de beul betalen om zijn opdracht te vervullen. In hun mens- en  wereldbeeld blijft de dood van de Ander betekenisloos. Wanneer Buruma zonder enige terughoudendheid stelt dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ dan blijft bijvoorbeeld Frank Rudolph Olson ‘an American bacteriologist, biological warfare scientist, and Central Intelligence Agency (CIA) employee who worked at Camp Detrick (now Fort Detrick) in Maryland,’ onzichtbaar. En dat terwijl toch zijn gewelddadige dood, negen dagen nadat ‘his CIA supervisor’ enkele druppels LSD in zijn glas had gedaan en Olson ‘plunged to his death from the window of a 10th-story New York City hotel room,’ zo’n genadeloos beeld geeft van al het ‘goedaardige’ dat ‘Washington’ in petto heeft voor de eigen burgers. Zijn zoon Eric Olson maakt in Errol Morris’ filmdocumentaire Wormwood — ‘released on Netflix on December 15, 2017’ plausibel dat zijn vader door de CIA in 1953 is vermoord, en hoe hij daardoor als oudste zoon ook zijn eigen leven verloor:

Because the value of the lost one is infinite, the sacrifice becomes infinite. You now decided you are going to pursue that which is infinitely valuable (zijn vader. svh) with a total commitment. You are gone! You thínk that finding the answer to this will restore the path of your own life, but how can you do that when you have lost yourself along the way. You think you are going to get a judicial decision? You think somebody eventually is going to pay the bill for all this? You think you are going to find peace of mind? What is that going to consist of? You are going to find out that your father was murdered by the CIA. Feel better now? You feel better now? Is that better than not knowing? Is it? Wormwood. It is all bitter.

Met deze laatste woorden verwijst de zoon van een door de Amerikaanse staat vermoorde bacterioloog, die niet meer wilde deelnemen aan de smeerlapperij van Washington in — in dit geval — in Noord Korea, naar ‘an allusion to a Bible verse about a star that makes everything bitter, an allusion to biological weapons, and the effect of Eric Olson’s search for a resolution regarding the death of his father for 60 years.’ Hoe kon Buruma, die door hetzelfde misdadige establishment wordt geprezen als een ‘kosmopolitan liberal' zijn zelfrespect bewaren nadat hij zijn publiek had verzekerd dat het collectief in de toekomst zal terugverlangen naar het ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington’? Hoe kan hij als ‘Professor of Democracy, Human Rights, and Journalism’ nog in zijn eigen waardigheid geloven wanneer hij voor een handvol zilverlingen en enkele schouderklopjes van de macht zijn eigen waardigheid heeft verkocht? Hoe werken de hersenen en het gevoel van een klassieke opportunist? Ik vrees dat Ian Buruma’s mentaliteit even gedetermineerd is als de eerste de beste 'opportunist.'

Eric Olson vraagt zich op zijn oude dag af of de waarheid kennen beter is dan die niet te kennen, en concludeert ten slotte dat ‘it is all bitter.’ Het grote verschil tussen Buruma en Olson is dat laatst genoemde zijn leven lang naar de waarheid heeft gezocht, en Buruma naar erkenning. Olson heeft zijn waardigheid weten te behouden, ondanks alle bitterheid. Daarentegen heeft Buruma zich nooit laten leiden door een gevoel van waardigheid. In beide gevallen is sprake van ‘wormwood,’ want ook mijn oude vriend zal wanneer hij gedwongen wordt de balans op te maken niet aan het besef kunnen ontkomen dat zijn collaboratie het gevoel van ‘bitterheid’ nalaat. Per slot van rekening: ‘ars longa, vita brevis,’ alleen ‘art, beauty, spirituality, and intellect,’ overleven de waan van de dag. Buruma zal niet aan de vraag kunnen ontkomen wat ‘spiritually’ aanvaardbaar is om ondanks het grootscheepse Amerikaanse geweld ervan uit te gaan dat er sprake blijft van een ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme’? Immers, ‘we’ weten inmiddels dat dit ‘imperialisme’ miljoenen mensenlevens heeft gekost. Zelfs al zal het veroorzaken van bloedbaden niet de intentie zijn geweest, dan nog is dit geen excuus, aangezien de elite in Washington ‘collateral damage’ domweg niet belangrijk genoeg acht om in haar besluitvorming een doorslaggevende rol te laten spelen. Met andere woorden: bloedbaden zijn en blijven hooguit slechts ‘bijkomende schade’ in het gewelddadige beleid van de gevestigde orde, die claimt ‘art, beauty, spirituality, and intellect’ van ultiem belang te beschouwen voor ‘onze westerse beschaving,’ en derhalve zo’n afkeer zegt te hebben tegen ‘the social attitude of anti-intellectualism.’ Het eufemisme ‘collateral damage’ is  een leugen om enerzijds een zo omvangrijk mogelijk media-publiek te behagen en om anderzijds de status quo van de elite te handhaven. ‘Hoe waar informatie ook is, ze heeft geen waarde als ze niet aantrekkelijk is en de door het rijke aanbod verwende afnemers niet aanspreekt,’ zo zet de wereldberoemde Poolse journalist en auteur Ryszard Kapuściński uiteen in zijn boek Lapidarium. Observaties van een wereldreiziger 1980-2000, want 

[s]inds de ontdekking dat informatie een waar is die torenhoge winsten oplevert, is deze niet meer aan de traditionele criteria van waarheid en leugen onderworpen, maar is ze geleidelijk aan volkomen andere wetten ondergeschikt gemaakt, namelijk die van de markt, met hun streven naar steeds hogere inkomsten en naar een monopolie. 

Het begrip ‘anti-intellectualisme’ is de kern van het mediabedrijf. Zowel de geschreven pers als haar audiovisuele collega’s demonstreren dit elke dag opnieuw. Op die manier zijn beiden ‘een nieuwe, alternatieve bron van de geschiedenis geworden.’ Maar omdat er steeds minder kranten en tijdschriften worden verkocht, is vooral de virtuele werkelijkheid van de televisie de duider van de ‘waarheid’ geworden. Terwijl de consumenten ‘zelden toegang hebben tot authentieke en competente bronnen, bijvoorbeeld geschreven documenten, rest’ hen ‘slechts één versie, die vaak misleidend en willekeurig is: die welke de televisie’ het publiek ‘rechtstreeks brengt. Dat is de basis van het probleem,’ aldus Kapuściński, wiens beschrijving geen enkele serieuze journalist zal bestrijden. Het gevolg is dat aangezien 

de aanwezigheid van de media steeds opdringeriger is en er niet zoveel boeken bij komen die van de bronnen uitgaan, worden we ontvangers van die fictieve versie, niet van authentieke geschiedenis. Na verloop van tijd zal de gemiddelde kijker alleen de fictieve geschiedenis kennen,

een gevaarlijke ontwikkeling, nu ook de geschreven pers steeds meer terugvalt op een propagandistische afschildering van de werkelijkheid, zoals ik heb proberen aan te tonen aan de hand van Ian Buruma’s columns voor de commerciële mainstream-media. Onder andere Kapuściński waarschuwt ervoor dat de ‘media een nieuwe dramaturgie’ hebben geïntroduceerd, namelijk een ‘dramaturgie’ 

zonder laatste bedrijf, zonder finale. We zien op de televisie, horen op de radio of lezen in de krant dat er iets is gebeurd. We zien de gebeurtenis, zien de mensen, opschudding, horen de uitleg. En opeens, de volgende dag, een paar dagen later, verdwijnt alles voorgoed uit onze ogen, voor altijd. We weten niet wat er verder met die mensen, met die zaak is gebeurd. En we zullen het zeer zeker nooit weten: de gebeurtenis waarover we werden geïnformeerd, heeft geen toekomst (en doorgaans had ze evenmin een verleden).

Zo is de mens verloren geraakt in de dictatuur van het eeuwige nu, waardoor het individu permanent achter zichzelf aanrent, altijd onderweg is, maar nooit ergens arriveert, tot hij zich uitgeput afvraagt waar zijn ‘roots’ liggen, en net als de Franse president Nikolas Sarkozy in 2011, de schuld voor de vervreemding niet zoekt in de eigen hoogtechnologische consumptiecultuur, maar in ‘de buitenlanders’ die ‘ons’ het gevoel geven dat ‘wij’ nergens meer ‘thuis zijn,’ aangezien de ‘truth’ zou zijn ‘that in all our democracies we have been too preoccupied with the identity of those who arrived and not enough with the identity of the country that welcomed them.’ Dit waanbeeld is wijd verspreid geraakt onder zowel academici en zogeheten linkse en rechtse politici als onder de mainstream-media. Maar zoals Kapuściński terecht opmerkte, zijn de oorzaken van de culturele crisis veel gecompliceerder. In Lapidarium schreef hij:

De beschavingen van de bijbel, talmoed, koran: er bestond één boek, één tekst, die voor allen een oriëntatiepunt was, een wegwijzer, baken.

In de huidige beschaving van de vermenigvuldiging, van de oneindigheid in alle richtingen (Dyson), bestaat dat ene baken niet meer, er zijn er honderd en ze lokken ons allemaal, ze misleiden en desoriënteren ons. We zijn als de bemanning van een schip waarvan een storm de navigatiemiddelen heeft vernield, en nu zwalken we op zee zonder te weten welke koers we moeten kiezen. 

Vandaar de onstuitbare kakofonie van stemmen die via de media over het grote publiek wordt uitgestort. Vandaar het simplisme van mainstream opiniemakers als Ian Buruma. Temidden van al deze herrie ‘blijft,’ aldus Kapuściński, het ‘belangrijkste’ aspect evenwel het ‘redden’ van ‘de mens,’ met 

heel zijn potentiële innerlijke rijkdom, hem zijn energie laten ontwikkelen in de richting van het goede, van het begrijpen van anderen en de menselijkheid.

De moeilijkheid is: overgaan van het lokale, tribale perspectief naar het globale, planetaire, dus van het perspectief waaraan we eeuwen gewend waren naar het perspectief dat de toekomst van ons verwacht. 

Op dit punt aangekomen zal duidelijk zijn dat Buruma’s bewering dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ een mening verraadt, waarin ‘het lokale, tribale perspectief’ centraal staat en niet ‘het perspectief dat de toekomst van ons verwacht.’ Kortom, opmerkelijk is dat Buruma ‘populist agitators,’ herhaaldelijk ‘anti-cosmopolitanism’ verwijt, terwijl hij zelf aan deze kwaal lijdt. ‘Kosmopolitisme’ gaat immers uit ‘van verbondenheid met de mensheid in het algemeen,’ en beperkt zich dus niet tot het vermeend ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme uit Washington.’ Bovendien is kosmopolitisme zich ervan bewust ‘dat culturen aan verandering onderhevig zijn en elkaar beïnvloeden,’ en dat culturen een bepaalde levensduur kennen en dat de val van één cultuur ruimte creëert voor de opkomst van een andere cultuur. Maar niets wijst erop dat de westerse mainstream-pers het westerse machtsverlies als een natuurlijk gegeven beschouwt. Integendeel zelfs, Buruma orakelt nu al dat de mensheid ‘met weemoed’ zal ‘terugkijken’ op het Amerikaans ‘imperialisme.’ Ziehier het ‘lokale, tribale perspectief’ van de merendeels witte, westerse ‘elite.’ Daarentegen demonstreert een ‘kosmopolitisch’ mens- en wereldbeeld juist een ‘multicultureel’ perspectief, waarbij Wall Street niet Main Street blijft domineren. Maar het narcisme van de elite is onverzadigbaar. Een voorbeeld: president Obama, als held van de 'liberals, gebruikte in één speech 117 keer de woorden ‘Ik’ en ‘Mij,’ en ‘American writers are using I and me 42 percent more than they did in 1960,’ zoals de Amerikaanse ‘cultural journalist’ Kristin Dombek schreef in haar boek The Selfishness of Others (2016) over het schrikbarend toenemende narcisme in de huidige consumptie cultuur.  

They’re among us, but they are not like us. They manipulate, lie, and cheat. They may be irresistibly charming and accomplished. But narcissists are empty. No one knows exactly what everyone else is full of — some kind of a soul, or personhood — but whatever it is, narcissists do not have it. Or maybe they’re too full of themselves; experts disagree. But one thing is for sure: they don’t have empathy. And we do.

Donald Trump kan zonder enige overdrijving een narcist genoemd worden, maar hetzelfde gaat op voor Barack Obama. Hun gebrek aan empathie  en hun behoefte aan bewondering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het belangrijkste bewijs daarvan  is het feit dat beide mannen akkoord zijn gegaan met The Atomic Energy Act uit 1946 dat ‘a system’ legitimeert ‘that made atomic weapons a separate part of the nation’s arsenal, with the President of the United States the sole authority over their use.’ Deze wapens worden inzetbaar  gehouden ‘for such use as he deems necessary in the interest of national defense.’ In geval van een crisis kan de Amerikaanse president beslissen over ‘the fate of the world,’ met ‘no constitutional check on his actions,’ aldus Garry Wills in zijn boek Bomb Power (2010). Het feit dat een gewone sterveling bereid is — als het moment gekomen is — de wereldbevolking uit te roeien, getuigt van enerzijds een krankzinnig narcisme en anderzijds een totaal gebrek aan empathie. Het hoeft geen betoog dat mensen die vrijwillig deze taak op zich nemen, sociopaten zijn, mensen die, zo is bekend, ‘doorgaans erg charmant en charismatisch’ zijn en van wie de ‘persoonlijkheid als magnetisch omschreven [kan] worden en daarom een hoop aandacht en complimenten van anderen’ krijgen. Dat Obama bovendien akkoord ging met de vernieuwing van het totale Amerikaanse nucleaire wapenarsenaal, onderstreept nog eens hoe gestoord zijn persoonlijkheid is. De veronderstelling dat de mensheid in de toekomst naar deze terreur zal terugverlangen is een ander symptoom van een waanbeeld dat in kringen van de elite en haar woordvoerders heeft postgevat. Zij leven in het virtuele rijk van de illusies. Hierover schreef Walter LaFeber, ‘one of the United States' most distinguished historians, a leader of the historical revisionism school of the history of U.S. foreign policy,' in het essay ‘Illusions of an American Century’:

‘The American Century,’ Henry Luce’s essay of February 17, 1941, in ‘Life’ magazine, provided many policy makers and observers a rather spectacular title for the new age that, American confidently believed, would dawn with the end of World War II. In its believers’ minds, the American Century promised to offer the best of the worlds of both God and Mammon: beneficent in its actions and profitable in its results. It did not work out that way, but this particular dream never died. President Barack Obama exemplified the persistence of such a belief when he declared in September 2010, ‘There’s no reason the 21st century is not going to be the American Century just like the 20th century was.’ Yet as the president spoke, articles and books bearing such titles as ‘The End of the American Century’ were making their appearance. With the post-2001 involvements in Iraq and Afghanistan having helped drag U.S. foreign relations and the nation’s economy to their lowest levels since Luce published his famous essay, the American Century seemed to be  slinking to an early end, even as the president insisted otherwise.

De naïeve gedachte van de mainstream-pers dat Obama’s leuze ‘change we can believe in’ daadwerkelijk in de praktijk zou worden gebracht, was het onvermijdelijke resultaat van het geloof in de eigen propaganda over een niet meer bestaande ‘democratie.’ LaFeber zet bovendien uiteen dat:

the real problem was not that the American Century had reached a premature end — it was, contrary to Obama’s pronouncement, that it had never begun. It had never existed except as an illusion, but an illusion to which Americans, in their repeated willingness to ignore history, fell prey. Out of that illusion had come the conclusion that the United States possessed such immense power that it might even gloriously ‘end history,’ in the widely noted, and perhaps uniquely American, phrase coined by Francis Fukuyama to interpret the final triumph of the United States over the collapsing Soviet Empire in 1989.   

That Luce’s idea of an ‘American Century’ enjoyed such a long life is evidence of how Americans myopically (kortzichtige. svh) view their history and place in the world. His essay drew from, and embroidered, a fictionalized account of the nation’s past as he attempted to persuade an inward-looking people to embrace global leadership. 

De wetenschapper LaFeber, die — in tegenstelling tot Buruma — aan een ivy-league universiteit verbonden is, benadrukte dat 

The American Century idea was a facade that effectively camouflaged what lay beneath it and thus misled those who accepted Luce’s vision. 

Reinhold Niebuhr, the most distinguished theologian and influential political philosopher of the mid-twentieth century, had a darker, more realistic view of human nature and, thus, American possibilities. It was a view, Niebuhr liked to point out, that he shared with James Madison, the most important participant in the writing of the U.S. Constitution. Niebuhr stated flatly that Luce was a classic example of the human propensity (neiging. svh) for sinfulness: overly proud, hopelessly blind to his own limitations, and lacking historical perspective. The theologian’s judgement was severe. ‘Mr. Luce is to be distrusted,’ Niebuhr concluded, for he ‘revels in the new white man’s burden. He does not show the slightest indications that our salvation can be worked out only in fear and trembling.’ Niebuhr differed fundamentally from Luce not over the question of whether to join in the war to defeat Fascism. Instead, Luce’s vision of a postwar world bitterly divided the two men. Niebuhr expected, in the words of his biographer, that the United States would be ‘menaced as much by its own pretensions to virtue as it was by world disorder.’ Niebuhr deeply feared, and condemned, such ‘pretensions to virtue,’ particularly when it was the world’s dominant military power that paraded them.’

