• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

maandag 8 augustus 2016

De Zionist Max van Weezel

Ron heeft een nieuwe reactie op je bericht "Wachten op Joodse Excuses" achtergelaten: 

Bij VN hadden ze nog net niet Max van Weezel een recensie over deze zomergast laten schrijven,(dat was te opzichtig) maar zijn dochter Natascha............https://www.vn.nl/abou-jahjah-toonde-mooie-fragmenten-maar-had-geen-genade-voor-israel
Maar Max kon deze week in zijn recensie over zomergasten, tussen het slijmen, toch nog even zijn gal kwijt....
https://www.vn.nl/menselijke-energiebron-arjen-lubach-ging-steeds-meer-fascineren-zomergasten/

VN,wat is dat voor een bolwerk.....gelijk de Balie.......gelijk de ....en de....en de.......... 




Welnu, de bejaarde zionistische journalist Max van Weezel schrijft op de website van Vrij Nederland van deze week over het televisieprogramma Zomergasten:

Thomas Erdbrink (40) en Arjan Lubach (36) maken deel uit van een jaloersmakend talentvolle generatie van journalisten, cabaretiers en televisiemakers.

https://www.vn.nl/rondhangen-in-rio-zit-vol-geopolitieke-dreigingen/



Het is opvallend hoe mijn collega Van Weezel zichzelf weer  een brevet van onvermogen weet te geven. Hoewel ik  hier herhaaldelijk zijn bedrieglijke journalistieke praktijken aan de kaak heb gesteld, slaagt Van Weezel er toch telkens opnieuw in mij daarin te overtreffen. Dat voor hem de huidige 'generatie van journalisten, cabaretiers en televisiemakers' werkelijk 'jaloersmakend' is, zegt alles over zijn eigen werk maar niets over mijn en zijn generatie. Vergeleken met werkelijk 'talentvolle' journalisten als John Pilger, Robert Fisk, Amy Goodman, Barbara Ehrenreich, Chris Hedges, Tom Engelhardt en de tientallen anderen die ik hier op deze weblog herhaaldelijk citeer, zijn de huidige 'journalisten' in de polder onbenullige conformisten. Maar vergeleken met Max van Weezel kunnen ze zich tot talenten rekenen. Wie Van Weezel werkelijk is? Wel leest u zelf:  

Max van Weezel. Exit


Dinsdag 9 september 2014 kon de Volkskrant-lezer één van de meest ontluisterende interviews lezen die de afgelopen tien jaar in een Nederlandse mainstream-krant werden gepubliceerd. Onder de kop:

Het tijdperk Van Weezel is voorbij. Journalist Max van Weezel blikt terug op bijna veertig jaar Den Haag,

luidt de inleiding:

Parlementair journalist Max van Weezel deed veertig jaar lang verslag van de vierkante centimeters op het Binnenhof. Nu dat tijdperk ten einde is, beschouwt hij opnieuw de journalistiek,

waarna de zelf-ontmaskering van Van Weezel onmiddellijk begint met de volgende vernietigende anecdote:

Voor het radioprogramma Argos interviewde Max van Weezel onlangs Rob Wijnberg, hoofdredacteur van De Correspondent. Het gesprek ging over mediahypes, hijgerige journalistiek en beeldvorming. 'Dat interview  was wel een eyeopener,' zegt Van Weezel (63). 'Ik was van plan hem heel kritisch te ondervragen, maar hij blies me omver met zijn visie op de journalistiek. Ik vond het een inspirerend verhaal.'  

Ik citeer nogmaals: 'een inspirerend verhaal,' na 'bijna veertig jaar' lang 'verslag' te hebben gedaan 'van de vierkante centimeters op het Binnenhof, waarvan hij nu gedwongen afscheid moet nemen, omdat de hoofdredacteur van het zwaar verlies lijdende Vrij Nederland, Frits van Exter, besloot 'het icoon binnen de Haagse journalistiek' zijn column te ontnemen. 'Vanaf  september wilde Vrij Nederland een nieuwe weg in slaan, vertelde zijn hoofdredacteur. Minder poppetjes, meer politiek en samenleving.'  

Op de vraag: 'Wat deed u als u in Den Haag was?' kreeg de VK-interviewster als antwoord:

Vooral gezellige dingen. Boekpresentaties met een borrel na, symposia met een borrel na, conferenties met een borrel na — alles in Den Haag heeft een borrel na. Het draait om socializen…

De intellectuele corruptie van ons en kent ons in de polder is de kern van de Nederlandse mainstream -journalistiek zoals die decennialang ook door Frits van Exter wordt gehanteerd, zoals blijkt uit zijn volgende uitspraak:

Lezers horen wantrouwend te zijn tegenover de media ... De aandacht van de media [wordt] natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd … door de politieke machten… Dat geldt voor de nationale politiek, maar natuurlijk ook voor de internationale politiek… Het heeft voor een deel te maken met de vluchtigheid van het medium. Deels ook volgen de media elkaar, sommige zijn dominanter, en andere lijden aan kuddegedrag… Als je volgend bent, dan betekent dat als een autoriteit, of iemand die gekozen is om een bepaald gezag uit te oefenen, zegt 'ik vind dit een belangrijk onderwerp, daar gaan we nou es wat aan doen,' dat je dat ook bekijkt. De dingen waar hij het niet over heeft, die volg je dus minder… het werkt voor een deel reflexmatig. Reflexen zijn het, je bent daar geconditioneerd in.

Maar na zijn hele journalistiek leven lang door politici op pad te zijn 'gestuurd' via 'reflexen' die 'geconditioneerd' zijn, ziet Van Exter zich nu gedwongen een punt te zetten achter de carrière van 'parlementair journalist Max van Weezel,' en wel omdat het publiek geen belangstelling meer heeft in de gecorrumpeerde journalistiek van 'een borrel na.' Al decennialang bekritiseer ik deze vorm van journalistiek, niet in de verwachting dat er iets fundamenteels zal veranderen, maar omdat een journalist met een greintje zelfrespect en respect voor zijn lezers zich deze corruptie niet kan permitteren. Ik zal de komende dagen terugkomen op dit interview met Max van Weezel. In de tussentijd kunt u mijn kritiek op Van Weezel hier lezen: http://stanvanhoucke.blogspot.nl/search?q=max+van+weezel

ZATERDAG 20 SEPTEMBER 2014


Max van Weezel. Exit 2

De aandacht van de media [wordt] natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd… door de politieke machten… Dat geldt voor de nationale politiek, maar natuurlijk ook voor de internationale politiek... Reflexen zijn het, je bent daar geconditioneerd in.

Frits van Exter. Hoofdredacteur Vrij Nederland, voormalig hoofdredacteur Trouw.


Zoals ik eind vorige week schreef kon dinsdag 9 september 2014 de Volkskrant-consument één van de meest ontluisterende interviews lezen die de afgelopen tien jaar in een Nederlandse mainstream-krant werden gepubliceerd. Onder de kop:

Het tijdperk Van Weezel is voorbij. Journalist Max van Weezel blikt terug op bijna veertig jaar Den Haag,

luidt de inleiding:

Parlementair journalist Max van Weezel deed veertig jaar lang verslag van de vierkante centimeters op het Binnenhof. Nu dat tijdperk ten einde is, beschouwt hij opnieuw de journalistiek,

waarna de zelf-ontmaskering van Van Weezel onmiddellijk onmiddellijk begint met het zelf-ontmaskering van het 'icoon binnen de Haagse journalistiek.' Omdat dit demasqué  vernietigend is voor de mainstream-journalistiek in Nederland zal ik de komende tijd met enige hoogtepunten aangeven waarom de polder parlementaire pers zo weerzinwekkend te werk gaat. Daar gaan we. Na eerst te hebben verteld dat zijn activiteiten rond dat pleintje in het dorp, dat nooit stadsrechten kreeg, voortdurende vergezeld ging met 'een borrel na — alles in Den Haag heeft een borrel na. Het draait om socializen,' merkt de gewiekste interviewster op: 

'Op safari' noemen sommige Haagse journalisten dat.

Max van Weezel antwoordt met:

Inderdaad. Of even langs 'de bontkragen': de voorlichters, de bontkraag om politici heen. Die vraag je of er nog nieuws is.

Et voila: Max van Weezel, die 'veertig jaar lang verslag [deed] van de vierkante centimeters op het Binnenhof,' meldt zelf dat hij jarenlang bij 'de bontkragen' vroeg 'of er nog nieuws is.' Met andere woorden, niet de parlementair journalist bepaalt wat van politiek belang is in een democratie, maar de 'voorlichters,' die Max Weezel typeert als 'ambitieuze jongetjes die de boel overnamen,' en die, ik citeer opnieuw: 'in hun relatie met politici de regie naar zich' lijken te'hebben toegetrokken.' En waarom zouden wij als buitenstaanders moeten twijfelen aan de woorden van iemand die bijna vier decennia lang borrelend door de wandelgangen trok om te vragen 'of er nog nieuws' was, waardoor niet hij als journalist, maar de betaalde spindokters al vele jaren lang de politieke agenda in Nederland bepalen. Dit systeem hadden de volksvertegenwoordigers, met sociaal-democraten van de PVDA voorop, op hun beurt weer  'van de Amerikaanse en Britse politiek.' Zoals bekend mag worden geacht in welingelichte kringen stemt als gevolg van dit corrupte systeem bijna de helft van de Amerikaanse kiesgerechtigden al meer dan een halve eeuw niet. Maar dit heeft geen enkele invloed op het toneelstukje dat de parlementaire journalistiek elke dag weer opvoert.

Duidelijk is dat het onder politici en journalisten een kwestie van geven en nemen is, de zogeheten 'vrije pers' laat zich gebruiken en doet net alsof dat journalistiek is. Over de praktijk van het cliëntelisme vertelde Max van Weezel, hoogst waarschijnlijk geïnspireerd door een paar 'borrels' op rekening van de Volkskrant, zonder enige schroom het volgende: 

Politici en voorlichters proberen ook weer via journalisten informatie over andere partijen te weten te komen. 'Zullen we even een kopje koffie drinken, Max?', luidt het verzoek dan — vaak wordt er bier bedoeld. 'Wij hebben het gevoel dat Diederik (Samson, red) niet zo goed ligt bij zijn fractie, denk jij dat ook?', zegt iemand van D'66 vervolgens. 

Op de vraag: 'Wat zijn ze dan aan het doen?' antwoordt het Haagse 'icoon,' zonder ook maar een greintje gêne:

Bedrijfsspionage, via jou. En daar doe je als Haags journalist weleens aan mee in de hoop er iets voor terug te krijgen. Een exclusief interview met Pechtold, bijvoorbeeld. Je moet investeren in je contacten en daarbij hoort dat journalisten ook veel vertellen.

