• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

dinsdag 15 november 2016

Ontkenning Rwandese genocide

Ingeburgerde ontkenning van de Rwandese genocide

15
Na 22 jaar keerden Mugimba en Iyamuremye dit weekend op last van het Openbaar Ministerie terug naar Rwanda om zich te verantwoorden voor hun aandeel in de genocide van 1994. Van inkeer lijkt geen sprake, en zij zijn tegenwoordig niet de enigen. 
     door Jos van Oijen
Op zaterdag 12 november zijn Jean Baptiste Mugimba en Jean Claude Iyamuremye naar Rwanda overgebracht waar ze voorlopig zijn gedetineerd in de Kigali Central Prison. Het gerechtshof in Den Haag had op 5 juli groen licht gegeven voor de uitlevering. Op 21 september stuurde de advocaat Bart Stapert nog een oproep naar de Tweede Kamer in een ultieme poging de uitlevering tegen te houden. Twee dagen later reageerde een Kamermeerderheid met Kamervragen die op 26 oktober zijn beantwoord door minister Van der Steur. 
Uit de antwoorden bleek dat de Kamerleden ook gewoon de uitspraak van het gerechtshof hadden kunnen lezen waarin de gevraagde informatie grotendeels is terug te vinden. Maar in de dagen voorafgaande de uitlevering bleek dat de Kamerleden geen genoegen namen met de antwoorden. Afgelopen donderdag werd een deskundige uitgenodigd voor overleg, vrijdag werden er nieuwe Kamervragen ingediend en is er nog een kort geding behandeld. Dat werd afgewezen onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof. Daarmee was de uitlevering een feit. 
  Memoires Swinnen
17
Jean Baptiste Mugimba
Jean Baptiste Mugimba was in 1992 in Rwanda mede-oprichter van de extremistische Hutu-partij Coalition for the Defence of the Republic (CDR) en mede-initiatiefnemer van het beruchte haat-radiostation Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM). In de onlangs verschenen memoires van Johan Swinnen, de Belgische ambassadeur in Rwanda van 1990 tot 1994, worden beide organisaties in verband gebracht met de polarisatie die het land zou laten ontsporen in genocide.
In 1992, bij het aantreden van de eerste coalitieregering in Rwanda na drie decennia dictatuur, leek er even perspectief te zijn op een democratische toekomst. Maar toenmalig president Habyarimana was onder de dreiging van het verliezen van zijn absolute macht al begonnen met het privatiseren van het overheidsgeweld om zo ongestraft de oppositie te kunnen bestrijden, iets wat met repressie door het leger niet zo eenvoudig zou zijn. Dit kreeg vorm in gewapende jeugdmilities en de concentratie van extremisten in de ultra-rechtse CDR.
De gematigde minister van Buitenlandse Zaken, Boniface Ngulinzira, zinspeelde al snel op een eventuele Belgische actie ‘om de heropflakkering van ‘fascisme’ en ‘racisme’ te helpen voorkomen.’ De lokale mensenrechtenorganisatie Collectif des Ligues et Association de Défense des Droits de l’Homme au Rwanda (CLADHO) verweet volgens Swinnen ‘bepaalde media’ het verspreiden van fascistische propaganda, ‘georkestreerd door groepen die van overheidswege gefinancierd werden.’
Veel journalisten en geleerden die studie hebben gemaakt van de Rwandese genocide bedienen zich van vergelijkbare termen als het om het beschrijven van de CDR gaat. Auteur Dina Temple-Raston maakt in haar boek Justice on the Grass zelfs een vergelijking tussen de ideologie van het CDR en die van de Ku Klux Klan. Het is een wereld van verschil met de hartelijke kwalificaties die Mugimba in zijn woonplaats Leusden ten deel vallen bij de mensen die hem tegenwoordig ‘kennen’.
  Talloze bewijzen
Prominente partijgenoten van de CDR, zoals Jean-Bosco Barayagwiza en propagandist Hassan Ngeze, zijn door het Internationaal Strafhof voor Rwanda (ICTR) tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. En hoewel er tijdens de genocide veel archiefmateriaal is vernietigd, is de documentatie die voor deze processen nog bijeengebracht kon worden ook voor Jean Baptiste Mugimba incriminerend. Uit de openbaar toegankelijke stukken van het ICTR wordt duidelijk dat Mugimba tot het einde van de genocide in juli 1994 actief bleef in het dagelijks bestuur van de CDR, terwijl de Impuzamugambi – de partijmilitie van de CDR – dood en verderf zaaide.