Uitgaande van de bewonderende woorden van de door de polderpers geprezen mainstream-opiniemakers als Ian Buruma en Geert Mak voor de Amerikaanse ‘democratie’ kan niet anders dan geconstateerd worden dat beide mannen nog steeds ‘overly proud’ en ‘hopelessly blind’ zijn voor de werkelijkheid en dat het hen aan een ‘historical perspective’ ontbreekt. Beiden ‘zwelgen’ inderdaad ‘in the new white man’s burden,’ en tonen eveneens niet ‘the slightest indications that our salvation can be worked out only in fear and trembling.’ Dit verklaart tevens hun anti-Rusland propaganda, waarbij Buruma bijvoorbeeld stelt dat ‘[p]roperty, construction, and land are the common currencies of power in mafia societies — in China and Russia no less than in Sicily,’ en zijn mainstream-collega Geert Mak in zijn verramsjte boek In America. Travels with JOHN STEINBECK (2014) panisch waarschuwt dat Russia is on the move again. After the collapse of the Soviet Empire it wants to start history once more, and how!’ Dat mag natuurlijk niet, alleen ‘wij’ mogen ‘geschiedenis’ maken, aldus Mak’s impliciete boodschap. Verontwaardigd beweert hij dat ‘Russians have a sense that the Western world, including Western values and Western ways of thinking, are no longer paramount.’ Daarbij verwijst mijn oude vriend Geert naar dezelfde ‘westerse waarden en westerse manieren van denken,’ waarvoor Niebuhr met klem had gewaarschuwd, omdat ‘our salvation can be worked out only in fear and trembling.’ Het zijn juist deze ‘Western values and Western ways of thinking,’ die sinds 1945 ontelbare miljoenen wereldbewoners tot slachtoffer hebben gemaakt. Het is absoluut waar dat ‘[p]roperty, construction, and land are the common currencies of power in mafia societies,’ maar dit geldt eveneens voor de elite in Washington, die elk jaar weer honderden miljarden besteedt aan het militair-industrieel complex om haar belangen overal ter wereld te laten beschermen en uit te breiden. Dat de ‘vrije pers’ dit feit voortdurend verzwijgt, maakt het niet minder waar. Als Atlantici mogen Buruma en Mak dan wel van oordeel zijn dat, in de woorden van laatst genoemde, 

in large parts of the world the United States is still the ‘world’s indispensable nation’ as Madeleine Albright once put it, the ‘anchor,’ the ‘default power,’

maar dit roept meteen de vraag op voor wie de VS een ‘onmisbare natie’ is? In elk geval niet voor de overgrote meerderheid van de wereldbewoners, die, zoals elk serieus onderzoek aantoont, sinds 1980 de toegenomen rijkdom zag verdwijnen naar de 1 procent schatrijken. Daarnaast zouden Buruma en Mak zich dienen af te vragen hoe ‘onmisbaar’ hun ‘indispensable nation’ is gezien het feit dat volgens  de ‘UN Rapporteur on Extreme Poverty’ in de VS zelf ‘the American Dream is rapidly becoming the American Illusion.’ Maandag 25 december 2017 berichtte de Amerikaanse website Common Dreams, onder de kop ‘Poverty Is Both a Political and a Moral Choice Made By the Powerful’:

His report (opgesteld door professor Philip Alston, the UN Special Rapporteur on Extreme Poverty and Human Rights. svh), published in mid-December by the Office of the UN’s High Commissioner of Human Rights, pulls the curtains on the illusions this country cherishes about itself and reveals the startling truth about where we stand and where we are headed.

Wherever he went Alston met people living at the edge of survival: homeless people on Skid Row in Los Angeles; unemployed workers forced into unpayable debt; families and communities devastated by the scourge of drug addiction; people who lost all their teeth because they did not have access to dental care. In the American South he saw yards filled with sewage because state governments don’t consider it their obligation to provide sanitation. Native American tribes told him about their degrading poverty, cultural debasement, and shocking suicide rates. In Puerto Rico, decimated by Hurricane Maria, he met people living next to a mountain of coal ash, which brings them illness, disability, and death.

Numerous studies have shown that along with its wealth and technological achievements, the U.S. also stands out by its extreme levels of economic inequality. Some 40 million people — 12.7% of the population — live in poverty; almost half of these, 18 million, in deep poverty, with family incomes below half the poverty line. Infant mortality rates in the U.S. have been among the highest in the developed world. Americans live shorter and sicker lives than people in other affluent democracies. On scales measuring poverty, social safety provisions, wealth inequality, and economic mobility, the U.S. comes last among the ten most well-off countries and eighteenth among the top 21. Yet lack of financial clout is not the problem, for the U.S. spends more on national defense than the next seven countries combined, has the highest expenditures on healthcare, and the highest rate of incarceration.

Alston points out that poverty has become so widespread in the U.S. because successive administrations have refused to recognize that economic and social rights are full-fledged human rights. International law affirms that everyone has the right to an adequate standard of living, including health care, food, work, and social protection in times of need. While these rights are often trampled upon by more repressive regimes, among the economically developed democracies the U.S. is virtually alone in callously disregarding them. It stands out in the extent to which it allows its citizens to suffer from food insecurity, homelessness, lack of access to affordable healthcare, and lack of suitable housing. Due to cutbacks in basic services, poverty has become a trap — a trap into which anyone can fall, and from which it is extremely hard to escape. Thus, according to Alston, ‘The American Dream is rapidly becoming the American Illusion as the U.S. now has the lowest rate of social mobility of any of the rich countries.’

Hoe de zwaarst bewapende wereldmacht in de geschiedenis van de mensheid  ‘democratie’ kan verspreiden, wanneer het zelf geen ‘democratie’ is, maar een ‘oligarchy,’ met ‘unlimited political bribery,’ is een vraagstuk waarover Buruma en Mak angstvallig zwijgen. Te gecorrumpeerd om de werkelijkheid te kunnen beschrijven, blijven deze mainstream-opiniemakers de versleten mythes verspreiden. Daarom opnieuw de historicus van naam en faam Walter LaFeber, die in hoofdstuk 8 van de essaybundel The Short American Empire. A Postmortem (2012) het volgende poneert:

The American Century was stillborn (doodgeboren. svh). Half of the standing Soviet army was horse-drawn, while Truman commanded the world’s most powerful air force with global range and atomic bombs. Even so, that military power could not create an American Century in Central and Eastern Europe, China, or the Soviet Union itself, any more than comparably overwhelming military power some sixty years later could incorporate Iraq, Afghanistan, Ukraine, Georgia, or other parts of the Middle East and centra Asia into an American Century.

When U.S. officials set about trying to help reconstruct non-Communist countries in the post-1945 world, it was not Luce’s confidence that inspired them but stark fear that the globe might spiral back to the catastrophic 1930s. Truman publicly expressed this fear on March 6, 1947. He told a Baylor University audience that any expansion of closed, state-controlled economic systems (he was obviously referring to communism) would ultimately doom American freedom. The president then effectively drove the point home: ‘We must not go through the Thirties again.’ The Baylor speech formed the necessary preface for the message the president delivered six days later to a joint session of Congress.

This speech became known as the Truman Doctrine. Its broad Principles guided U.S. foreign policy throughout the Cold War or, in certain cases (as with conflicts in Vietnam and Central America), misguided it. Peoples around the world, the president told the House and Senate, were choosing ‘between alternative ways of life.’ Members of a sharply divided Congress consequently had to cooperate in sending vast amounts of military and economic aid to areas threatened by ‘totalitarian regimes.’ More precisely, Truman urged Congress — controlled by Republicans determined to pursue an American Century on the cheap by reducing U.S. overseas obligations and slashing taxes — to appropriate $400 million to protect Greece and Turkey against an immediate Communist threat.

The president had dramatically sketched the alternatives: a perhaps open-ended commitment to parts of the world many Americans could not locate on a map, or a return to the 1930s. Faced with that choice, the Republicans surrendered. Fear, not Henry Luce’s optimism, forged the resulting Cold War consensus. That fear, in turn, soon led to investigations of those in the government (and private citizens on the outside) whose loyalty to an anti-Communist crusade was questionable. Lacking an adequate understanding of the way the world works, Americans reflexively attributed troubles beyond their borders to nefarious (kwade. svh) forces at home. So the dream of an American Century became instead the nightmare of another Red Scare. 

Het gevolg van dit paranoïde beleid was enerzijds de militarisering van de Amerikaanse samenleving, en anderzijds de voortdurende oorlogen, die, gezien vanuit de beoogde politieke en militaire doelen, de VS alle verloor én financieel failliet achterlieten, terwijl het ideaal van een ‘American Century’ almaar onbereikbaarder werd. ‘The U.S. economy and foreign policies were increasingly shaped not by American Century principles but by a “military-industrial complex,” as President Eisenhower would later accurately phrase it,’ zo concludeert professor LaFeber. Dit betekende in de praktijk onder andere dat de VS democratisch gekozen regeringen ten val bracht zodra ze te ‘nationalistisch’ beschouwd werden omdat het belang van de Amerikaanse economische en financiële elite ondergeschikt was gemaakt aan de belangen van de eigen bevolking. Daarnaast steunde Washington overal ter wereld ‘ruthless oligarchs and military strongmen,’ waarbij alleen al in de jaren tachtig in Midden-Amerika een ‘estimated two hundred thousand people’ om het leven werd gebracht tijdens ‘uprisings against U.S.-supported military rulers.’ Het gevolg van het vermeende 'betrekkelijk goedaardige imperialisme' van de VS was dat overal op aarde spandoeken te zien waren met het opschrift ‘Yankee Go Home!’  Al in 1971 kwam president Richard Nixon tot de slotsom dat ‘the United States no longer is in the position of complete pre-eminence or predominance [and] that is not a bad idea.’  Hij voorspelde dat in vijf of tien jaar, ‘but in any event within our time’ de Amerikaanse hegemonie vervangen zou zijn door vijf ‘leading powers.’ De president wees elke veronderstelling af dat een ‘American Century’ aanstaande was: ‘I think of what happened to Greece and Rome, and you see what is left — only pillars.’ De geschiedenis overziend stelde hij vast dat ‘the great civilizations of the past’ gaandeweg ‘wealthy’ waren geworden, maar dat  ‘they’ vervolgens ‘lost their will to live, to improve,’ en daardoor aan ‘decadence’ begonnen te lijden, hetgeen ‘eventually destroys the civilization. The U.S. is now reaching that period.’ Het ironische is dat juist Nixon’s beleid de ‘decadentie’ versnelde door begin jaren zeventig de dollar los te koppelen van het goud, waardoor het speculeren met alles dat los en vast zat de belangrijkste manier werd om zichzelf te verrijken. Het resultaat was dat nu 'The moral corruption of the financial system is almost beyond imagination,’ aldus de auteurs van het boek Four Horsemen. The Survival Manual (2012). Zij tonen aan dat ‘poverty for billions is the flip-side of elite-power: the super-rich can only secure their immense wealth by rigging the economic system in ways that deny decent life opportunities’ voor meer dan de helft van de mensheid. Dit proces werd onder Nixon mogelijk gemaakt, toen

[i]n 1971, the world abandoned gold because it was seen as an unnecessary constraint on the ambitions of politicians and big business. Over the last forty years, since fiat money (ongedekt geld svh) became the norm, the money supply has grown exponentially. We have seen the greatest growth in the money supply of money in history. Today ninety-seven per cent of all money is created as debt. Absurdly, the preferred solution of governments  to the debt crisis is to create yet more debt. David Morgan (expert zilvermarkt svh) sums up the problem with fiat money perfectly: 'You can never get enough of a currency that doesn't work — you can print it till kingdom come but you can't print wealth and you can't get yourself out of debt by making more debt. If you could print wealth Zimbabwe would be the most prosperous country on the planet — we all know it doesn't work.' It was the French philosopher Voltaire who said, 'All paper money eventually returns to its intrinsic value — zero.' 

Door de neoliberale politiek van deregulering en privatisering, mogelijk gemaakt door westerse volksvertegenwoordigers van zowel ‘links’ als ‘rechts,’ bestaat er vandaag de dag een wereld van virtueel geld, een biljoenen-handel in lucht. Four Horsemen

We now have a situation in which, as Steve Keen (Hoogleraar Economie svh) says, 'the banks create as much new money as they can get away with, because, fundamentally, banks profit by creating debt.’ 

This brings us to the crux of the matter: the principal factor determining the quantity of money in circulation is the banks' ability to make profits out of the interest they earn on loan repayments. It is therefore to their huge advantage to expand the money supply as much as possible. Over the last three decades, banks have been among the most profitable of all businesses. Their senior staff have awarded themselves bonuses out of all proportion with the ability of the banking system to create genuine wealth. And their shareholders have done pretty well too.

Few people have any idea of the role of banks in creating money. As former derivatives trader Tarak El Diwany says, 'The fact is most people think what a bank does is lend you money that someone else has put in the bank previously. But what a commercial bank actually does is to create money from nothing, and then lend it to you at interest. If I do that, if I manufacture money in my own home, it's called counterfeiting (geld vervalsen. svh); if an accountant creates money out of nothing in the company accounts, it's called cooking the books (fraude. svh); but if a bank does it, it is perfectly legal. And so long as you allow fraud to be legalized then all kinds of problems are going to crop up in the economic system that you can't do anything about.’

Allowing the banks to manage money supply is the principal cause of both the failure of the economy to promote economic justice, and its inability to avoid the damaging cycle of boom and bust,

zoals een ieder tegenwoordig kan zien. De dag dat ik dit schrijf, donderdag 4 januari 2016 bericht Het Financieele Dagblad onder de juichende kop: ‘Dow Jones knalt door de 25.000 punten’ het volgende:

De Amerikaanse aandelenbeurzen blijven maar stijgen. Op de derde handelsdag van het nieuwe jaar zette Wall Street weer allerlei nieuwe records neer.

De Dow Jones is donderdag voor het eerst door de 25.000 puntengrens heen geschoten. De toonaangevende index heeft er niet meer dan 23 dagen over gedaan om er duizend punten bij te krijgen. Ook dat is een record. De Dow legde die afstand van duizend punten nog nooit zo snel af.

'Dit gaat wel een beetje heel hard,’ moet ook Wim Zwanenburg toegeven. Toch baart de spurt van de Dow Jones de beleggingsstrateeg van Stroeve Lemberger niet direct zorgen. 'Ik zie collega's die een beetje last hebben van hoogtevrees. Dat is ook weer misplaatst.’

Wat is de oorzaak van de ‘spurt’ waarover ‘investment strategist’ en ‘vermogensbeheerder’ Zwanenburg spreekt? Kortweg: begeerte, hebzucht, inhaligheid, winzucht, oftewel een stoornis die de basis vernietigd waarop een samenleving rust. En toch blijft nog steeds gelden: ‘Greed is Good.’ In Oliver Stone’s film Wall Street uit 1987 vat de hoofdrolspeler, de speculant Gordon Gekko tegenover Bud Fox, een jonge collega van hem, de handel in lucht kort samen met de woorden:

It's not a question of enough, pal. It's a Zero Sum game — somebody wins, somebody loses. Money itself isn't lost or made, it's simply transferred — from one perception to another. Like magic. This painting here? I bought it ten years ago for sixty thousand dollars. I could sell it today for six hundred thousand. The illusion has become real, and the more real it becomes, the more desperately they want it. Capitalism at its finest.

Bud Fox: How much is enough, Gordon?

Gekko: The richest one percent of this country owns half our country's wealth, five trillion dollars. One third of that comes from hard work, two thirds comes from inheritance, interest on interest accumulating to widows and idiot sons — and what I do, stock and real estate speculation. It's bullshit. You got ninety percent of the American public out there with little or no net worth. I create nothing. I own. We make the rules, pal. The news, war, peace, famine, upheaval, the price per paper clip. We pick that rabbit out of the hat while everybody sits out there wondering how the hell we did it. Now, you're not naive enough to think we're living in a democracy, are you, Buddy? It's the free market. And you're a part of it. You've got that killer instinct. Stick around, pal, I've still got a lot to teach you.

Dit systeem wordt door Buruma en Mak aan het publiek verkocht als ‘orde,’ als ‘democratie,’ als ‘westerse beschaving,’ maar dit zegt meer over hun eigen intellectuele gecorrumpeerdheid dan over de dagelijkse werkelijkheid waarmee miljarden mensen worden geconfronteerd. Hoewel Wall Street een speelfilm is, laat Oliver Stone eerlijker en scherper de werkelijkheid zien dan Ian Buruma en Geert Mak ooit in staat zullen zijn te doen. Nooit zullen ze de volgende beschrijving durven te geven:  

Gordon Gekko: Well, ladies and gentlemen, we're not here to indulge in fantasy, but in political and economic reality. America, America has become a second-rate power. Its trade deficit and its fiscal deficit are at nightmare proportions. Now, in the days of the free market, when our country was a top industrial power, there was accountability to the stockholder. The Carnegies, the Mellons, the men that built this great industrial empire, made sure of it because it was their money at stake. Today, management has no stake in the company! […]

The point is, ladies and gentlemen, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its forms: greed for life, for money, for love, knowledge, has marked the upward surge of mankind.

Aangezien het neoliberalisme, ideologisch steeds moeilijker te verkopen is, zit er voor de Buruma’s en Makken niets anders op dan een almaar absurdere voorstelling van zaken te geven. Geert Mak’s leuze ‘Geen Jorwert zonder Brussel’ zal steeds duidelijker maken dat het helemaal niet om Jorwert gaat, en zelfs niet om Brussel, maar om de miljardenwinsten van een uiterst kleine elite, waar geen goederen en/of diensten tegenover staan. Het betreft hier slechts digits op een computerscherm, en als die digits ineens weg zijn, dan is er altijd nog de staat die miljarden aan belastinggeld aan de frauderende bankiers zal verstrekken om zo het vertrouwen in het casino-kapitalisme te herstellen. En op hun beurt zullen Buruma en Mak hun publiek verzekeren dat dit nu eenmaal onvermijdelijk is om ‘de democratie’ in stand te houden. Tegelijkertijd betekenen ‘[t]echnological advances that most money now exists only as numbers in computers, so commercial banks can create money, and generate profits, at the touch of a button.’ Professor Walter Lafeber belichtte nog een andere ingrijpende omslag:

Historians and other scholars and journalists might laud the so-called Americanization of the world. American fast-food franchises flashed around the globe, with the golden arches of McDonald's arriving by the late 1980s even in the Soviet Union. Foreign basketball players wore Nike sneakers, and American investors penetrated the world's most promising market, Communist China, to the level of $50 million by 2010. But this ‘Americanization’ also produced the destruction of key parts of long-vital U.S. industry (such as clothing and steel); wage increases for American laborers between 1970 and 2010 that did not keep up with inflation  driven prices; and, increasingly, unfavorable balances of trade that forced the United States to borrow ever larger amounts from abroad (principally China, Europe, and Japan) to pay for both the lifestyle to which Americans had become accustomed and the military forces to which Washington leaders and their think-tank allies were becoming addicted. By the 1970s, therefore, the nation’s economic building blocks, the necessary foundations for an American Century, were deteriorating.

En zoals gebruikelijk in tijden van verval, verdrong ook in de VS de schijn de werkelijkheid, en begon een periode van extravagantie en barok de federale politiek te beheersen, in een poging de alomtegenwoordige leegte met veel fanfare en machtsvertoon te verhullen. Anno 1982 trachtte president Ronald Reagan — een voormalige filmster van B-movies, wiens enige verdienste tekstvastheid was — vergeefs de ‘American Century’ nieuw leven in te blazen door Henry Luce te citeren, die precies twee decennia eerder had verklaard:

We are the country of the endless frontier, of the big sky, of manifest destiny, of unlimited resources, of ‘go west young man,’ of opportunity for all, of rags to riches, mass production, nothing to fear but fear itself, technical know-how, a chicken in every pot, gung-ho and can do.

Dit beeld, meer is het niet, vormt nog steeds de achtergrond van de zienswijze die Buruma en Mak erop nahouden. Maar, zoals de historicus LaFeber opmerkte ‘[i]t soon appeared however, that America’s “endless frontier” and “manifest destiny” did not seem to extend to, among other places, the Middle East.’ Sterker nog, al in 1890 had het U.S. Census Bureau officieel afgekondigd dat de grenzen van de VS op het Noord-Amerikaanse continent bereikt waren, en dat er dus een einde was gekomen aan de eeuwenlange 'westward movement.’ In zijn Frontier Thesis uit 1893 zette de Amerikaanse historicus Frederick Jackson Turner uiteen dat ‘the West is now closed,’ en dat daarmee een einde was gekomen aan ’that restless, nervous energy; that dominant individualism, working for good and evil, and withal (bovendien. svh) that buoyancy (geestkracht. svh) and exuberance which comes with freedom,’ die ‘the traits of the frontier’ waren. Jackson, wiens zienswijze ‘has had an enormous impact on historical scholarship and the American mind,’ benadrukte dat ‘[t]he existence of an area of free land, its continuous recession, and the advance of American settlement, explain American development,’  en dat 

the spirit and success of the United States was directly tied to the country's westward expansion. Turner expounded an evolutionary model; he had been influenced by work with geologists at Wisconsin. The West, not the East, was where distinctively American characteristics emerged. The forging of the unique and rugged American identity occurred at the juncture between the civilization of settlement and the savagery of wilderness. This produced a new type of citizen — one with the power to tame the wild and one upon whom the wild had conferred strength and individuality. As each generation of pioneers moved 50 to 100 miles west, they abandoned useless European practices, institutions and ideas, and instead found new solutions to new problems created by their new environment. Over multiple generations, the frontier produced characteristics of informality, violence, crudeness, democracy and initiative that the world recognized as 'American.' 

Turner saw the land frontier was ending, since the U.S. Census of 1890 had officially stated that the American frontier had broken up. He sounded an alarming note, speculating as to what this meant for the continued dynamism of American society as the source of America's innovation and democratic ideals was disappearing.

Het beroep dat Ronald Reagan bijna een eeuw later op de ‘endless frontier’ had gedaan, was natuurlijk pathetisch op zijn best en levensgevaarlijk op zijn slechtst. Zoals Walter LaFeber opmerkte:

‘Morning in America’ (Regan’s verkiezingsleuze. svh) was turning into a dangerously stormy evening. By the mid-1980s more than 1 trillion dollar of govenment debt had built up as a result of both the president’s 300 million dollar annual military spending and the large tax cuts that overwhelmingly benefited only the wealthiest 5 percent. American producers, the cutting edge of Luce’s free-enterprise Century, had grown increasingly less competitive so had moved their plants to cheaper labor areas such as Mexico and Asia. Trade deficits consequently hit record highs. These official deficits did not take into account the illegal drug trade, which reached an estimated 100 billion dollar a year, with perhaps one-quarter of that amount going to drug producers in Latin America and Asia. The globe’s leading creditor when Reagan moved into the White House, the United States sank below Mexico to become the world’s greatest debtor nation by the time he stepped down in 1989. New economic powers, led by Japan (which the United States had atomic bombed, defeated, and occupied four decades earlier), were not only outselling the grand symbol of American assembly-line prowess, the Detroit-made automobile, but were using their profits to purchase U.S. manufacturing plants, famous California golf courses, and even New York City's iconic Rockefeller Center.

Yet Americans remember Reagan less for these historic economic shifts Central American revolutions, or the criminality of the Iran-Contra humiliation than for reversing his own fervent anti-Sovjet rhetoric to begin historic discussions with Mikhail Gorbachev, the new Russian leader, who assumed power in 1985.


Niet beseffend dat de zogeheten overwinning op ‘het communisme’ slechts een Pyrrhus-overwinning was, meenden de Amerikaanse elite en haar woordvoerders werkelijk dat er wederom een nieuwe ‘endless frontier’ open lag, waar ‘the single superpower’ haar ‘New World Order,’ al dan niet met massaal geweld kon afdwingen, net zoals zij op het Amerikaanse Continent had gedaan. Het was ook ditmaal allemaal een kwestie van ‘manifest destiny.’ LaFeber:

The Soviet Union officially disappeared on Christmas Day, 1991. The Cold War was over. But the following decade did not produce the ‘end of history,’ that is, the final triumph of American-style democracy and capitalism, the American Century fully revealed.

Integendeel zelfs, in plaats van de ‘window of opportunity,’ te gebruiken, ging de elite in Washington en op Wall Street meteen over op een beleid dat haar macht wereldwijd kon afdwingen. Althans, zo hoopte en verwachtte zij. LaFeber herinnerde zijn lezers eraan dat

Samuel (‘Sandy’) Berger, President Clinton's top White House national security adviser, accurately identified the dilemma created by efforts to resuscitate the American Century idea. Although describing what he called ‘the “indispensable nation” thing’ as ‘a little too triumphalist,’ Berger insisted that when facing fragmentation and disorder ‘America has to lead,’ even if fulfilling this responsibility makes the United States look like ‘the biggest rogue state in the world.’

Amidst all the insular (bekrompen. svh) celebrations of the supposed triumphs of American culture, democracy, military power, and multinational corporations, Berger had perfectly defined he trap in which the United States found itself during the 1990s — and after. In the two decades that followed the end of the Cols War, the United States carried out more military interventions than it had during the previous forty-five years of waging that war.The results, particularly Berger’s accurate observation that the United States might appear to be ‘the biggest rogue state in the world,’ certainly did not signal the arrival of an American Century. 

Maar dit eenvoudig te signaleren feit, kunnen de mainstream-opiniemakers niet accepteren, domweg omdat de werkelijkheid fundamenteel in strijd is met hun propagandistische opvatting dat ‘we are right to impose democracy,’ om mijn oude vriend Ian Buruma nog eens te citeren, die acht maanden voordat de VS zijn illegale inval in Irak begon, pleitte voor een regime-change in Iran, onder aanvoering van de VS, aangezien ‘[a]nything the west can do to break such monopolies, through economic, diplomatic, or even, if necessary, military means, is surely a good thing. If that is globalization or imperialism, I am for it.’ Zijn gewelddadige mentaliteit, wijd verspreid onder westerse ‘liberals,’ heeft geleid tot de bloedbaden en de chaos in het Midden Oosten en delen van de Maghreb. Het enige dat de neoconservatieve en liberal expansionisten, tezamen met hun mainstream-opiniemakers, de afgelopen vijftien jaar hebben bewerkstelligd is dat zij ‘helped destroy any lingering hopes for an American Century.’ Hun dwaasheid vormt een bedreiging voor de toekomst van de hele mensheid.




1 opmerking:

  1. 'Hoe werken de hersenen en het gevoel van een klassieke opportunist?'

    - Hier is een optie:

    zeggen dat vroeger (jaren 80) alles in de wereld slechter was, qua gezondheid, overleving, extreme armoede, en daar bevestiging in zien mbv statistiek. Ja, de wereld wordt anno 2015 gemiddeld ouder, er sterven relatief minder mensen bij rampen, dankzij HIV medicatie hoef je niet meer te sterven aan AIDS, etc.

    En daarbij 'vergeten' te melden dat al die verbetering een gevolg is van technologie, en niet van politiek die sinds de jaren 70-80 werkomstandigheden en leefomstandigheden slechter maakt voor 99% van de westerse bevolking. Door onder andere mensen in China en India uit extreme armoede te halen door hen de banen te geven (voor net iets meer dan een hongerloon) die voorheen uitgevoerd werd door dure arbeiders in het westen en waarvan laatsgenoemden nu zonder baan thuis zitten, vast aan het infuus van (net niet armoedige) subsidie, of, (in de VS) vast aan de verslaving van opium.

    http://oxfamblogs.org/fp2p/whats-happening-on-global-inequality-putting-the-elephant-graph-to-sleep-with-a-hockey-stick/

    BeantwoordenVerwijderen