Alsof het de gewoonste zaak ter wereld is dat parlementaire journalisten tot op het bot corrupt zijn. Dat wil dus zeggen: het plegen van 'bedrijfsspionage,' zodat hij als poortwachter van het establishment tijdens zijn 'socializen' weer een aantal 'borrels' achterover kan slaan. Want laat duidelijk zijn dat deze hoerige vorm van journalistiek niets oplevert. Wie kan, anno 20 september 2014, ook maar één voorbeeld geven van hoe de berichtgeving van Max van Weezel enig dieper inzicht heeft verschaft in het neoliberale machtsspel sinds de loop van de jaren zeventig, zowel hier als in zijn geliefde Israel? Zijn journalistiek was die van de waan van de dag, verslagen over het belabberde politieke toneelstukje dat jaar in jaar uit in de polder wordt opgevoerd, voor een almaar afnemend publiek. Het gevolg is geweest dat de geloofwaardigheid van zowel de Nederlandse politici als hun spreekbuizen, de mainstream-journalisten onder het publiek minimaal is, zoals blijkt uit peilingen. Hoe kan het ook anders als het 'icoon binnen de Haagse journalistiek' zijn werkzaam leven lang heeft gecollaboreerd met degenen die op dat moment politiek belangrijk leken? Van nabij heb ik gezien hoever Max van Weezel gecorrumpeerd was geraakt. Het volgende schreef ik in 2007 over de pro-Israel lobbyist Max van Weezel:

Hun pro-Israel berichtgeving brengt hen ook wel eens in moeilijkheden, zo bleek in juni 2002, toen Amira Hass, de joods-Israëlische correspondente op de Westbank van de Israelische kwaliteitskrant Haaretz, in de Amsterdamse Balie sprak. De bijeenkomst vond plaats onder voorzitterschap van Max van Weezel, die in Nederland wonderlijk genoeg wordt gezien als de deskundige bij uitstek op het gebied van de Israelische politiek. Amira Hass, wier werk door de Israëlische auteur David Grossman is geprezen als ‘een van de zeldzame tekenen van gezond verstand, moed en menselijke waardigheid,’ leeft al jarenlang tussen de Palestijnen in bezet gebied. Dit in tegenstelling tot de Nederlandse correspondenten. De meesten van hen spreken geen Arabisch en gaan zelden of nooit naar de bezette gebieden, met als excuus dat ze zich daar als joodse journalisten niet welkom voelen. 

Nadat Amira Hass ruim een uur lang voor een volle zaal over de Israëlische terreur tegen de Palestijnse burgerbevolking had verteld, stelde Van Weezel de vraag: 

‘Waarom hebben wij in Holland niet enkele van de ontwikkelingen gezien waarover Amira Hass schreef en zag in Gaza en Ramallah? Waarom hebben wij daar nooit over gediscussieerd?’ 

Een luid gejoel steeg op. Een jonge vrouw in het publiek reageerde met de opmerking: 

‘Spreek voor je zelf. Je moest je schamen dat je dit vraagt. Als je het had willen zien dan had je het makkelijk kunnen zien. Veel buitenlandse journalisten hebben daarover geschreven, veel mensen hier zijn in Israël geweest en zagen zelf wat daar gebeurde. Als journalist zou je hebben moeten spreken met de mensen die daarheen gingen en terug kwamen en verhalen te vertellen hadden,’ 

daarbij verwijzend naar onder andere joodse Nederlanders in de zaal die spontaan applaudisseerden. In tegenstelling tot de Nederlandse commerciële massamedia weten degenen die zich in het conflict hebben verdiept, maar al te goed aan welke kant Max van Weezel staat.

De pro-Israel lobbyist doet al het mogelijk om moslims in een verdacht daglicht te plaatsen. Dat is soms zelfs komisch. Zo sprak Van Weezel in 2006 als presentator van het Radio I Journaal over 'Niet Marokkaanse Nederlanders.' De voor de hand liggende impliciete vraag is nu of een fatsoenlijke burger zich bij een 'Niet Marokkaanse Nederlander' veilig kan voelen? En bij een 'Marokkaanse Nederlander,' wat dat dan ook wezen mag? En bij een 'Niet Nederlandse Nederlander,' zoals ik mij begin te voelen? Enige tijd geleden verklaarde Max van Weezel: 

'De belangrijkste levensles die ik heb geleerd gaat over vertrouwen in mensen. Dat kreeg je vroeger mee van je ouders als je net na de Tweede Wereldoorlog werd geboren en joods was. Als ik iemand leer kennen vraag ik me af of ik in tijden van nood bij hem of haar zou durven onderduiken, zou ik me bij deze persoon veilig en geborgen voelen?' 

Dit eeuwig kwalificeren van iedereen. Zou de pro-Israel lobby er nooit moe van worden, ik bedoel van die levenslessen die bijvoorbeeld Max als kind kreeg? 

Een collega van me attendeerde me op een commentaar van de gerenommeerde journaliste Elma Verhey: 

'Islambashing door Vrij Nederland De zogenaamde kwaliteitspers wil wel vaker een loopje nemen met de waarheid, zeker als het om de islam gaat. Maar Vrij Nederland maakte er een marathon van. 'Dit weekend had ik een feestje waar ook veel Turken en Irakezen waren,' schreef politiek commentator Max van Weezel in Vrij Nederland van 10 juni. 'Zelfs daar werd een glas ouzo geheven op Rita Verdonk. Die had Ayaan Hirsi Ali, die de profeet had belasterd, toch maar over de grens gezet! Het is een merkwaardig monsterverbond dat Verdonk steunt.' Heidi Zandbergen, radiojournalist, wees me op het stuk in VN; het was dan ook háár feestje. En ik, net als Max van Weezel en andere (ex)collega’s van VN, waren uitgenodigd. Er waren helemaal geen Turken en slechts één Irakees: het vriendje van Heidi, een Koerd, die kok is in een van de beste specialiteitenwinkels in de Amsterdamse binnenstad. Hij heeft niets met religie en beslist geen glas ouzo geheven op Ayaan/Verdonk, omdat Ayaan 'de profeet had belasterd.' 

Bovenstaande geeft een waarheidsgetrouw beeld van de volstrekt onbetrouwbare wijze waarop Max van Weezel te werk gaat. Het is ook niet overdreven om te stellen dat iemand als ik nooit bij Van Weezel zal 'onderduiken,' en wel omdat ik me bij deze journalistieke collaborateur nooit 'veilig en geborgen'zou voelen. Iemand die voor anderen 'spionage' bedrijft is per definitie omkoopbaar, men dient alleen te weten wat zijn prijs op een bepaald moment is. Dat heet in zijn jargon het 'investeren in je contacten.'  Op de vraag: 'Is het niet te knus' daar rond het Haagse pleintje antwoordde hij sans gêne: 'Jazeker, het is heel knus.' Wellicht het toppunt van deze weerzinwekkende mentaliteit is zijn gecultiveerd slachtofferschap dat tot uiting komt in opmerkingen als '[de] belangrijkste levensles die ik heb geleerd gaat over vertrouwen in mensen.' Van Weezel's verraad blijft binnen de context van het poldermodel onweersproken. In Nederland kan Hoflands 'politiek-literaire elite' openlijk corrupt zijn. In de woorden van het doorgewinterde Haagse vertrekkende boegbeeld van de parlementaire pers zelf:

Je zit dicht op elkaar en dat is niet bevorderlijk voor een gezonde afstand tussen politici, voorlichters en journalisten.


Maar waarom Van Weezel dan bijna vier decennia hieraan heeft meegedaan, blijft verzwegen. Daarom zal ik het maar 'duiden': in het poldermodel dient de kleinburger samen met alle anderen te collaboreren, anders wordt men gemarginaliseerd, en in een klein land is niets ergers denkbaar. Nooit zal hier het besef doordringen dat in 1969 zo treffend werd geformuleerd door de Amerikaanse kritische journalist I.F. Stone:

Lifelong dissent has more than acclimated me cheerfully to defeat. It has made me suspicious of victory. I feel uneasy at the very idea of a Movement. I see every insight degenerating into a dogma, and fresh thoughts freezing into lifeless party line.

Die moed, die grootsheid kent Max van Weezel en de Nederlandse parlementaire pers niet. Iedereen waakt hier over de eigen positie in de hiërarchie, en weet dat als hij/zij een centimeter verschuift alle anderen onmiddellijk opnieuw hun plaats moeten bepalen, en dus blijft alles bij het oude en wordt de status quo gezien als vrijheid. Na vier decennia dit systeem te hebben gediend verklaarde Van Weezel tegenover de Volkskrant:

Veel loopt via voorlichters die dingen zeggen als: je moet mijn minister eens ontmoeten, hij   is veel aardiger dan je denkt. Die gesprekken gaan zelden over de inhoud van het beleid. De parlementaire journalistiek is een veredelde vorm van sportjournalistiek geworden: wie is de winnaar van de dag? Wie is de verliezer?

De verliezer is allereerst en vooral de democratie. Hoe dan ook: de enige echte vraag die voor een politieke buitenstaander als ik overblijft is: hoe kan een redelijk ontwikkeld mens zonder enige waardigheid en zelfrespect leven? Misschien zou u deze vraag eens aan Max van Weezel moeten stellen. Meer later.

Max van Weezel. Exit 3

De oud-CPNer Max van Weezel, maar nu een brave kleinburger. 'Je wilt je plek in de pikorde behouden.' 

In zijn afscheidsinterview als parlementair journalist vertelt Max van Weezel zonder enige schaamte hoe hij zich vele jaren lang liet gebruiken door politici en hun zogeheten 'voorlichters' en desondanks van mening was dat 'het een leuke omgeving [is] om je leven te slijten,' want 'lang leve de recepties met glazen rode wijn en schalen bitterballen.' Voor het 'icoon binnen de Haagse journalistiek' vormt dit het journalistieke paradijs, aangezien 'ik me wel aangetrokken [voel] tot een hedonistisch leven. Het is een soort verlengd studentenbestaan tot  je 63ste.' Een leven vol roddel en achterklap en natuurlijk 'borrels,' op rekening van de 'bontkragen' die bijzonder goed zijn 

in het insteken van onderwerpen. Als voorlichters weten dat het ene dagblad met een negatief verhaal over de partij bezig is, proberen ze een ander dagblad op het idee te brengen een negatief verhaal over een andere partij te schrijven.

Je wéét dat het afleidingsmanoeuvres zijn, maar als journalist ben je blij met de gouden tip. Je wilt je plek in de pikorde behouden. 

Dit cynisme waarbij alles een prijs heeft maar niets een waarde werd het handelsmerk van propagandisten als Max van Weezel, die op de vraag of ook hij 'geregeld' aan deze corruptie van afleidingsmanoeuvres heeft meegedaan, antwoordt:

Best veel. Mijn column stond natuurlijk vol met dergelijke ditjes en datjes…

die morgen alweer vergeten zijn. Het studentikoze bestaan van dit slag mainstream 'journalisten,' bestaat inderdaad uit de trivialisering van de politiek. Al in 1922 stelde de meest vooraanstaande publicist van de VS in de twintigste eeuw, Walter Lippmann, in zijn standaardwerk Public Opinion dat

public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press... Without some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable.

Vandaar dat de almaar borrelende Max van Weezel de wandelgangen door trok om van de 'voorlichters'van de diverse politieke partijen te vernemen wat het 'nieuws is,' dat wil zeggen welke 'public opinions' zij 'for the press' hadden georganiseerd om te voorkomen dat de 'vrije pers' zelf zou bepalen wat politiek relevant was voor het grote publiek. Vandaar dat Van Weezel's door de politieke macht aangestuurde 'ditjes en datjes' voorkomen dat het publiek de context begrijpt van zoiets als de westerse neoliberale politiek van permanent geweld tegen alles en iedereen die haar voortbestaan bedreigt of lijkt te bedreigen. De Amerikaanse hoogleraar Stuart Ewen, gespecialiseerd in Media Studies, schreef in zijn boek PR! A Social History of Spin (1996):

Throughout the pages of Public Opinion, Lippmann had asserted that human beings were, for the most part, inherently incapable of responding rationally to their world... 