Mugimba ontkent zijn functie als partijbestuurder dan ook niet, maar tot enige vorm van berouw heeft dat niet geleid. In het eerste proces tegen zijn uitlevering bij de Haagse rechtbank in 2014 bestond zijn verdediging simpelweg uit het ontkennen van de genocide. Als er geen genocide had plaatsgevonden in Rwanda kon hij ook niet schuldig zijn, was de logica hierachter. Individuele misdaden waarvan hij wordt verdacht, zoals het opstellen van dodenlijsten, het verspreiden van wapens en het deelnemen aan moorden, ontkent Mugimba eveneens, al heeft hij volgens de rechtbank tegenstrijdige verklaringen afgelegd.
Boniface Ngulinzira, de gematigde minister, werd ironisch genoeg vermoord op de dag voordat ambassadeur Swinnen uit Rwanda werd geëvacueerd, nota bene omdat hij door de Belgische blauwhelmen bij wie hij bescherming had gevonden aan zijn lot werd overgelaten. Op de eerste dag van de genocide was Ngulinzira door de Belgen van huis gehaald uit voorzorg omdat de extremisten eerst systematisch alle politici van de oppositie vermoordden.
Met zijn gezin en ruim 2.000 andere bedreigde mensen zat hij veilig in een schoolcomplex waar de vredessoldaten waren gelegerd aan de rand van Kigali. Vier dagen woonden ze in de klaslokalen. Beelden van vluchtelingen in het complex zijn te zien in de BBC-documentaire When good men do nothing uit 1997. Op de tribunes van het sportveld naast de school zaten nog eens 600 tot 1.000 mensen die niet op het terrein werden toegelaten.
  Slachting Kigali
Op 11 april 1994, tegen twee uur ’s middags, brak de Belgische compagnie plotseling op om te hergroeperen bij het vliegveld van Kigali en te assisteren bij de evacuatie van buitenlanders die zich in Rwanda bevonden. De Impuzamugambi en de Interahamwe (de militie van regeringspartij MRNDD) die zich in de directe omgeving van de school bevonden, zagen de colonne blauwhelmen vertrekken en stormden even later het terrein op.
Zij die aan de eerste slachting ontkwamen en naar buiten vluchtten werden op een naburig bedrijventerreintje bijeen gedreven en vervolgens de stad uit gemarcheerd. Daar werden ze omsingeld door soldaten en gendarmes die granaten tussen hen in gooiden en het vuur openden. De militieleden maakten het karwei af met machetes. Boniface Ngulinzira en zijn vrouw waren daar niet bij. Ze waren bij de eerste aanval op de school ternauwernood ontsnapt via een gat in het hek.
Erg ver kwamen ze niet. In een aangrenzende buurt werden ze alsnog aangehouden door militieleden die hen naar het huis van een Interahamwe-leider brachten. Dezelfde dag werd Ngulinzira opgehaald door soldaten van de presidentiële garde, zijn vrouw Florida bleef in het huis achter. Met haar dochter wist ze te ontsnappen en onder te duiken in een nonnenklooster. Twee weken later begreep ze uit een sarcastische opmerking over haar man in een RTLM-uitzending dat hij het niet had overleefd.
Volgens de overlevenden bevonden zich onder de aanvallers ook Jean Claude Iyamuremye en zijn oudere broer Gérard. De Interahamwe-militie werd geleid door George Rutaganda, een van de eersten die na de genocide door het ICTR zou worden berecht. Een buurjongen die Iyamuremye had herkend beschreef in januari 1996 zijn ervaringen aan het tribunaal. Volgens het verslag bevond zich onder de moordenaars ook een leraar van de school. Andere getuigen bevestigen dit.
De jongen overleefde de tweede aanval in de open lucht door zich meteen op de grond te laten vallen en zich stil te houden onder de lijken die over hem heen waren gevallen. De resterende maanden van de genocide schuilde hij in verlaten gebouwen nabij de frontlinie. Later hoorde hij dat zijn moeder door Gérard was vermoord.
  Ontkenningen
16
Jean Claude Iyamuremye
Net als Mugimba vertoont Iyamuremye ogenschijnlijk weinig empathie met de slachtoffers. Vanuit zijn positie is het misschien te verklaren dat hij de verdenkingen tegen hemzelf en zijn familieleden ontkent. Maar volgens de uitspraak van de Haagse rechtbank van 20 maart 2013, in de zaak tegen het intrekken van zijn verblijfsvergunning, beweert hij dat de aanval op het schoolcomplex niet is uitgevoerd door militante Hutu’s maar door het rebellenleger van het Rwandan Patriotic Front (RPF).