Voor de ware macht geldt altijd en overal dat de poortwachters van de gevestigde orde de spanning moeten kortsluiten die van nature bestaat tussen 'critical reason and public discussion,'  en dus dient de 'vrije pers' de status quo te handhaven door 

forging mental agreement among people who -- if engaged in critical dialogue -- would probably disagree. 

Met zijn journalistiek van 'ditjes en datjes' wisten de Max van Weezel's van de mainstream-journalistiek decennialang de aandacht af te leiden van de bedreigingen waarmee ondertussen de hele mensheid wordt geconfronteerd, zoals de baanloze groei, de milieuvernietiging, de gevolgen van de klimaatverandering, de toenemende werkloosheid, de permanente oorlogsvoering, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de bevolkingsexplosie, de toenemende sociale onrust onder de meerderheid van de wereldbevolking die in abjecte armoede probeert te overleven. En ondertussen stak het borrelend 'icoon'van de parlementaire polderpers nog eens een sigaartje op. Had Van Weezel zich daarentegen  verdiept in de geschiedenis van de 'vrije pers' dan zou hij hebben geweten dat over de rol van mainstream-propagandisten zoals hij uitgebreide studies zijn verschenen waarbij bijvoorbeeld professor Ewen erop wees dat

Lippmann added that serious public discussion of issues would only yield a 'vague and confusing medley,' a discord that would make executive decision making difficult. 'Action cannot be taken until these opinions have been factored down, canalized, compressed and made uniform.' […] In its adamant argument that human beings are essentially irrational, social psychology had provided Lippmann -- and many others -- with a handy rationale for a small, intellectual elite to rule over society. Yet a close reading of Lippmann's argument suggests that he was concerned less with the irrational core of human behavior than he was with the problem of making rule by elites, in a democratic age, less difficult. 

Met de komst van de massamaatschappij, de massaproductie en massaconsumptie  werd begin twintigste eeuw de beheersing van de massa een steeds grotere prioriteit voor de elite, een probleem waarvan zowel de nationaal-socialisten als de communisten en de zogeheten democraten zich uiterst bewust waren. Hoe houdt men een massa in bedwang? Vandaar het doorslaggevende belang van de economische macht om te kunnen beschikken over 'betrouwbare' woordvoerders, in de eerste plaats journalisten en politici, die een voor de plutocratie zo gunstig mogelijk beeld van de wereld scheppen. Stuart Ewen citeert Walter Lippmann met betrekking tot dit onderwerp als volgt:

'The process, therefore, by which general opinions are brought to cooperation consists of an intensification of feeling and a degradation of significance.' Before a mass of general opinions can eventuate in executive action, the choice is narrowed down to a few alternatives. The victorious alternative is executed not by a mass but by individuals in control of its energy.

Lippmann hamerde er keer op keer op dat de massa's

have to take sides. We have to be able to take sides. In the recesses of our being we must step out of the audience on to the stage, and wrestle as the hero for the victory of good over evil. We must breathe into the allegory the breath of life.

Het is een perfecte beschrijving van de wijze waarop Max van Weezel de parlementaire journalistiek terugbracht tot simplistische propaganda, de wereld van, zoals hijzelf zo treffend formuleert, 'ditjes en datjes.'  De propaganda van de 'trivial knowledge' heeft serieuze journalistiek in de mainstream media onmogelijk gemaakt. En als de Volkskrant interviewster concludeert 'Best een cynisch verhaal over de Haagse wereld' antwoordt het 'icoon''Tja. Toch is het een leuke omgeving om je leven te slijten.'  Gezien de angstaanjagende problemen waarmee de mens vandaag de dag opgescheept zit spreekt het voor zich dat deze parasitaire houding misdadig is. Het mag dan wel 'een kick' geven 'als Mark Rutte je op je schouders slaat en zegt dat hij je artikel heeft gelezen,' maar dit biedt geen enkele troost, laat staan oplossing voor de bedreigde positie waarin ook in het Westen steeds meer burgers verkeren. Het schouderklopje van Rutte mag dan wel 'verslavend' werken voor de parlementaire polder pers, wat moet het publiek met Van Weezel's 'drive' om door de hoofdaap geprezen te worden? Wat moet de burger met Max's intens kleinburgerlijke opmerking dat hij zo gevoelig is voor aandacht van politici: 

Ik merkte het afgelopen week weer: met journalistenvakbond NVJ waren we in Den Haag op bezoek bij burgemeester Jozias van Aartsen. Iedereen kreeg een handje, maar bij mij was het meteen: 'Hé Max, wat leuk dat je bent gekomen. Je telt toch mee, zij het op Madurodam-niveau.

De kabouters hangen als 'bontkragen' om elkaar heen, ons kent ons, het poldermodel in optima forma, gunstje hier, gunstje daar, een ditje en een datje, een schouderkopje hier en daar, met natuurlijk 'een borrel na,' en deze benepen werkelijkheid van een 'verlengd studentenbestaan' gaf Max van Weezel 'het idee dat ik een druk en bevredigend bestaan leidde.' Net als in het geval van bijvoorbeeld Geert Mak en Barbara Oomen, om slechts twee gevallen te noemen, is Max van Weezel in staat om een werkzaam leven lang in een leugen te blijven leven, zonder enige frictie te voelen. En dus kan laatst genoemde als volgt reageren op de opmerking: 'In 1993 zei u tegen dagblad Trouw dat verdere symbiose van voorlichters en journalisten een halt moest worden toegeroepen''Nou dan heb ik de oorlog verloren,' en wel omdat hijzelf hét voorbeeld bij uitstek is van de parasitaire 'symbiose' tussen corrupte parlementaire journalisten en politici rond het pleintje in Den Haag. Natuurlijk was er nooit sprake van een 'oorlog,' maar van het corrumperende poldermodel van geven en nemen. Toen ik ongeveer 35 jaar geleden de toenmalige fractievoorzitter van het CDA, Ruud Lubbers, daar ging interviewen voor een serie programma's over het begrip arbeidsethos, haalde Lubbers mij bij de ingang op en tijdens de tocht naar zijn zonnige kamer kwamen wij in de wandelgangen Henk van Hoorn tegen, het toenmalige 'icoon' van de parlementaire pers. 'Hé Henk,' riep de fractievoorzitter en sloeg hem amicaal op de schouder. Ik vroeg Lubbers naderhand of 'er hier altijd getutoyeerd wordt,' waarop het antwoord was: 'Ach ja, wij kennen elkaar al jaren. Het is een klein wereldje.' Het was meteen mijn laatste bezoek als journalist aan de Tweede Kamer. Voordat je het weet krijg je een schouderklopje van een politicus die men juist dient te controleren in een democratie. 

Poldermodel leidt onvermijdelijk tot nepotisme. Via zijn vader Henk kreeg zoon Sander van Hoorn een baan in Hilversum. Aldus werkt de continuïteit in Hilversum. Sander functioneert tot volle tevredenheid van zijn bazen als Correspondent NOS Nieuws. Het systeem van onbewuste zelfcensuur werkt daardoor uiterst doeltreffend, het wordt met de paplepel ingegoten. Dit systeem werd helder aangetoond door de Amerikaanse geleerde Noam Chomsky toen hij tegenover de BBC-journalist Andrew Marr het volgende opmerkte:

There's a filtering system that starts in kindergarten and goes all the way through and -- it doesn't work a hundred per cent, but it's pretty effective -- it selects for obedience and subordination.'

Marr: So, stroppy people (dwarsliggers svh) won't make it to positions of influence.

Chomsky: There'll be 'behaviour problems' or... if you read applications to a graduate school, you see that people will tell you 'he doesn't get along too well with his colleagues' -- you know how to interpret those things.

Marr: How can you know that I'm self-censoring? How can you know that journalists are...

Chomsky: I don't say you're self-censoring - I'm sure you believe everything you're saying; but what I'm saying is, if you believed something different, you wouldn't be sitting where you're sitting.

Dit gaat op voor al mijn collega's van de commerciële massamedia van wie ik het werk heb bekritiseerd op deze weblog. Zij geloven inderdaad in wat ze beweren. Het is dus mogelijk om als geschoold mens werkelijk in nonsens te geloven. Chomsky:

If you’ve read George Orwell’s Animal Farm which he wrote in the mid-1940s, it was a satire on the Soviet Union, a totalitarian state. It was a big hit. Everybody loved it. Turns out he wrote an introduction to Animal Farm which was suppressed. It only appeared 30 years later. Someone had found it in his papers. The introduction to Animal Farm was about ‘Literary Censorship in England’ and what it says is that obviously this book is ridiculing the Soviet Union and its totalitarian structure. But he said England is not all that different. We don’t have the KGB on our neck, but the end result comes out pretty much the same. People who have independent ideas or who think the wrong kind of thoughts are cut out.

De westerse massamedia richtten zich op de, in de woorden van Lippmann, 'manufacture of consent,'  zoals Orwell al snel ontdekte. Chomsky:

He talks a little, only two sentences, about the institutional structure. He asks, why does this happen? Well, one, because the press is owned by wealthy people who only want certain things to reach the public. The other thing he says is that when you go through the elite education system, when you go through the proper schools in Oxford, you learn that there are certain things it’s not proper to say and there are certain thoughts that are not proper to have. That is the socialization role of elite institutions and if you don’t adapt to that, you’re usually out. Those two sentences more or less tell the story. 

En vandaar dat de 'voorlichters' decennialang Max van Weezel vertelden wat het 'nieuws' was, waardoor zij konden bepalen wat de grenzen waren van de journalistieke nieuwsgierigheid. De 'bontkragen' mochten bepalen wat de politiek relevante onderwerpen waren, en binnen welke context de 'ditjes en datjes' geïnterpreteerd moesten worden, geheel volgens de lijn die Lippmann al bijna een eeuw geleden in de VS uitstippelde. De kop boven het interview met Van Weezel luidt terecht 'Uitgespit.' Spitten naar de waarheid doet de Nederlandse parlementaire pers niet. Zij is inderdaad 'uitgespit,' ze fungeert slechts als loopjongen en dat vindt zij nog 'leuk' ook, want 'schouderklopjes' en 'borrel na.' Schamen doet de polderpers zich niet, dat kan niet in het poldermodel waar iedereen tezamen door dezelfde deuropening moet. Nederland wordt gerund door een mafia van misselijkmakende middenstanders die zich nu overal hebben genesteld, in de politiek, het bedrijfsleven, de academische wereld en bovenal in de journalistiek. Later meer over de corrupte Max van Weezel en zijn al even corrupte collega's.  


MAANDAG 22 SEPTEMBER 2014


Max van Weezel. Exit 4


Op de vraag wat de kritische journalist Rob Wijnberg van De Correspondent zou vinden  van de opportunistische en zelfs corrupte werkwijze van de mainstream-pers antwoordde Max van Weezel: 

Alles wat hij vertelde tijdens dat interview was kritiek op wat ik mijn hele leven heb gedaan. Hij vindt het hyperig, nep-nieuws, te veel gericht op de poppetjes. Joris Luyendijk heeft de parlementaire pers in 2010 dezelfde spiegel voorgehouden.

Ja, dat komt even hard aan. Er zit namelijk wel wat in. Ik heb me decennialang bezig gehouden met de dingen die op dat moment, op de vierkante meters van het Binnenhof, belangrijk werden gevonden. Als een staatssecretaris in de problemen kwam door een interview, kreeg ik complimenten van collega's. Terwijl nu, dertig jaar later, niemand weet wie die staatssecretaris was.

Het is evenwel niet alleen de journalistiek van de waan van de dag die Van Weezel's activiteiten in de media zo intens vergeefs, oppervlakkig en verwerpelijk maken, het is tevens de wijze waarop hij zijn vak heeft misbruikt voor propagandistische doeleinden. Een voorbeeld daarvan is de manier waarop hij samen met zijn journalistieke partner Leonard Ornstein jarenlang de zionistische terreur verzweeg of vergoelijkte. De gewelddadige Ariel Sharon werd betiteld als 'een lastig iemand, niet echt een tacticus,' een eufemistische typering die door kritische Israeli's als een absurditeit wordt gezien. Voor hen is Sharon een oorlogsmisdadiger en daarover hebben ze uitgebreid en gedocumenteerd geschreven. 

Ik kwam het tweetal een keer in Israel tegen waar Ornstein mij met een knipoog wist te melden dat op de WC van Arafat een fotootje van Hillary Clinton hing. 'Echt waar, we hebben het zelf gezien.' Dat was overigens één van de zeer weinige keren dat het duo in Palestijns gebied was geweest, een rondreis hadden ze er nooit gemaakt. Desondanks waren ze toen bezig met het schrijven van een boek dat als ondertitel kreeg: Achter de schermen van het Vredeproces (2001). Ik was net terug van een rondreis door de Westbank en Gaza en probeerde mijn collega's voorzichtig aan het verstand te brengen dat er in de praktijk geen enkele sprake was van een Vredesproces. En dat kon ook niet omdat - in de woorden van Shlomo Ben-Ami de Oslo Akkoorden‘were founded on a new colonialist basis, on a life of dependence of one on the other, forever.’ Ben-Ami was de Israelische voormalige minister van Buitenlandse Zaken en de belangrijkste Israëlische onderhandelaar bij de Camp David-bijeenkomsten. Maar van dit alles wilden Van Weezel en Ornstein niets weten. Behalve Arafat hadden ze zich gericht op rechtse zionistische politici, en die laatsten vertelden iets heel anders. Toen later bleek hoe erg ze zich door de Israelische propaganda in de luren hadden laten leggen, vertelden ze tijdens een radio-interview verbijsterd te zijn geweest en bleek dus dat Sharon een wel heel erg 'lastig iemand' was om te geloven.

Toen ik eens voor Vrij Nederland een artikel had geschreven waarin ik de onafhankelijkheid in twijfel trok van het opvallend hoge aantal joodse correspondenten in 'het beloofde land,' die voor de Nederlandse commerciële massamedia werkten, schoof Van Weezel zijn zionistische kameraad Ornstein naar voren om in VN met suggestieve opmerkingen mijn betoog niet eens te bestrijden, want feiten blijven feiten, maar verdacht te maken. Een weerwoord werd me niet gegund. Het was nog in de tijd dat Van Weezel en Ornstein in hun weekblad een Israelische moordaanslag waarbij onschuldige burgers om het leven kwamen als 'een knappe surgical action' kwalificeerden. Gewone burgers telden voor het journalistieke duo niet mee, tenminste zolang ze geen joden waren. Het onderhuids racisme van het tweetal was en is nog steeds weerzinwekkend. Het eufemisme voor Sharon, wiens bijnaam ‘the butcher’ is vanwege zijn tactiek als militair en politicus om met name de burgerbevolking slachtoffer te laten worden van grootscheeps Israelisch geweld is daarvan een sprekend voorbeeld. Kritische media berichtten daarover:

Ariel Sharon initiated the Sabra-Shatila massacre in which between 1000 and 3000 people (mostly Palestinians) were murdered, and now leads a terrorist campaign against all Palestinians living in the occupied territories of the West Bank. 

As commander of the notorious Unit 101, Sharon led attacks on Palestinian villages in which women and children were killed. The massacre in the West Bank village of Qibya, on October 14, 1953, was perhaps the most notorious. His troops blew up 45 houses and 69 Palestinian civilians — about half of them women and children — were killed. 

Maar opnieuw, de slachtoffers waren geen joden, en dus een te verwaarlozen detail binnen het raamwerk van het expansionistische zionistisch fascisme. Deze houding van Max van Weezel maakt hem als journalist volstrekt ongeschikt, maar aangezien de mainstream-journalistiek in Nederland per definitie corrupt is kon hij al die jaren onweersproken zijn propaganda bedrijven. Daarentegen weten Joods-Israeli's als Neve Gordon waarover zij schrijven. Gordon is een Joods-Israelische vredesactivist die in een Israelische elite-eenheid diende en zwaar gewond raakte waardoor hij gedeeltelijk invalide is geraakt. In 2003 schreef hij in het Amerikaanse Counterpunch over ‘Sharon’s Preemptive Zeal’ over de 'butcher' dat Sharon

believes in the Greater Israel, and, in order to preempt the possibility of any future agreement based on land for peace, he initiated, as the chair of the government’s Settlement Committee, a massive settlement enterprise. Whereas Israel built 20 settlements between 1967 and 1976, within less than four years Sharon managed to build close to 50 new settlements, totally changing the landscape of the West Bank.
In August 1981, Sharon became Defense Minister. Four years earlier, he had told an Israeli reporter that 'the Arab states are swiftly preparing for war, and we are sitting on a barrel of explosives wasting our time on nonsense. The Arabs,' he continued, 'will launch a war in the summer or the fall.' The war did not come, at least not until Sharon assumed office.
The story of how Sharon led Israel into Lebanon, hoping to establish a puppet government in order to preempt attacks from the north, is by now well known. When Israel finally withdrew its forces 20 years later, thousands of civilians and soldiers lay buried in the ground, hundreds of thousands of people had been displaced, and much of Lebanon was in shatters, but Sharon held on to the logic of the preemptive strike…
Sharon's preemptive logic undercuts all form of dialogue and negotiations. Its rule of thumb is violence, and then more violence, whether it manifests itself as a military attack or as an aggressive act of dispossession.
Maar kritiek op de Israelische terreur blijft voor Van Weezel een aanval op… ja op wat eigenlijk? Het antwoord is: op hemzelf, een klein joods jongetje with a chip on his shoulder, wiens moeder zwaar getraumatiseerd uit de oorlog kwam, waardoor haar zoon Max 'niet zielig gevonden [wilde worden], geen mislukkeling zijn.' 

Vergeleken met kritische Joods-Israeli's als Neve Gordon is de consequentieloze houding  van de Nederlandse zionistische lobby in de mainstream pers, journalisten als bijvoorbeeld Max van Weezel en zijn vriend Leonard Ornstein die zich joods voelen en daardoor solidair zijn met de ‘Joodse staat, buitengewoon laf. Vanuit een veilige en comfortabele positie steunen ze de Israelische agressie. Het duo laat anderen een gewapende strijd uitvechten, zodat zij hun recht op terugkeer niet verliezen. Desondanks verkiezen ze het in Nederland te blijven en moeten Palestijnse burgers bloeden voor de ideologische opvattingen van Max en Leonard die onderdeel menen te zijn van het Joodse volk dat in Israel woont. Ook de vrouw van Max van Weezel, de journaliste Anet Bleich, is een voorbeeld van de alles behalve onafhankelijke houding van de pro-Israel journalisten in de mainstream-pers. Zo schreef zij als Volkskrant-columniste: 

Wat er met Israel ook mis mag zijn, ik voel me verbonden met het land. Het is vervelend als een persoon, club of land waaraan je bent gehecht, grove fouten maakt. Dat geeft een onbehaaglijk gevoel, zelfs iets van plaatsvervangende schaamte.

Hoe 'onbehaaglijk' zij zich voelde, bleek in 2000 na het uitbreken van de Tweede Intifada, toen de Israelische strijdkrachten met grootscheeps geweld, zoals ik zelf als journalist ter plaatse had geconstateerd, talloze burgerdoden onder de Palestijnen veroorzaakte en Anet Bleich stelde dat de 

hoofdverantwoordelijke voor het geweld dat de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook al meer dan een maand teistert 

de Palestijnse leider Arafat was. Nog opvallender was haar volgende opmerking: ‘In hoeverre het Israëlisch tegengeweld inderdaad buitenproportioneel is, durf ik niet te zeggen.’ Het geweld, waarover Bleich het had, bestond voor het overgrote deel uit jonge stenen gooiende Palestijnen. De oorzaken van de Tweede Intifida liet de zionistische journaliste buiten beschouwing, oorzaak en gevolg spelen bij propagandisten nooit een rol zodra dit niet uitkomt. Het ‘tegengeweld’ bestond uit tanks en Israelische scherpschutters, die volgens de richtlijnen ter plaatse Palestijnse kinderen van twaalf jaar en ouder mochten doodschieten, aldus de Joods-Israelische journaliste Amira Hass van de kwaliteitskrant Haaretz. Desondanks trok mevrouw Bleich, die zelf een kind heeft, het feit in twijfel dat er ‘buitenproportioneel’ geweld werd gebruikt door de Israelische strijdkrachten. Hoe karakterloos dit slag journalisten is bleek opnieuw na het verschijnen van Max van Weezel’s boek Op tv of roemloos ten onder (2013) over ‘het oprukken van de mediacratie.’ Zoals bekend is ‘Het begrip mediacratie of media-democratieën uitdrukking van het idee dat democratische landen vooral geregeerd worden door diegenen die de macht hebben om via de media de publieke opinie te beïnvloeden.’ Dat hij en de overgrote meerderheid van de mainstream-journalisten mede verantwoordelijk zijn voor de opkomst van die ‘mediacratie’ verzweeg hij. 

Onschuldige Palestijnse burgers moeten zelfs nu nog opgeofferd worden om de angst en het verdriet van Max van Weezel te verminderen, want verdwijnen zal zijn grote gekweldheid nooit. Hetzelfde geldt voor het gecultiveerde slachtofferschap in Israel dat een eind aan de Joods-Israelische terreur  onmogelijk maakt. Het is dan ook uitgesloten dat de mainstream in Israel zowel als de mainstream onder de joodse Nederlanders, dat blind achter Israel staat, psychisch genezen. Zij zadelen zichzelf en hun nageslacht op met een welhaast erfelijk overdraagbare psychische stoornis. Dat is tragisch en onoplosbaar zolang deze burgers hun identiteit ontlenen aan het slachtofferschap. Dit probleem wordt nog eens verergerd doordat  hun ambitie is gehoord te worden worden. Maar ook al wordt er de hele dag naar hen geluisterd dan nog zal nooit de leegte verdwijnen, waarin het gecultiveerde slachtofferschap hen als willoze zielen heeft gevoerd. Het is vanuit die onzekerheid, die gapende leegte die tot  
Max van Weezel's zelf-ontmaskering leidde. Wanneer de interviewster opmerkt: 'Uw dochter zei: mijn vader is onzekerder dan je denkt,' antwoordt hij:

Daar heeft ze gelijk in. Er was ook een tijd dat ik bloed-arrogant was, maar de laatste jaren ben ik onzekerder geworden over het bestaan als schrijvend journalist.

Opmerkelijk is dat Van Weezel niet doorheeft dat arrogantie en onzekerheid niet elkaars tegengestelden zijn, maar completerend aan elkaar zijn, en dat deze karaktertrek niets te maken heeft met zijn 'bestaan als schrijvend journalist.' Het interview is zo knap geschreven dat naarmate het vordert de lezer steeds meer medelijden krijgt met Max omdat hij zichzelf portretteert in al zijn zieligheid, juist datgene wat hij zijn hele leven heeft proberen te vermijden.  Tegen het einde van het interview verklaart hij:
Ik heb me decennialang verscholen achter de façade van de geslaagde journalist. In Den Haag stonden de Mark Ruttes en Alexander Pechtolds van deze wereld me op de schouders te slaan, 'dag Max.' Daar was ik iemand.
Vervolgens stelt de interviewster, Loes Reijmer, de enige vraag die op dat moment gesteld kan worden, namelijk: 'Wat heeft dat te maken met uw achtergrond.' 
Max van Weezel antwoordt na een 'Harde zucht':

Ik weet het niet. Achteraf denk ik: dat was ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk een tamelijk kwetsbare jongen die door zijn ouders is opgevoed met het idee: heel erg dat je geboren bent, vind je niet? 

Hartverscheurend en tegelijk ontluisterend. Maar weinig mensen kunnen zichzelf zo diep ontluisteren. Van Weezel's werkzame en persoonlijke leven blijkt een leugen te zijn geweest en hij wéét het. Hij heeft een rol gespeeld, maar is nooit zichzelf kunnen zijn, zijn normen en waarden zijn nooit doorleefd geweest, hij heeft zich altijd gezien door de ogen van de ander en nu, na alles wat hij verraden heeft, weet hij alleen nog te concluderen:

Ik neem het mezelf kwalijk dat ik, in tegenstelling tot mensen als Ischa Meijer, Jessica Durlacher of Leon de Winter, mijn verleden er altijd buiten heb gehouden. Dat ik de zogenaamd objectieve samensteller van een bundel was, of alleen anoniem meewerkte. 

In plaats van zich bevrijdt te voelen nu hij zich niet meer kan verschuilen achter een verzonnen identiteit, en zichzelf onder ogen moet zien, zakt hij nog verder weg in de enige rol die hij kent, de rol van het larmoyante slachtoffer dat weigert volwassen te worden, zo kenmerkend voor het echtpaar Durlacher/De Winter. Ik zou mijn collega en generatiegenoot Max van Weezel op het volgende willen wijzen:

Het Vooruitgeloof vernietigde zichzelf definitief tijdens Auschwitz en Hiroshima toen de onschuldigen schuldig werden gemaakt, aan beide zijden, zowel de goede als de kwade. Dat inzicht is onlosmakelijk verbonden met het tragisch levensgevoel dat diametraal tegenover de Verlichting staat. Dit is evenwel niet somber stemmend. Integendeel. De Amerikaanse dichter Robert Fagles schreef in een schitterend voorwoord bij de Engelse vertaling van Sophocles' Oedipus:

ignorance can be remedied, the ignorant can learn, and the force with which Oedipus now reasserts his presence springs from the truth he now understands: that the universe is not a field for the play of blind chance, and that man is not its measure. This knowledge gives him a new strength which sustains him in his misery and gives him the courage needed to go on living, though he is now an outcast, a man from whom his fellow-men recoil in horror… The catastrophe of the tragic hero thus becomes the catastrophe of… man; all his furious energy and intellectual daring drive him on to this terrible discovery of his fundamental ignorance – he is not the measure of all things but the thing measured and found wanting.

Ook in dit opzicht zijn de thema’s van de oud-Griekse tragedieschrijvers 2500 jaar nadien nog steeds actueel.

Sophocles’ play has served modern man and his haunted sense of being caught in a trap not only as a base for a psychoanalytic theory which dooms the male infant to guilt and anxiety from his mother’s breast, but also as the model for a modern drama that presents us, using the ancient figures, our own terror of the unknown future which we fear we cannot control – our deep fear that every step we take forward on what we think is the road of progress may really be a step toward a foreordained rendezvous with disaster. The greatest of these modern versions is undoubtedly Jean Cocteau’s Machine Infernale; the title alone is, as the French say, a whole program. Cocteau also worked with Stravinsky on an operatic version of the Sophoclean play (the text in liturgical Latin), and for a recording of this work he wrote a prologue that sums up his compelling vision of man’s place in a strange and haunted universe. ‘Spectateurs,’ the author says in his forceful, rather nasal voice, ‘sans le savoir…’ without knowing it, Oedipus is at grips with the powers that watch us from the other side of death. They have spread for him, since the day of his birth, a trap and you are going to watch it snap shut… Nothing mortal can resist the changes Time brings: not bodily strength, not friendship between man and man, still less between city and city. No man can be confident of the future; human confidence is based on total ignorance.

Max van Weezel, gemeten naar de kennis van de goden of de natuur, zo je wilt, is ‘human knowledge at its greatest ignorance compared to theirs… It is a universe governed by powers in whose justice man must assert, in ignorance and with little hope of confirmation, a desperate belief. 

De politiek was, is en zal altijd een schijnvertoning zijn, een vertekende afspiegeling van de werkelijkheid, zoals miljarden mensen die elke dag weer doorleven. Nu je dit inziet rest mij alleen nog te zeggen: 'Welkom, onder de mensen. En nu aan het werk, net als ik de werkelijkheid beschrijven, meer valt er niet te doen!!!' Later meer.



DINSDAG 23 SEPTEMBER 2014


Max van Weezel. Exit 5


Wat er in het gezin Van Weezel en in vele andere joodse gezinnen die de oorlog hadden overleefd speelde is zo treffend beschreven door de joods-Canadese tekenares Bernice Eisenstein, die in het aangrijpende Ik was een kind van Holocaust Overlevers (2006) het volgende schreef:

De Holocaust is een drug en ik ben in een opiumkit terechtgekomen. Mijn eerste roes heb ik gratis, argeloos, toegediend gekregen, van iedereen hier. Van de kracht ervan heb ik zojuist een glimp opgevangen, doordat ik mijn ogen liet gaan over de sporen van de naalden op elke linker-onderarm in deze kamer. En vanaf dat moment ben ik verslaafd. Ik zal erachter komen dat er geen eind is aan de dealers die ik weet te vinden voor nog één shot, nog één keer toegang tot die hallucinerende spookwereld. Mijn ouders beseffen niet eens dat ze drugsdealers zijn. Ze zouden zich nooit het soort roes kunnen voorstellen dat H teweegbrengt. Hoe ik ernaar verlang onder te duiken in zijn eindeloze diepte, hoe hij me het huis uit jaagt om in mijn eentje naar de bioscoop te gaan, naar de bibliotheek, waar ik elke film kan zien en elk boek kan lezen dat me aan Holocaust kan helpen. Ik zou hele rollen film, samen met bedrukte boekpagina's, tot een fijn poeder kunnen vermalen, in lijntjes achter elkaar neerleggen en opsnuiven. Toen ik in de twintig was heb ik de roman De laatste der rechtvaardigen van André Shwarz-Bart drie keer geïnhaleerd, alleen maar om steeds weer dezelfde dosis toegediend te krijgen. Hij leidde me naar de ultieme, onovertroffen superioriteit van Primo Levi, die me in een roes achterliet, onder mijn bed, opgekruld als een foetus, nog steeds bibberend om meer...

Er zijn geen grenzen aan hoe ver een geobsedeerde fantasie kan gaan met dit soort dingen. Maar om van die verslaving, die dwang, af te komen, zou ik mezelf moeten blinddoeken, mijn oren moeten dichtstoppen, mijn mond afplakken en de waarheid dat ik zonder de Holocaust niet zou zijn wie ik ben, moeten uitvlakken. Hij heeft me gestigmatiseerd en gebrandmerkt met zijn gestippelde kenteken op mijn onderarm, me onherroepelijk zijn wereld binnengetrokken als zijn nakomeling. Het collectieve geheugen van een generatie spreekt en ik ben gedwongen te luisteren, zijn verschrikkingen te zien en zijn verontwaardiging te voelen.

Dit proces van 'geobsedeerde fantasie' is het logische gevolg van hetgeen de joodse filosofe Hannah Arendt al 65 jaar geleden voorspelde toen ze constateerde

dat vele zionisten er inderdaad van overtuigd waren dat zij joden waren door de vijanden van het joodse volk. Hieruit concludeerden de zionisten dat het joodse volk zonder het antisemitisme in de landen van de diaspora niet overleefd zou hebben; en daarom waren zij tegen elke poging om antisemitisme op grote schaal te vernietigen. Integendeel, ze verklaarden dat onze vijanden, de antisemieten, ‘onze betrouwbaarste vrienden zijn, de antisemitische landen onze bondgenoten.’ (Herzl).

Max van Weezel's leven heeft in het teken gestaan van dat antisemitisme, dat wil zeggen: hij kan als het ware niet zonder. Ook voor hem is de 'Holocaust een drug,' een verslaving, in dit geval aan de angst. Een mens kan aan alles verslaafd raken zolang het maar in een behoefte voorziet. In het Volkskrant-interview wordt duidelijk dat zijn ouders 'als een van de weinigen van de familie' de holocaust overleefden. Zijn 'moeder wilde elke dag over de oorlog praten, vader Van Weezel liep boos de kamer uit zodra dat gebeurde.' Haar zoon Max vertelt vele jaren later tegenover de jonge scherpzinnige Volkskrant-journaliste Loes Reijmer:

Ze had veel meegemaakt: ondergedoken gezeten, haar hele familie verloren. Dan krijg je een rare verstandhouding met je moeder. Ben je trots op haar of heb je medelijden? Ik heb veel uit medelijden gedaan.

De wereld van het kind wordt zodoende op zijn kop gedraaid. De rol van de moeder is niet die van het opwekken van 'medelijden,' maar die van bescherming en liefde bieden aan haar kind, hem of haar het gevoel geven dat hij of zij een organisch onderdeel van het geheel is. Mijn Zeeuwse vader en Schotse moeder waren oorlogshelden, zij vochten met woord en daad tegen de nazi's, maar hoewel zij zwegen over hun oorlogservaringen kwamen ook zij met een stoornis uit die oorlog te voorschijn. Hoewel ik nooit medelijden met ze heb gehad, merkte ik dat ook zij getekend waren door de oorlog. Pas op latere leeftijd begon ik te beseffen dat ik een bepaalde affectie in mijn jeugd heb gemist. Desondanks is mijn leven er nooit door bepaald geweest, ik deed veel uit verzet tegen het onrecht, en beschouw me, met gepaste trots, nog steeds een radicaal die weigert zich te laten corrumperen door status en inkomen. Degene die zich nooit weet los te maken uit zijn/haar jeugdervaringen blijft geketend aan de onvrijheid van het verleden dat nooit meer kan veranderen. Ik heb veel fouten gemaakt, zelfs grote, maar ik kan mijzelf toch in de ogen kijken. Ik verschil wezenlijk van mijn generatiegenoten als Max van Weezel die tegenover de Volkskrant sprak over de benauwende rol die de familiegeschiedenis speelde bij de beslissing om al dan niet een kind te krijgen:

Daar hebben we de eerste vijftien jaar van onze relatie heel serieus over gediscussieerd: moet je na Auschwitz kinderen willen? Kun je het kinderen aandoen om op te groeien in deze wereld? 

De interviewster vertelt:

Nu is het dochter Natascha die met haar interesse in de Tweede Wereldoorlog en Israel haar vader dwingt om ook meer met het verleden bezig te zijn. Ze maakte er een documentair over, 'Elke dag 4 mei,' en werkt aan een boek. 

Max van Weezel zegt daarover: 

Het was een eyeopener, een kind dat zegt: 'Mijn ouders zijn best vreemd, je moet ze thuis eens zien.' Op haar 4de verjaardag zaten alle kinderen hier aan tafel rond een taart, terwijl Anet en ik voor de tv naar het begin van de Golfoorlog zaten te kijken.

Anet Bleich.

En zo herhaalt de geschiedenis zich, 'Elke dag 4 mei,' elke dag dodenherdenking, elke dag Auschwitz, elke dag de onzekerheid van vader Max en moeder Anet, elke dag het cultiveren van het trauma tot het erfelijk overdraagbaar is geworden en het geslacht werkelijk verdoemd raakt. Aan het feit dat de christelijke cultuur hen heeft getraumatiseerd, ontleent het echtpaar nu het recht om de Palestijnse bevolking te traumatiseren.  Het was aan het begin van de Tweede Intifada dat Anet Bleich in de Volkskrant stelde dat de 

hoofdverantwoordelijke voor het geweld dat de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook al meer dan een maand teistert 

de Palestijnse leider Arafat was, terwijl Bleich wist dat er geen sprake was van een Vredesproces, maar dat Israel gewoon doorging met het stelen van Palestijns land en het isoleren door roadblocks van de Palestijnse bevolking. Dit is wat in 2007 de joods-Israelische hoogleraar Edith Zertal hierover tegen mij zei:

Sinds de Oslo-akkoorden in 1993 zijn er meer Joodse nederzettingen gebouwd dan voorheen. Het zogenaamde vredesproces is het middel bij uitstek dat Israël helpt het beleid van de langzame dé-arabisering ten uitvoer te brengen. Daarom zal de wereld de Israëli’s een duidelijke boodschap moeten geven, namelijk: 'als jullie vrede en verzoening willen, zullen jullie allereerst moeten erkennen wat er in 1948 is gebeurd.' (de etnische zuivering door het met geweld verdrijven van rond driekwart van de Palestijnse bevolking svh). De Joden in Israël moeten ophouden het te ontkennen, ze moeten verantwoording voor hun misdaden nemen. Daarnaast zouden ze officieel moeten verklaren dat er een automatisch recht op terugkeer is voor de slachtoffers van de etnische zuiveringen, zoals overigens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken op zijn website bepleit. Alleen in het geval van de Palestijnen verzwijgt Washington de Israëlische etnische zuivering. Een tweede boodschap aan de Israëli’s zou moeten zijn dat ze onmiddellijk moeten ophouden met de politiek van het etnisch zuiveren, die sinds 1948 wordt gevoerd. En de Israëli’s moet duidelijk worden gemaakt dat het ontmenselijken van de oorspronkelijke bevolking slechts tot misdaden leidt. Dit moet niet bij een vermaning blijven, het veroordelen van mijn volk helpt niet, Israëli’s zijn totaal immuun voor veroordelingen, ze lachen erom, want ze weten dat die geen consequenties hebben dankzij het Amerikaanse vetorecht. Alleen een boycot zal effectief zijn. Europa zou 'de Joodse natie' moeten boycotten, net zoals ze deed met Zuid-Afrika toen daar misdaden tegen de menselijkheid werden begaan. Anders gaat het onrecht gewoon door. Sterker nog: er is sprake van een escalatie, op korte termijn zullen de Palestijnen worden geconfronteerd met nog wredere Israëlische beleidsdaden. Het einde van de verdrijvingen uit Palestina is nog lang niet in zicht. Op dit moment stuurt Israël aan op een etnische zuivering van de West Bank en Gaza. Het resultaat van die politiek zal verschrikkelijke reacties oproepen tegen de Joden in Israël en ik durf zelfs te zeggen tegen de joodse gemeenschappen in de rest van de wereld.

Idith Zertal doceert geschiedenis en cultuur aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem en is door haar publicaties in brede kringen bekend. Ze was als hoogleraar verbonden aan zowel de Universiteit van Chicago als aan de prestigieuze École des Hautes Études en Sciences Sociales in Parijs, en doceert momenteel ook aan het Institut für Jüdische Studien van de Universiteit van Bazel. Haar boeken zijn naast het Hebreeuws in het Engels, Frans, Duits en Spaans verschenen. In haar opzienbarende studie Israël’s Holocaust and the Politics of Nationhood (2002) laat de historica zien hoe 

het proces van het heilig verklaren van de Holocaust – dat op zichzelf al een vorm van devaluatie is -- gekoppeld aan het concept van de heiligheid van het land… een vaderland heeft veranderd in een tempel en een eeuwig altaar.

Professor Zertal zet helder uiteen op welke manier de herinnering aan de Holocaust een ideologisch wapen werd voor een verwerpelijke zionistische politiek, en in feite ten koste ging van de ware slachtoffers zelf. 

Terwijl de Israëlische samenleving de herinnering aan de Holocaust nationaliseerde – door leiders en woordvoerders die ‘daar’ niet geweest waren – en organiseerde… in een geritualiseerde, didactische herinnering, die een nationale les uitdraagt in overeenstemming met haar visie, sloot ze de directe boodschappers van deze herinnering uit – zo’n kwart miljoen Holocaust-overlevenden die naar Israël waren gemigreerd.

Het werk van de vooraanstaande Israelische academica wordt door de Nederlandse mainstream-pers doodgezwegen omdat haar analyse niet past in de pro-Israel propaganda. Ik heb haar daarom geïnterviewd voor mijn boek De oneindige oorlog.

Hoewel de Nederlandse journaliste Anet Bleich de Palestijnse leider Arafat in feite de schuld gaf voor het zionistisch geweld tegen de Palestijnse bevolking wist de Israelische politiek top maar al te goed dat dit nonsens was. De beste bronnen zijn natuurlijk de betrokkenen zelf. Dit is wat de joods-Israelische politicus Shlomo Ben-Ami daarover verklaarde: 'in de praktijk waren de Oslo-akkoorden gebaseerd op een neo-kolonialistische basis, op een leven van afhankelijkheid… voor altijd.’ Dat het zogeheten Vredesproces op niets uitliep was volgens hem onvermijdelijk, aangezien de ‘mislukking in de genetische code van Oslo vastgelegd was.' En dat weer was, volgens hem, het gevolg van het feit dat het zionisme niet alleen een nationale bevrijdingsbeweging was voor de joden, maar onlosmakelijk daarmee ‘een beweging om te veroveren, te koloniseren en het vestigen van nederzettingen.’ Voor alle duidelijkheid, Shlomo Ben Ami is een Israelische voormalige minister van Buitenlandse Zaken en was onder premier Barak de belangrijkste Israelische onderhandelaar bij de Camp David-bijeenkomsten. Ben-Ami voegde daar later aan toe: ‘Als ik Palestijn was zou ik Camp David ook afgewezen hebben.’ Die uitspraak haalde nooit de wereldpers. De pro-Israël-berichtgeving onderstreept nog eens hoe succesvol het werk van de pro-Israël-lobby is.

In mijn boek over Israel en Palestina staat tevens een interview met de Amerikaanse hoogleraren John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, de auteurs van de Israël-Lobby (2007), een baanbrekende analyse van de invloed en werkwijze van de machtige Amerikaanse Israël-lobby. Mearsheimer is hoogleraar Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van Chicago, wiens artikelen in onder andere The New York Timesen The Atlantic Monthly verschijnen. Walt is hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de prestigieuze Harvard Universiteit. Laatst genoemde zei tegen mij over de pro-Israel propaganda van de westerse mainstream-pers:

Dat is dan ook de reden waarom de meeste Amerikanen niet weten dat vanaf herfst 1993, toen de Oslo-akkoorden werden ondertekend, tot de herfst van 2000, toen de tweede intifada uitbrak, de Israëlische overheid maar liefst 16.000 hectare Palestijns land kon confisqueren. Bovendien werd in bezet gebied bijna 400 kilometer aan toegangswegen voor de Joodse kolonisten aangelegd, verdubbelde het totale aantal kolonisten en kwamen er 30 nieuwe nederzettingen bij. Daarnaast weigerde Israël de toezegging uit te voeren om gebied terug te geven, en zette een stelsel van militaire controleposten op dat de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking ernstig beperkte en hun economie grote schade toebracht. Let wel, dit is dus allemaal gebeurt tijdens het door president Clinton gesteunde zogenaamde ‘vredesproces’ en is volledig in strijd met het officiële Amerikaanse buitenlandse beleid, dat volgens Washington gebaseerd is op het respecteren van het internationaal recht. Desondanks kon Bill Clinton tegen al die Israëlische schendingen niets effectiefs ondernemen, net zomin als zijn voorgangers dit konden en zijn opvolger dit kon. Sterker nog, de Verenigde Staten heeft de afgelopen 40 jaar het Israëlische nederzettingen-beleid gesubsidieerd. Ook dit bewijst de kracht van de Amerikaanse Israëllobby. De lobby is zelfs in staat het Amerikaanse buitenlandse beleid tegengesteld te laten zijn aan de eigen uitgangspunten. Welke landen steunden bijvoorbeeld onvoorwaardelijk het geweld tegen Irak? Behalve Koeweit, dat door Irak bezet was geweest, was dat alleen Israël. En wie wilden binnen de Verenigde Staten een oorlog? Niet de militairen, niet het ministerie van Buitenlandse Zaken, niet de inlichtingendiensten, ook niet de olielobby, het waren alleen de neoconservatieven met hun nauwe banden met de Israëllobby en de leiders van de lobby zelf. Ze wisten Bush en Cheney ervan te overtuigen dat de illegale inval een uitstekend idee was.

En via deze achtergrondinformatie zijn we weer terug bij de zionistische journalist Max van Weezel, volgens de Volkskrant 'icoon binnen de Haagse journalistiek.' Ook bij hem is sprake van 'het heilig verklaren van de Holocaust – dat op zichzelf al een vorm van devaluatie is,' zoals Edith Zertal dit kwalificeert. Daar komt nog bij dat hoe gruwelijk de Holocaust is geweest, deze genocide absoluut niet uniek is, zoals Van Weezel en Bleich menen. De Zweedse hoogleraar en auteur Sven Lindqvist schreef in zijn boek Exterminate all the Brutes (1996), dat

Auschwitz de moderne industriële toepassing [was] van een politiek van uitroeiing waarop de Europese overheersing van de wereld […] lang heeft gesteund.

Hij voegde hieraan toe dat de

Europese vernietiging van de 'inferieure rassen' van vier continenten de grond voorbereidde voor Hitlers vernietiging van zes miljoen joden in Europa […] Het Europese expansionisme, vergezeld als het was door een schaamteloze verdediging van het uitroeien, schiep manieren van denken en politieke precedenten die de weg baanden voor nieuwe wandaden, die uiteindelijk culmineerden in de gruwelijkste van alle: de Holocaust […] En toen hetgeen was gebeurd in het hart der duisternis werd herhaald in het hart van Europa, herkende niemand het. Niemand wilde toegeven wat iedereen wist. Overal in de wereld waar kennis wordt onderdrukt, kennis die als ze bekend zou worden gemaakt ons beeld van de wereld aan gruzelementen zou slaan en ons zou dwingen om onszelf ter discussie te stellen – daar wordt overal het Hart der Duisternis opgevoerd. U weet dat al. Net als ik. Het is geen kennis die ons ontbreekt. Wat gemist wordt is de moed om te begrijpen wat we weten en daaruit conclusies te trekken.

Dit maakt de moord op zes miljoen joden niet een minder grote misdaad, maar het toont wel aan dat genocide al veel langer een onlosmakelijk onderdeel vormde van de blanke, christelijke politiek, en dat wat met de joden gebeurde alles behalve uniek was. Het van generatie op generatie doorgeven dat 'elke dag 4 mei,' is een politieke daad die de verwerking onmogelijk maakt, en de groei van het individu onmogelijk maakt. Van Weezel  zelf maakt dit onbewust duidelijk wanneer hij stelt:

Ik denk dat ik, om er niet aan onderdoor te gaan, de identiteit heb gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland.

Omdat zijn identiteit zich niet organisch kon ontwikkelen binnen het gezin waarin hij opgroeide, was hij gedwongen een valse identiteit aan te nemen, een geleende identiteit, namelijk die van de succesvolle parlementaire journalist strevend naar schouderklopjes van politici, en die aan het einde van zijn loopbaan ineens ontdekt dat hij geen identiteit bezit, omdat uiteindelijk ook de geleende identiek van de 'geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland' hem ontvalt. Het moet een extra hard gelach voor hem zijn dat zijn column hem is ontnomen nu Vrij Nederland dreigt failliet te gaan en de lezer geen behoefte meer heeft aan de vaak propagandistische stukken van iemand met een valse identiteit. Alle glans is verdwenen, de roem blijkt vervluchtigd te zijn. Hoe nu verder, nu het tragische niet meer te ontvluchten is? Volgende keer meer.



WOENSDAG 24 SEPTEMBER 2014


Max van Weezel. Exit 6



In het Volkskrant-interview van dinsdag 9 september 2014 vertelde het 'icoon' van de 'Haagse journalistiek' Max van Weezel over zijn joodse achtergrond:

als je niet depressief wilt raken of maatschappelijk wilt mislukken, moet je niet met de oorlog bezig zijn. Ik denk dat ik, om er niet aan onderdoor te gaan, de identiteit heb gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland… Ik wil niet zielig worden gevonden, geen mislukkeling zijn.

Maar nu, aan het einde van zijn 'geslaagde' loopbaan, vraagt hij zichzelf publiekelijk af: 

is het geen verloren leven geweest?

Zijn dochter vertelt de interviewster dat haar 'vader onzekerder [is] dan je denkt.' Als 63-jarige is hij gaan twijfelen aan de geleende identiteit die hij als adolescent aannam, en realiseert hij zich:

Ik heb me decennialang verscholen achter de façade van de geslaagde journalist. In Den Haag stonden de Mark Ruttes en Alexander Pechtolds van deze wereld me nop de schouders te slaan, 'dag Max'. 

Nu hij zichzelf in de ogen kijkt, blijkt achter het masker een mens schuil te gaan die hij nooit heeft willen zijn: iemand die 'zielig' gevonden wordt, iemand die medelijden oproept vanwege het feit dat hij een werkzaam leven lang zich verschool achter een 'façade,' om  ineens te ontdekken al die tijd een stroman te zijn geweest voor ontelbare gezichtsloze politici die op het bepaald moment belangrijk leken. 'Nu denk ik weleens: Is het geen verloren leven geweest?' Op het ogenblik dat zijn functie wegvalt, heeft hij niets meer om zichzelf aan vast te houden; zijn imago zal verdampen, over een jaar is hij net zo onbekend als bijna iedere Nederlander, maar dan ook nog een onbekende zonder identiteit. En dat voor iemand die zelf zei dat er een tijd is geweest 'dat ik bloed-arrogant was.'  Ook hier geldt dat ijdelheid zowel uit onzekerheid als uit egocentrisme voortkomt. Het was Miguel de Cervantes die al bijna vijf eeuwen geleden erop wees dat 'zelfkennis u voor ijdelheid zal behoeden.' Maar hoe redt een identiteitsloze zich die zich jarenlang heeft vastgeklampt aan een door anderen geschreven rol? Wat te doen als het masker in stukken valt, de façade ineenstort en de identiteitsloze inziet: 'dat was ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk een tamelijk kwetsbare jongen die door zijn ouders is opgevoed met het idee: heel erg dat je geboren bent, vind je niet?' Plotseling wordt Max van Weezel met een schok geconfronteerd met zichzelf, met de leegte die hij decennialang heeft proberen te ontvluchten door in dienst te staan van de politiek en niet van de journalistiek, van de leugen en niet van de werkelijkheid. Aan het einde van zijn loopbaan vertelt hij een jonge interviewster van een landelijke krant:

Waarom zou je je een leven lang druk maken over de vraag of het kabinet de begroting voor Prinsjesdag rond krijgt, terwijl je thuis bezig bent met Gaza, de Balkanoorlog, de oorlog in Libanon, Rusland en Oekraïne? Ik ben te terughoudend geweest.

Ja, inderdaad, waarom is hij al die jaren gevlucht in de schijnwereld van de polder-politiek, om daar met een sigaar en een borrel de grand seigneur uit te hangen? 


In zijn roman De Conformist beschreef in 1951 de Italiaanse auteur Alberto Moravia zijn hoofdpersoon als een man die 'tot elke prijs' streefde 'naar normaliteit; een wil tot aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm, een verlangen om gelijk te zijn aan alle anderen, omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.' Dat brandende verlangen veroorzaakte 'een zucht tot behagen die aan slaafsheid of aan koketterie grensde,' en resulteerde in collaboratie met het fascisme, een doctrine waarin de conformist niet gelooft, maar die hem wel een normale baan geeft, een functie en daarmee een valse identiteit. Morgen meer. 

WOENSDAG 24 SEPTEMBER 2014


Max van Weezel. Exit 7



Milan Kundera omschreef in zijn essaybundel The Curtain (2007) provincialisme 'as the inability (or the refusal) to see one's own culture in the large context.' De van origine Tsjechische auteur zette vervolgens uiteen dat er twee verschillende soorten provincialisme bestaan, de ene van grote naties en de andere van kleine. 
The large nations resist the Goethean idea of 'world literature' because their own literature seems to them sufficiently rich that they need take no interest in what people write elsewhere. Kazimierz Brandys says this in his Paris Notebooks: 1985-87: 'The French student has greater gaps in his knowledge of world culture than the Polish student, but he can get away with it, for his own culture contains more or less all the aspects, all the possibilities and phases of the world's evolution.' 
Small nations are reticent toward the large context for the exact opposite reasons: they hold world culture in high esteem but feel it to be something alien, a sky above their heads, distant, inaccessible, an ideal reality with little connection to their national literature. The small nation inculcates in its writer the conviction that he belongs to that place alone.
Als geen ander illustreert het werk van Gerard Reve deze mentaliteit, die zo kenmerkend is voor de auteurs uit de polder. Dit verklaart waarom de Nobelprijs Literatuur nooit naar een Nederlander ging, zijn/haar werk is doorgaans eindeloos gezever op de vierkante centimeter, vaak komt men niet verder dan de eigen familie of de eigen straat of werkplek. Het straalt kleinburgerlijkheid uit, het kent geen grootsheid en is alles behalve meeslepend. Dit, opmerkelijk genoeg, in tegenstelling tot de Nederlandse beeldende kunst; bijna elke generatie produceert de polder een schilder of tekenaar van wereldnaam. Dat weten de beeldend kunstenaar maar al te goed. Niet voor niets schreef Peter Vos in 1967 op een tekening van een opgeblazen kalkoen met betrekking tot de geschreven officiële kunstkritiek: 
Wie met jargon bekleed/ een kunstwerk zoekt te duiden/ voor toegestroomde luyden/ bekijkt het met zijn reet.
Het is waar, 'The small nation inculcates in its writer the conviction that he belongs to that place alone,' en dit geldt meer dan waar ook voor het Nederlands provincialisme. Er bestaat hier ook geen intelligentsia die onderdeel uitmaakt van een internationale ontwikkeling, of van een maatschappelijk debat, met als gevolg dat hier het niveau van denken en handelen almaar lager wordt, en geen aansluiting vindt bij de rest van de wereld. Vandaar dat alles in Nederland door een politiek filter wordt getrokken, zelfs als daar geen enkele reden voor is. Vandaar dat journalisten hier zich belangrijker voelen dan intellectuelen. Vandaar dat de parlementaire pers een status heeft gekregen die op niets, werkelijk niets, is gebaseerd. Vandaar dat het 'icoon binnen de Haagse journalistiek,' Max van Weezel kan verklaren dat hij de 'identiteit' had 'gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland,' zonder dat zijn collega's, laat staan de politici, doorhadden dat het 'icoon' een virtuele identiteit had aangenomen en bijna vier decennialang een rol speelde, een toneelstukje opvoerde. Sterker nog: hij werd geloofd, vertrouwd en zelfs bewonderd. Vrijdag 6 juni 2014 maakte de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ)  bekend:
Max van Weezel populair onder leden NVJ
Journalist Max van Weezel wordt door veel NVJ-leden gezien als een geschikt bestuurslid. Dat blijkt uit een digitale ledenraadpleging over de bestuurskandidaten. Er werden 548 stemmen op Van Weezel uitgebracht. De top drie bestaat verder uit Mensje Melchior (347) en Wilma Haan (332 stemmen). De Verenigingsraad van de NVJ kiest 14 juni nieuwe bestuursleden en neemt daarbij de uitslag van de ledenraadpleging in de overwegingen mee. Meer bij de NVJ.
Van Weezel die tegenover de Volkskrant met betrekking tot kritische journalisten verklaarde: 
Toen Luyendijk met zijn boek 'Je hebt het niet van mij, maar…' (2010 svh) kwam, dacht ik eerst: waar heeft hij het over? Maar ja. Nu zie ik wel dat zij de Haagse journalistiek terecht een spiegel voorhouden…
wordt door zijn mainstream-collega's gezien als een topjournalist, terwijl hij zichzelf inmiddels afvraagt: 'is het geen verloren leven geweest?' omdat hij zich 'decennialang' heeft 'verscholen achter de facade van de geslaagde journalist.' Het journalistieke wereldje in Nederland en al helemaal de parlementaire pers rond dat pleintje in Den Haag gelooft evenwel zo erg in haar hermetisch van de buitenwereld afgesloten virtuele realiteit dat zij niet meer in staat is de werkelijkheid van de leugen te onderscheiden. Omdat Nederland geen intelligentsia kent die de werkelijkheid haarscherp verwoordt kunnen de schijn en de nonsens onweersproken doorgaan. Niemand die de Nederlander met woorden een spiegel kan voorhouden, en die dus de tronie van de waanzin laat zien. 
In feite is het leven van Max van Weezel een tragedie, stof voor een groot schrijver. Maar  Nederland bezit een dergelijk talent niet aangezien de Nederlander geen gevoel bezit voor het tragische. De Amerikaanse dichter en vertaler van Griekse tragedies, wijlen Robert Fagles, schreef in een inleiding van Sophocles’ tragedie Oedipus the King:
Oedipus did have one freedom: he was free to find out or not find out the truth… One freedom is allowed him: the freedom to search for the truth, the truth about the prophecies, about the gods, about himself. And of this freedom he makes full use. Against the advice and appeals of others, he pushes on, searching for the truth, the whole truth and nothing but the truth. And in this search he shows all those great qualities that we admire in him – courage, intelligence, perseverance… This freedom to search, and the heroic way in which Oedipus uses it, make the play not a picture of man’s utter feebleness caught in the toils of fate, but on the contrary, a heroic example of man’s dedication to the search of truth, the truth about himself. This is perhaps the only freedom, the play seems to say, but there could be none more noble.

Nederland kent geen literatoren als John Berger die zijn Ways of Seeing  (1972) begon met:
Seeing comes before words. The child looks and recognizes before it can speak. 
But there is also another sense in which seeing comes before words. It is seeing which establishes our place in the surrounding world, ; we explain that world with words, but words can never undo the fact that we are surrounded by it. The relation between what we see and what we know is never settled. 
Ondanks deze vaststelling schrijft en spreekt Berger zijn hele werkzame leven lang buitengewoon scherpzinnig en helder (hij is nu 87) over wat hij ziet, zowel in de beeldende kunst als daarbuiten. Zien gaat inderdaad aan de taal vooraf, een baby kan slechts zien, maar de volwassene kan niet zonder woorden, de taal is de bron waaruit elke auteur drinkt. Het feit dat Nederland nooit een groot schrijver heeft voortgebracht toont aan dat de taal hier nooit het aanzien heeft gehad dat zij in grote cultuurlanden kent. Hier kan iedereen, politici zowel als auteurs, maar wat aan zwetsen zonder ooit ter verantwoording te worden geroepen voor het misbruiken van de taal. De taal speelt in de polder een hoerige rol, het kan betast en verkracht worden zonder dat de intelligentsia er wakker van ligt, en dat terwijl toch bekend is dat de taal de moeder van de gedachte is, niet haar dienstmeid, zoals de grote joods-Oostenrijkse satiricus Karl Kraus in het interbellum opmerkte. Omdat de taal in Nederland de hele geschiedenis door alleen maar een instrumentele handelstaal is geweest kent het geen woorden, begrippen die het grootse uitdrukken, die het tragische tot uitdrukking brengen. Het tragische levensgevoel staat hier diametraal tegenover het geloof in een verlossing via het christendom of via de Vooruitgangsideologie van de Verlichting. De calvinistische ethiek vernietigde niet alleen de beelden, maar ook het taalgevoel. De beeldend kunstenaars wisten dat verlies op grandioze wijze te compenseren, de schrijvers nooit. En met de ondergang van de taal, ging ook het denken, de ethiek, en de esthetiek ten onder.


Het spreekt voor zich dat Max van Weezel, een voormalige communist en sociaal-democraat, met zijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving en zelfs de maakbaarheid van een identiteit, onmogelijk kan aanvaarden dat, zoals Jean Cocteau schreef, wij allen in wezen 'spectateurs sans le savoir…’ zijn, dat wij het universum niet naar onze hand kunnen zetten. Van Weezel eindigt nu waar hij begonnen is, hij heeft de cirkel helemaal afgelegd. Om aan de pijn van het bestaan te ontkomen koos hij, volgens eigen zeggen, 'de identiteit van de geslaagde verslaggever voor Vrij Nederland,' het weekblad dat vandaag de dag met verlies draait, dat vroeger gezag uitstraalde, maar dat op dit moment de oude redactieruimtes aan de Amsterdamse Raamgracht moet ontruimen omdat ze te duur zijn geworden voor het verlieslijdende instituut. Tegelijkertijd kan ook de oud-journalist van het vroegere linkse weekblad zich de status van een valse identiteit niet meer veroorloven. Hij is geworden wie hij vreesde dat hij ooit zou zijn: te weten: 'zielig,' een identiteitsloze, die zich nu moet afvragen: 'is het geen verloren leven geweest?' iemand die beseft dat hij altijd 'eigenlijk een tamelijk kwetsbare jongen' is. Hij is iemand anders dan de rol die hij zijn hele werkzame leven heeft gespeeld, een diep gekrenkte joodse jongen met een chip on his shoulder, die nu noodgedwongen de confrontatie met zijn verleden niet meer uit de weg kan gaan en die 63 jaar oud zichzelf moet zien te vinden. De Volkskrant-interviewster, Loes Reijmer, met de compassie van een vrouw, buigt zich aan het einde van het interview als het ware over Max heen om hem te troosten en zegt: 'Het is niet te laat, toch?' Van Weezel's allerlaatste woorden zijn: 'Ik ben te terughoudend geweest. Maar nee, het is inderdaad nog niet te laat.' 
In die woorden weerklinkt de kern van zijn tragedie. Nog steeds ziet hij zichzelf als  slachtoffer. Maar van wie? In wezen nog steeds het slachtoffer van zijn moeder, van het trauma van de oorlog, van het kwaad dat hem, in zijn ogen, dwong om een rol te spelen, en hem met een geleende identiteit door het leven liet gaan. Van Weezel is een man met de identiteit van iemand die hij niet is, een dubbelganger, de andere ik die voorkwam dat hij werd wie hij diep van binnen altijd is geweest, een 'kwetsbaar' en bang mens. Een volwassen man die de spelletjes van anderen meespeelde om te kunnen overleven en die op deze manier zichzelf geweld aandeed. Hij wilde roem en respect, maar geen persoonlijke verantwoordelijkheid, en ik vrees dat hij de schuld opnieuw buiten zichzelf gaat projecteren, hij kan niet anders. Waar moet hij de kracht vandaan halen om de herinnering aan zijn droevige jeugd daadwerkelijk te kunnen overstijgen? Net zoals zijn moeder heeft hij nooit het verleden verwerkt. Zijn formulering van het eigen vluchtgedrag is onjuist: 'Ik ben te terughoudend geweest.' Terughoudend betekent in deze context: 'bescheidengereserveerdgesloten,' maar de reden waarom hij koos voor de 'identiteit' van 'de geslaagde Haagse verslaggever,' zoals hij zijn rol kwalificeert, was zeker geen bescheidenheid, gereserveerdheid en geslotenheid. Integendeel, hij wilde in de schijnwerpers staan, aanschuiven aan de tafel van politici, hij verlangde naar schouderklopjes, was gevleid door de aandacht die hij kreeg van degenen van wie hij meende dat ze macht hadden, maar die al snel weer onzichtbaar werden zodra ze van het politieke toneel waren verdwenen. Dit ging net zolang door tot hij de kritiek op zijn conformisme en opportunisme niet langer meer kon negeren en hem een 'spiegel' werd 'voorgehouden.' Dat beweer ik niet, dat zegt hijzelf, niet allemaal in dezelfde bewoordingen, maar wel met dezelfde strekking als ik hier schrijf.   

En nu, op zijn 63ste, moet hij een nieuwe identiteit opbouwen, een nieuwe rol instuderen. De Volkskrant:
Begin juli (2014 svh) zat Van Weezel bij de redactievergadering van Vrij Nederland. Hij was nog zoekende naar zijn nieuwe rol en sowieso niet met Den Haag bezig. Israel was net een offensief tegen Hamas begonnen op de Gazastrook, dáár lag hij wakker van. 'Ik kan mijn hoofd niet bij Den Haag houden,' zei hij tegen de andere redacteuren, 'ik zit met mijn gedachten bij Gaza.' 
Gezien de doortrapte wijze waarop hij in het verleden over de zionistische terreur heeft bericht (http://stanvanhoucke.blogspot.nl/2014/09/max-van-weezel-exit-2.html) is het ergste te vrezen, en wel omdat we hier te maken hebben met een poseur, iemand die een rol speelt en die bijna vier decennia met een valse identiteit leeft, en nu op zoek is naar een nieuwe rol, een nieuwe identiteit. Bovendien is zijn gevoel dat hij al die tijd 'te terughoudend' is geweest, dat hij net als 'mensen als Ischa Meijer, Jessica Durlacher of Leon de Winter' zijn joodse 'verleden' had moeten exploiteren. Ook voor Max van Weezel geldt vandaag de dag wat de Joods-Israelische hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Haifa, Benjamin Beit-Hallahmi, schreef in zijn boek Original Sins. Reflections on the History of Zionism and Israël (1998), namelijk
In ruil voor de onbeperkte politieke steun aan Israël hebben de Amerikaanse joden gekregen waaraan het ze het meest ontbreekt: een ideologische inhoud om de leegte van hun identiteit te vullen.
Toen ik professor Beit-Hallahmi maart 2008 interviewde beaamde hij dat hetzelfde geldt voor een aanzienlijk aantal joodse Europeanen. Deze academicus die in de VS, Engeland en Frankrijk doceerde, auteur is van talloze boeken, stelt ondermeer het volgende:
Het lijden van de joden door de eeuwen heen, en speciaal tijdens de Holocaust, is gebruikt om het ontzeggen van Palestijnse rechten te rationaliseren en te rechtvaardigen. Dit is zo doeltreffend gebeurd dat de Palestijnen beschouwd worden als de agressors in het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat gezien wordt als een simpele voortzetting van de eeuwenlange joodse vervolging.

En: 

Diep (of niet zo diep) is iedere zionist zich bewust van de fundamentele immoraliteit van de manier waarop het zionisme de oorspronkelijke bewoners heeft behandeld.

Ik vrees dat ook voor Max van Weezel opgaat dat de zionistische staat hem geeft waaraan het hem 'het meest ontbreekt: een ideologische inhoud om de leegte van hun identiteit te vullen.' We zullen het zien. Er zijn talloze mensen die zichzelf nooit vinden en die hun ressentimenten putten uit de geschiedenis, mensen die niet in staat zijn te leren en die als getraumatiseerden alleen nog maar anderen kunnen traumatiseren. Max van Weezel's 'dochter Natascha van Weezel (1986) leed van haar veertiende tot haar negentiende aan anorexia, overwon de ziekte en schreef daar een intrigerend boek over: Magere jaren. Anorexiadagboek (2007). Er kwam een omslag in haar ziekte door een bezoek aan Auschwitz. In dit boek spaart ze haar ouders niet.' En zo herhaalt de geschiedenis zich. E la nave Va. Tot we definitief schipbreuk lijden. De enige les die wij uit dit alles kunnen leren is dat we nooit een oorlog moeten beginnen en wel omdat de consequenties niet te overzien zijn en zich tot ver in de toekomst uitstrekken. Het kwaad vermenigvuldigt zich en de traumas worden erfelijk door de zwakte van de mens en zijn onvermogen zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden. De mens leert niet: 

‘Ik doe er zelf ook aan mee’
vrijdag 4 december 2009
In dertig jaar tijd is het aantal journalisten op en rond het Binnenhof vervijfvoudigd: van 50 naar 250. De verslaggevers zijn ‘tot de tanden bewapend’ voor het geval er iets gebeurt. Dat heeft geleid tot meer aandacht voor incidenten en personen dan voor politiek-inhoudelijke vraagstukken. Max van Weezel, sinds 1976 parlementair journalist en voorzitter van perscentrum Nieuwspoort, signaleert een geestelijk vacuüm in zijn vak.
http://www.villamedia.nl/achtergrond/artikel/ik-doe-er-zelf-ook-aan-mee/61290/


Maar wie weet, is de generatie die de wereld van ons erft even dapper en volhardend als Natascha van Weezel. Zij bewijst dat het kan.  


Max van Weezel is een geval, iemand die tegen zichzelf beschermd moet worden. 

1 opmerking:

  1. '''De belangrijkste levensles die ik heb geleerd gaat over vertrouwen in mensen. Dat kreeg je vroeger mee van je ouders als je net na de Tweede Wereldoorlog werd geboren en joods was. Als ik iemand leer kennen vraag ik me af of ik in tijden van nood bij hem of haar zou durven onderduiken, zou ik me bij deze persoon veilig en geborgen voelen?' ''


    Bij Max van Weezel, en vele vele vele anderen die in dat soort termen denken, komt het
    nooit ook maar een fractie van een seconde in hen op, dat de vraag niet is of je bij
    iemand zou kunnen onderduiken, maar wie jij, jijzelf, wel of niet onderduik zult
    verschaffen!


    In dat opzicht heeft Van Weezel de schijn tegen, maar dat komt in dat hoofdje niet op.

    BeantwoordenVerwijderen