Nog merkwaardiger dan deze ontkenning van de geschiedenis is echter dat Iyamuremye niet de enige is die dit alternatieve scenario aanhangt en verspreidt. Toen Florida, de weduwe van Boniface Ngulinzira, als getuige bij het ICTR werd verhoord, kreeg ze een vergelijkbare theorie voorgeschoteld door de strafpleiter in dat proces. Op een weinig zachtzinnige manier zette de advocaat, de Canadees Christopher Black, Florida onder druk om ‘toe te geven’ dat haar man niet door regeringssoldaten was weggevoerd en vermoord, maar door het RPF. De intimiderende wijze van ondervragen was zo stressvol dat ze na haar thuiskomst de hulp van een arts moest inroepen.
Het optreden van Black zou misschien afgedaan kunnen worden als een onorthodoxe strategie, maar de surrealistische theorieën die hij die hij ook buiten de rechtszaal verspreidt, doen iets anders vermoeden. Samen met een groepje collega-strafpleiters en een paar geestverwanten bij de pers is Black al jaren actief met het publiceren van dergelijke desinformatie op het internet. De groep is er stellig van overtuigd dat er geen genocide tegen Tutsi’s plaatsgevonden heeft in Rwanda, hooguit een inter-etnische strijd tussen de bevolkingsgroepen.
De suggestie van een genocide zou volgens Black een propagandaverhaal zijn van de Tutsi’s, bedacht door de Amerikaanse overheid en president Museveni van Oeganda die het RPF een proxy-oorlog lieten uitvechten om centraal Afrika in hun macht te krijgen. De ware slachtoffers zouden de Hutu’s zijn. De haatzaaiende omroepers van RTLM waren volgens Black alleen maar journalisten die de waarheid vertelden.
Black ziet geen beletsel in de goed gedocumenteerde massamoorden op Tutsi-burgers die zich tijdens de genocide in kerken hadden verschanst en daar zijn afgeslacht. In een podcast uit 2014 van The Corbett Report vertelt Black dat de Hutu’s het aanvankelijk maar raar vonden dat zoveel Tutsi’s zich verzamelden in kerken. ,,Eerst dachten ze, die werken vast met het RPF samen”, aldus Black, ,,Dat de RPF ze had opgedragen om naar een kerk te gaan en daar te blijven, zodat ze wisten waar de Tutsi’s zich bevonden en ze alle Hutu’s konden vermoorden die niet in de kerken zaten.” Volgens Black zou dit verraderlijke gedrag de Hutu’s zo woedend hebben gemaakt dat ze de Tutsi’s hebben aangevallen.
  Revisionistische narratieven
Christopher Black en collega’s als John Philpot en Peter Erlinder zijn ondanks hun als hallucinaties aandoende scenario’s belangrijke bronnen geworden voor journalisten en zelfs enkele niet-gespecialiseerde wetenschappers. Vertaald in een meer geciviliseerde, gepolijste vorm, en gestript van de meest afstotende rariteiten, raken de revisionistische narratieven steeds makkelijker ingeburgerd.
De groep Hutu Power-aanhangers en genocideverdachten die eind jaren ’90 als vluchteling naar West-Europa en Noord-Amerika is getrokken, spint er garen bij. Dit amalgaam van radicaal-links en ultra-rechts revisionisme is ruim beschikbaar op het internet. Het vormt voor geïnteresseerden die zonder de nodige kennisfilters nietsvermoedend informatie opzoeken over de genocide een psychologisch belangrijke eerste indruk.
Hoe makkelijk hun ideeën er insluipen zien we de laatste jaren bijvoorbeeld aan enkele vredesorganisaties in Nederland, die volhouden dat van verdachten als Mugimba en Iyamuremye ‘om twijfelachtige redenen gesuggereerd wordt dat zij betrokken waren bij de genocide van 1994.’ Ze vragen zich hardop af wat de werkelijke reden achter de uitlevering zou kunnen zijn en sprekenzelfs over ‘de werkelijke daders’ van de genocide die we na twee decennia onderzoek blijkbaar nog niet kennen.
De klucht rond Mugimba en Iyamuremye in de week voorafgaand aan de uitlevering liet zien dat simpel associatief denken op basis van dubieuze bronnen ook bij Tweede Kamerleden de standpuntsvorming bepaalt, al dachten ze zelf ter elfder ure opeens over betere kennis te beschikken dan vijf jaar gerechtelijk onderzoek heeft opgeleverd. Zo draait het wiel van de genocidecyclus in Nederland rustig verder, maar geldt dat even niet meer voor Mugimba en Iyamuremye.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen