• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

zaterdag 21 juni 2014

De Mainstream Pers 239


Degenen die mijn weblog regelmatig lezen weten dat ik uiterst sceptisch sta tegenover de bewering van mijn mainstream-collega's dat de journalistiek alles op alles zet om de waarheid boven tafel te krijgen. Het opmerkelijke is dat ook de mainstream pers weet dat ze maar al te vaak de kluit belazert. Zo verklaarde de journalist en bestseller-auteur Geert Mak op vrijdag 2 november 2012: 

Waar blijft, in deze chaos van telkens botsende en elkaar tegensprekende verhalen, de rol van de historicus? Zijn werk is – en ik volg nu de definitie van de Amerikaans/Hongaarse historicus John Lukacs – in de eerste plaats ‘het streven naar waarheid door het uitbannen van onwaarheid.’ Geschiedschrijving kan, zo betoogt hij, nooit ‘objectief’ zijn zoals de exacte wetenschappen – en dat betekent dat geschiedenis geen gespecialiseerde methoden kent en geen eigen specifieke taal. Woorden zijn voor de historicus dan ook meer dan de verpakking van feiten: het gaat minstens zozeer om de formulering, om de associaties die ze opwekken, ja, om het verhaal…

Nemen wij, chroniqueurs van het heden en verleden, onze taak, het ‘uitbannen van onwaarheid,’ serieus genoeg.  Zeker in deze tijd? Ik vraag het me af. Op dit moment vindt op Europees en mondiaal niveau een misvorming van de werkelijkheid plaats die grote consequenties heeft. De eurocrisis is niet alleen een conflict over geldstromen, democratie en het karakter van het toekomstige Europa, het is ook een gevecht om het verhaal. Iets soortgelijks speelt zich af in de Verenigde Staten. En beide gevechten zijn we aan het verliezen.

Inderdaad, ook Geert Mak doet zonder enige terughoudendheid mee aan de 'misvorming van de werkelijkheid.' Maar ik gebruik hem slechts als illustrerend voorbeeld voor de werkwijze van de commerciële massamedia in wat opiniemakers 'de vrije wereld' noemen. Mei 2012 schreef de VPRO-journalist Chris Kijne in Spreek'buis, het inmiddels ter ziele gegane personeelsblad van de Hilversumse omroepen: 

Nederland is, wat de persvrijheid betreft, nog wel een paradijs. Journalisten worden hier niet vermoord of ontvoerd en gemarteld. Ook zijn de belangrijkste nieuwsbronnen nog niet, zoals in de Verenigde Staten, in handen van een paar grote bedrijven die – let op de documentaire Shadows of Liberty, kijk en huiver – onwelgevallig nieuws uit de krant en van de radio en de televisie houden. En we hebben een sterke publieke omroep.

Ik kan geen verwijzing meer geven naar de website waarop Spreek'buis dit had geplaatst, aangezien ook die is verdwenen. Had ik dit niet overgenomen dan zou niemand meer hebben geweten dat Kijne over dit 'journalistiek paradijsje' eerder in hetzelfde blaadje had gesteld:

had u tot voor kort gedacht dat een minister van Financiën er mee weg zou komen wanneer hij tegen de Kamer zei: 'Nee, natuurlijk heb ik u vorige week, toen ik op het punt stond de grootste ingreep in de economie te doen die een minister van Financiën ooit heeft gedaan, niet de waarheid verteld. En als ik volgende week een nog grotere ingreep ga doen, vertel ik het u weer niet.' Is toch gebeurd. Gaat over democratie. En het vreemdste is: we vinden allemaal nog dat Bos gelijk heeft ook. Voor ons journalisten was het natuurlijk niet nieuw dat Wouter Bos ons niet altijd de waarheid vertelde. Wel is het nieuw dat ik op dit moment even niet meer weet of ik wel even hard als vroeger mijn best moet doen om hem die waarheid te laten vertellen. Of er inderdaad niet even een hoger belang is dan 'de waarheid, niets dan de waarheid.'


Kijne doelde daarbij op het 'hoger belang' van de neoliberale elite, die door het decennialang gespeculeer met niet bestaand geld de kredietcrisis van 2008 had veroorzaakt, waarbij wereldwijd tenminste 2 biljoen dollar 'verdampte,'  en de westerse belastingbetalers ontelbare miljarden moesten betalen om hun vertrouwen in de zwendelende bankiers te herstellen. Dit elite-'belang,' dat tevens een economische depressie veroorzaakte, die vergeleken werd met de Grote Depressie eind jaren twintig, was dus 

even een hoger belang dan 'de waarheid, niets dan de waarheid,' 

en 

het vreemdste is: we vinden allemaal nog dat Bos gelijk heeft ook. 

Met de 'waarheid' kan, nee moet zelfs worden gesjoemeld in het kader van een door de 'vrije pers' en de elite verordonneert 'hoger belang,' en dus 

Nemen wij, chroniqueurs van het heden en verleden, onze taak, het ‘uitbannen van onwaarheid’ niet 'serieus genoeg.'

Wat Kijne ‘onwelgevallig nieuws’ beschouwt, dient te worden verzwegen, het publiek moet bedrogen worden, en om deze mentaliteit te rechtvaardigen 'vinden [we] allemaal nog dat Bos gelijk heeft ook.' Maar zodra men de mainstream hierop aanspreekt, wordt er onmiddellijk een rookgordijn opgetrokken. Zo stelde de Kijne naderhand in de Spreek’buis van april 2012 zichzelf de vraag:

‘Wat nu staat de journalistiek te doen in dit geval?’ 

Die vraag wierp hij op nadat was vastgesteld hoe ook de Nederlandse staat was geflest door de bankwereld, en de journalistiek in eerste instantie geen onraad had geroken. Gezien zijn eerdere opvattingen over een 'hoger belang' dan de 'waarheid' beweerde Kijne nu ineens met een verbijsterende brutaliteit dat, let op, de financiële luchthandel scherp in de gaten moet worden gehouden, door journalisten, wel te verstaan:

het is de enige manier om met de materie om te gaan: nauwgezet, langdurig en onbevooroordeeld onderzoek doen naar een wereld die zo groot en belangrijk is geworden dat hij inmiddels bijvoorbeeld de economie van de hele Eurozone in zijn greep heeft.

Ik wijs nogmaals op de pedanterie van Kijne aangezien hij dezelfde journalist is die in 2008 liet weten eraan te twijfelen of het wel zin had het publiek eerlijk te informeren en of de ‘vrije pers’ niet in dienst moest staan van het belang van de neoliberale macht. Natuurlijk is Chris Kijne niet de enige journalist met conformistische opvattingen. Hij was alleen zo eerlijk of onnozel om zijn corrupte houding publiekelijk bekend te maken, misschien wel in de overtuiging dat in een corrupte consumptiemaatschappij, ook de journalistiek corrupt mag zijn. Intussen is mede dankzij de collaborerende houding van de Kijne’s in de massamedia de situatie in de financiële wereld op geen enkele manier wezenlijk veranderd, zoals hij vervolgens zelf schreef, want:

aan dat verschijnsel, in de woorden van Bos de ‘fundamentele oorzaken van deze crisis,’  is dus volgens de voormalig PvdA-leider nog steeds  niets, of in ieder geval veel te weinig, gedaan.

Heb ik toch weer een meninkje:  Als hem en al zijn collega-politici  iets valt aan te rekenen, is het dat.

Kijne's stelligheid is opmerkelijk, aangezien hij zijn eigen corrupte en lakse houding en die van de mainstream journalisten nauwlettend buiten beschouwing laat. Opmerkelijk, omdat de 'vrije pers' niet de fundamentele vraag opwerpt hoe het mogelijk is dat in een zogeheten democratie een zéér kleine ondemocratische elite in staat is te voorkomen dat haar praktijken door democratisch gekozen politici worden gecontroleerd en gecorrigeerd. Ikzelf denk dat dit mede mogelijk wordt gemaakt door de corrupte houding van opportunisten als Kijne die op het moment suprême ervan uitgaan 'even niet meer’ te weten 

of ik wel even hard als vroeger mijn best moet doen om hem die waarheid te laten vertellen. Of er inderdaad niet even een hoger belang is dan 'de waarheid, niets dan de waarheid,' 

en vervolgens zelf niets onderzochten, maar wel allerlei ondoordachte meningen bleven verspreiden. De functie van de ‘westerse pers,’ waar zo vaak zo rooskleurig over wordt geschreven, is een andere dan die algemeen wordt geclaimd door mijn collega's. Een van de grootste ideologen van de commerciële journalistiek, en adviseur van meerdere presidenten, was de Amerikaan Walter Lippmann die al in de jaren twintig van de vorige eeuw erop wees dat 

public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press... Without some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable.

Immers: 

How small our proportion of direct observations is when compared to those observations that are conveyed to us through the media.

Om nu te voorkomen dat de massa, in de woorden van Lippmann, 'a bewildered herd' op hol slaat, moeten de beelden en meningen die de massa krijgt toegediend streng worden geselecteerd, zodat de juiste reflexen worden opgeroepen: 

for the real environment is altogether too big, too complex, and too fleeting for direct acquaintance.

De massamens 

is not equipped to deal with so much subtlety, so much variety, so many permutations and combinations. And although we have to act in that environment, we have to reconstruct it on a simpler model before we van manage with it.

De democratie moet geleid worden door een elite en ‘het publiek moet zijn plaats weten,’ zodat ‘verantwoordelijke mensen… niet gestoord door het gestamp en het gebrul van een verbijsterde kudde’ hun beleid kunnen uitzetten. In een 'democratische maatschappij  is de enige ‘functie’ van de massa ‘onwetende en bemoeizuchtige buitenstaanders’ die van ‘geïnteresseerde toeschouwers,’ aldus de vooraanstaande en gezaghebbende Lippmann. En daarom moet de 'waarheid' zeker niet altijd worden onthuld. De journalist dient de status quo, het 'hoger belang' van de elite, op kritieke momenten te verdedigen, en speelt als zondig daarom de rol van 'De Conformist,' zoals die door Alberto Moravia genadeloos werd geportretteerd. Moravia's conformist leed aan de ‘zucht tot behagen die aan slaafsheid of aan koketterie grensde.’ De mainstream journalist heeft de houding van een mens die ‘tot elke prijs’ streeft 

naar normaliteit; een wil tot aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm, een verlangen om gelijk te zijn aan alle anderen, omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.

Maar dat mag de 'pers' nooit openlijk toegeven, want dan schaadt zij haar imago en verliest zij haar invloed. Dus schreef Chris Kijne eind 2010 met evenveel stelligheid in het personeelsblad van de omroepmedewerkers Spreek'buis dat het hem 'verbaasd heeft dat Joris Luyendijk zich verbaasde' over het feit dat rond dat pleintje in Den Haag 'journalistiek en politiek regelmatig elkaar de hand wassen.'

Natuurlijk verbaast Chris Kijne zich niet over deze corrupte mentaliteit, hij is er zelf het vlees geworden voorbeeld van. Zijn excuus daarvoor schrijft hij in de eerste zin van laatst genoemde column: 'Ik ben geen anarchist.' En zo is het maar net. Chris denkt mee met de macht en beschermt de elite tegen al te veel nieuwsgierigheid van de burger met betrekking tot de meermaals kwalijke praktijken van 'de hooggeplaatsten.' Deze adembenemende kwalificatie is van een andere mainstream journalist, de Volkskrant-correspondent in New York, Arie Elshout. Men dient kennelijk in Nederland een 'anarchist' te zijn om 'de waarheid' over 'de hooggeplaatsten' te willen achterhalen. Vanwege zijn bescherming van een 'hoger belang' concludeerde Kijne eens:

Er is… alle reden om Wikileaks en zijn flamboyante leidsman even omzichtig te benaderen.
Want niet vergeten: 'wij zijn journalisten,' en dienen dus niet 'de waarheid,' maar het 'hoger belang' van degenen met werkelijke macht. Zoveel heeft Kijne wel begrepen,  want een dergelijke letterknecht heeft 'alle reden om Wikileaks en zijn flamboyante leidsman' te wantrouwen. Het feit dat kritische journalisten het spel niet meespelen is voor de mainstream niet alleen verdacht, maar vooral ook bedreigend, want het hun corrupte houding aantoont. En hoe meer WikiLeaks onthult des te duidelijker wordt het dat journalisten à la Chris Kijne de kluit belazeren. Het gevaarlijke hierbij is tevens dat dit slag journalisten elkaar permanent de bal toespeelt. Toen in 2012 de Amerikaanse verkiezingen in aantocht waren, nodigde Kijne niemand anders uit dan... Geert Mak, wiens boek over de VS net verschenen was bij de uitgeverij van de levenspartner van niemand anders dan... Chris Kijne. Ons kent ons, en een dissidente visie wordt niet getolereerd. 
Juni 2012 werd in de VPRO-gids een opvallende vraag opgeworpen. Onder de kop ‘De conformist. Censuur in de polder’ over de ‘conformistische spiraal’ waarin de Hilversumse omroepjournalistiek gevangen zit, stond het volgende:

Journalisten die minder kritisch berichten uit vrees voor hun baan en aan de veilige kant blijven omwille van gevoeligheden en overheden en private partijen die morrelen aan een vrij internet – hoe komen we hier uit en waarborgen we een zo vrij mogelijke pers?

De vraag was zowel legitiem als naïef, aangezien tevens werd gesuggereerd dat er een oplossing zou zijn en dat met twee artikeltjes in een omroepgids de aanzet kon worden gegeven voor een uitweg. Die veronderstelling is absurd, zoals ik in mijn stukjes over de zelfcensuur van ondermeer de televisiejournalist Chris Kijne heb proberen aan te tonen. Het ware probleem van de zelfcensuur in de westerse ‘vrije pers’ is namelijk dat die mentaliteit diep verankerd ligt in het bewustzijn van de doorsnee journalist. Sterker nog: de Kijne’s in de commerciële mediawereld verdringen permanent het sluimerende besef dat ze opportunisten zijn. Ik geef u een simpel voorbeeld. Op verzoek van het radioprogramma Kunststof om een tekst op te schrijven die de geïnterviewde van doorslaggevend belang vond schreef Chris Kijne: ‘Don't follow leaders, Watch the parking meters!’ met uitroepteken om het belang van dit advies nog eens kracht bij te zetten. Het is een regel uit Bob Dylan’s Subterranean Homesick Blues, en gaat over sociaal verzet, met zinnen als ‘You don’t need a weatherman/To know which way the wind blows,’ die de revolutionaire Amerikaanse linkse groepering The Weathermen haar naam gaf. Dat Kijne niet deze laatste regel citeerde is voor de hand liggend: als Hilversumse opiniemaker is hij juist één van de talloze 'weermannetjes' die zijn publiek vertelt uit welke hoek de wind waait, zeker wanneer hij schrijft dat qua ‘persvrijheid’ Nederland ‘een paradijs’ is omdat ‘we een sterke publieke omroep [hebben]’ om vervolgens impliciet te stellen dat ‘onwelgevallig nieuws’ hier absoluut niet ‘uit de krant en van de radio en televisie’ wordt gehouden. In werkelijkheid zijn het juist de nauwe banden tussen de 'vrije pers' en de politieke en economische elite, die de massamedia zo onbetrouwbaar maken. Een schoolvoorbeeld  hiervan verscheen op 22 mei 2014 in de New York Times toen de vooraanstaande mainstream journalist Michael Kinsley in zijn venijnige recensie van Glenn Greenwald's boek No Place to Hide een fundamentele uitspraak deed. Net als Kijne wantrouwt Kinsley (eveneens voor links doorgaand) zogeheten klokkenluiders die staatsgeheimen over illegale praktijken van de overheid openbaar maken. Kinsley stelde:

The question is who decides [what to publish svh]. It seems clear, at least to me, that the private companies that own newspapers, and their employees, should not have the final say over the release of government secrets, and a free pass to make them public with no legal consequences. In a democracy (which, pace Greenwald, we still are), that decision must ultimately be made by the government.
Deze gevaarlijke overtuiging werd op 22 mei 2014 door de Amerikaanse auteur Barry Eisler op de website van  Freedom Of The Press Foundation scherp bekritiseerd:
It's almost like Kinsley… doesn't understand that when voters are no longer choosing their politicians and politicians are now choosing their voters, democracy isn't what's at work. It's almost like he's never heard of former IMF Chief Economist Simon Johnson's argument that modern America is best understood as an oligarchy (pro tip for Kinsley: oligarchies and democracies are not the same thing)… the government knows more and more about the citizenry and the citizenry knows less and less about the government (otherwise known as 'Kinsleyan Democracy')…

Kinsley is a guy who's spent his adult life as a journalist — or at least pretending to be one — and it's as though he has no notion at all of George Orwell's pithy definition: 'Journalism is printing what someone else does not want printed: everything else is public relations.' Now, if Kinsley wants to cede his journalistic autonomy to the government (I think Matt Taibbi would have said 'journalistic balls,' but there is only one Taibbi. I'm halfway through his new book, The Divide: American Injustice in the Age of the Wealth Gap, another study of Kinsleyan Democracy, and it is awesome), that's fine. Kinsley pretty clearly prefers the role of servile government flack to that of independent journalist. But would it really be healthy for the republic if all people calling themselves journalists were in fact doing government PR work? Surely we have enough of that already? […] 


Greenwald never argues that there is no dissent in America or that the First Amendment Kinsley is so keen to abridge is doing nothing to protect free speech. His argument is more akin to what Noam Chomsky has said about propaganda:

'One of the ways you control what people think is by creating the illusion that there's a debate going on, but making sure that that debate stays within very narrow margins. Namely, you have to make sure that both sides in the debate accept certain assumptions, and those assumptions turn out to be the propaganda system. As long as everyone accepts the propaganda system, then you can have a debate.'

Chomsky also had this to say. See if you can recognize Kinsley in here:

'Propaganda very often works better for the educated than it does for the uneducated. This is true on many issues. There are a lot of reasons for this, one being that the educated receive more of the propaganda because they read more. Another thing is that they are the agents of propaganda. After all, their job is that of commissars; they're supposed to be the agents of the propaganda system so they believe it. It's very hard to say something unless you believe it. Other reasons are that, by and large, they are just part of the privileged elite so they share their interests and perceptions.' 

Eisler en Chomsky hebben gelijk. De onverbiddelijke consensus van de mainstream pers is het gevolg van hersenspoeling. De pers gelooft in de 'onwaarheid' die ze verspreidt omdat journalisten langer blootgesteld zijn geweest aan 'propaganda.' Bovendien:


they're supposed to be the agents of the propaganda system so they believe it. It's very hard to say something unless you believe it. Other reasons are that, by and large, they are just part of the privileged elite so they share their interests and perceptions.

En vandaar Kijne's uitspraak over

een hoger belang is dan 'de waarheid, niets dan de waarheid.'

En deze van Geert Mak uit Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika (2012):

Het land fungeerde… decennialang als ordebewaker en politieagent — om maar te zwijgen van alle hulp die het uitdeelde.

En deze van Henk Hofland in De Groene Amsterdammer van 17 juli 2013:

Een indirect resultaat van de voortdurende crisis in het Midden-Oosten is dat in West-Europa een populistisch alarmisme wortel heeft geschoten. Het zaait angst, maar het heeft geen uitvoerbare oplossing. Die ligt in het Midden-Oosten, in de landen die voor het vredestichtende Westen onbereikbaar zijn geworden, zoals de praktijk heeft bewezen.

De propagandisten geloven in hun eigen nonsens, en kunnen niet datgene zien wat onafhankelijke waarnemers wel zien. In werkelijkheid ziet de niet propagandistische 'waarheid' er wezenlijk anders uit, zoals niemand minder dan Zbigniew Brzezinski beschrijft in The Grand Chessboard: America's Primacy and its Geostrategic Imperatives (1997). 

Potentially the most dangerous scenario would be a grand coalition of China, Russia and perhaps Iran, an 'anti-hegemonic' coalition united not by ideology but by complementary grievances… Averting this contingency… will require a display of US geostrategic skill on the western, eastern and southern perimeters of Eurasia simultaneously.

Zbigniew Brzezinski weet, in tegenstelling tot Mak en Hofland, maar al te goed dat elk imperium naar 'suprematie' streeft. Als presidentieel adviseur waarschuwt hij met klem voor een 'anti-hegemonistische coalitie.' De politieke macht in Washington en de economische macht op Wall Street dient daarom koste wat kost deze 'omstandigheid' te 'voorkomen.' Dat de VS streeft naar 'alleenheerschappij' is dus geen vraag, maar een feitelijke gegeven in de Amerikaanse politiek, en onderstreept nog eens de absurde propaganda van de Makken en Hoflanden met hun beweringen als zou de VS 'decennialang als ordebewaker en politieagent' hebben gefungeerd en dat er sprake is van 'het vredestichtende Westen' onder aanvoering van de 'hegemonistische' VS. Voordat ik verder ga, eerst enige informatie over Zbigniew Brzezinski. 


Brzezinski is currently Robert E. Osgood Professor of American Foreign Policy at Johns Hopkins University's School of Advanced International Studies, a scholar at the Center for Strategic and International Studies, and a member of various boards and councils. He appears frequently as an expert on the PBS program The NewsHour with Jim Lehrer, ABC News' This Week with Christiane Amanpour, and on MSNBC's Morning Joe, where his daughter, Mika Brzezinski, is co-anchor…

In August 2007, Brzezinski endorsed Democratic presidential candidate Barack Obama. He stated that Obama 'recognizes that the challenge is a new face, a new sense of direction, a new definition of America's role in the world.' – also saying, 'What makes Obama attractive to me is that he understands that we live in a very different world where we have to relate to a variety of cultures and people.' In September 2007 during a speech on the Iraq war, Obama introduced Brzezinski as 'one of our most outstanding thinkers,' but some pro-Israel commentators questioned his criticism of the Israel lobby in the United States. In a September 2009 interview with The Daily Beast, Brzezinski replied to a question about how aggressive President Obama should be in insisting Israel not conduct an air strike on Iran, saying: 'We are not exactly impotent little babies. They have to fly over our airspace in Iraq. Are we just going to sit there and watch?' This was interpreted by some supporters of Israel as supporting the downing of Israeli jets by the United States in order to prevent an attack on Iran. In 2011, Brzezinski supported the NATO intervention against the forces of Muammar Gaddafi in the Libyan civil war, calling non-intervention 'morally dubious' and 'politically questionable.'

On 3 March 2014, between the 22 February ouster of Ukraine President Viktor Yanukovich and the 16 March Crimean referendum, Brzenzinski authored an op-ed piece for the Washington Post entitled 'What is to be done? Putin’s aggression in Ukraine needs a response.' He led with a link on unsubstantiated Russian aggression; he compared Putin's 'thuggish tactics' and 'thinly camouflaged invasion' to Adolf Hitler's occupation of the Sudetenland in 1938, and characterized Putin as a cartoon Mussolini, but stopped well short of advocating that the US go to war. Rather, he suggested that NATO should be put on high alert and recommended 'to avert miscalculations.' He explicitly stated that reassurances be given 'Russia that it is not seeking to draw Ukraine into NATO.'

In zijn uitgebreid gedocumenteerde boek Full Spectrum Dominance. Totalitarian Democracy In The New World Order (2009) concludeert de Amerikaanse historicus William Engdahl:
When the combined military budgets of the United States and all its NATO allies as well as key Pacific allies Japan, South Korea and Australia were totaled, the US-dominated alliance spent annually $1.1 trillion on their combined militaries, representing 72 percent of the world's total military spending. If sheer dollars and hardware were the sole criteria, the world would long ago have been a helpless vassal colony under US Full Spectrum Dominance. 
The extent of permanent US military bases over theta eight-year period (2000-2008. svh) had expanded enormously from the Middle East to Central Asia to Afghanistan and Pakistan and across Africa. The Pentagon had deployed every weapon in its arsenal: raw military conquest in Iraq; 'soft power' regime change to pro-US dictatorships in former Soviet Republics, Ukraine and Georgia; and support of 'failed states' like Kosovo.
The strategic focus of that overwhelming US military buildup was the control of potential rivals on the Eurasian Continent, most directly, Russia and China.
Om de toekomstige oorlogen over de grondstoffen en markten mogelijk te maken is ook onder president Obama is de opbouw van de Amerikaanse strijdkrachten gewoon doorgegaan. Zo is de VS begonnen met de aanleg van een grote militaire basis in het noorden van het christelijke en blanke bolwerk Australië van waaruit China en Rusland kunnen worden bedreigd. De uitgaven zijn niet precies te bepalen aangezien geheime projecten buiten de democratische controle vallen. In elk geval is wel het volgende duidelijk:

President Obama submitted his 2012 budget proposal to Congress on Valentine's Day, but the debate on efforts to cut spending started weeks earlier. Representative Dennis Kucinich opened it with a call to question the cost of wars.

'We can have a strong defense, but we are spending so much money that we are undermining our ability to be able to provide for the American people here at home,' he said.

'One of the biggest causes of our soaring debt and economic insecurity ends up being Pentagon spending. The budget for the Pentagon consumes more than half of our discretionary spending.' […]
Discretionary spending is the part of the budget governed by the annual appropriation process and debated by Congress. That category includes 'defense' (which does not include all military-related spending), security, agricultural subsidies, education, health programs, highway construction and housing assistance.

Discretionary defense outlays in fiscal 2010, which ended in October, were $689 billion, according to the Congressional Budget Office.

Non-defense outlays were $677 billion, or less than half the total.

For fiscal 2011, the CBO projects an even larger percentage of the discretionary budget -- 58 percent -- is military.

Discretionary spending on the military has been trending up for more than a decade. From 2001 to 2010, it increased by 71 percent -- almost three times the rate of increase in domestic discretionary spending, which rose about 24 percent.

http://www.politifact.com/ohio/statements/2011/feb/18/dennis-kucinich/rep-dennis-kucinich-says-defense-spending-consumes/



Kortom, de militaire opbouw gaat ten koste van het welzijn van de burgersamenleving, en verdwijnt richting een zeer kleine elite, die een steeds agressiever buitenlands beleid bepaalt, omdat niets de verdere uitbouw van de Amerikaanse 'hegemonie' mag belemmeren. Deze informatie wordt door de Makken en de Hoflanden en al die andere zelfbenoemde leden van de 'politiek-literaire elite' in de polder bewust verzwegen. De zelfcensuur werkt perfect. In plaats daarvan vertellen mainstream-opiniemakers als Kockelmann dat de 'meeste Europese landen véél te weinig aan hun defensie-uitgaven [besteden].' En vergeleken met de VS, dat zijn militaire uitgaven tussen 2001 en 2009 verdubbeld heeft, zou klopt dit ook. Maar de vraag is waarom bijvoorbeeld Geert Mak, die oproept om meer aan 'defensie' te besteden, er niet bij vermeldt dat Rusland vergeleken met de VS éénzevende aan bewapening spendeert en China, met een  viermaal talrijkere bevolking, nog geen éénderde. Dit is altijd nog veel minder dan de EU-landen tezamen aan militaire uitgaven besteden. Mak's bewering dat 'meneer Poetin' Europa 'dwingt om meer aan defensie uit te geven' is natuurlijk onzinnig en relatief. Vergeleken met het feit dat '58 procent' van het 'toewijsbare federale budget' naar de militaire zaken gaat, 'besteden' de EU-landen inderdaad 'véél te weinig aan hun defensie-uitgaven,' maar vergeleken met de Russen en Chinezen geeft 'Europa' in feite 'véél' te 'véél' uit aan het militair-industrieel complex. En wanneer er, zoals de Makkianen eisen, hiervoor nog meer geld wordt uitgetrokken, zal ook dit, in een tijd van voortgaande bezuinigingen, net als in de VS ten koste gaan van volkshuisvesting, onderwijs, kunsten, wetenschappen, gezondheidszorg, bejaardenzorg, uitkeringen etc. Voor een miljonair als Geert Mak is dit geen probleem, maar wel voor miljoenen anderen die de dupe van zijn voorgestelde verspilling zijn. Interessant in dit verband is de inzet van Nederlandse militairen in Mali, een Afrikaans land. Waarom moet Nederland in Afrika de neoliberale orde handhaven? Later meer.


Iraq Insurgency: Who's controlling who as ISIS gains momentum?




Obama knielt voor Saoedische vorst. Bekend is dat de Saoedische koninklijke familie de fundamentalistische ISIS-terroristen financieel en met wapens steunt. Het land staat op de vierde plaats wat betreft wapenaankopen en staat ver bovenaan de wereldranglijst wat betreft het percentage van het bruto binnenlands product dat aan militaire aankopen wordt verspild. Geestelijk en cultureel verkeert de elite van het land nog in de Middeleeuwen, maar militair is het een geavanceerde buitengewoon gevaarlijke natie.



Robert Parry 2

Reviving the ‘Successful Surge’ Myth

Exclusive: The military offensive by Sunni extremists driving into the heart of Iraq has brought the neocons out of the shadows to blame President Obama, by arguing that they had “won” the war before Obama “lost” it, a deeply engrained false narrative of Official Washington, says Robert Parry.
By Robert Parry

A beloved myth of Official Washington – especially among Republicans, neocons and other supporters of the Iraq War – is the fable of the “successful surge,” how President George W. Bush’s heroic escalation of 30,000 troops in 2007 supposedly “won” that war; it then follows that the current Iraq disaster must be President Barack Obama’s fault.
The appeal of this myth should be obvious. Nearly every “important” person in the U.S. foreign policy establishment and the mainstream media endorsed the illegal invasion of Iraq in 2003 — and such well-placed and well-paid people do not like to admit that their judgment was so bad that they should be disqualified from holding any responsible position forever.
Sen. John McCain, R-Arizona, and Sen. Lindsey Graham, R-South Carolina, appearing on CBS' "Face the Nation."
Sen. John McCain, R-Arizona, and Sen. Lindsey Graham, R-South Carolina, appearing on CBS’ “Face the Nation.”
Further, since almost no one who promoted this criminal and bloody enterprise was held accountable after Mission Accomplished wasn’t, these opinion leaders were still around in 2007 at the time of the “surge” and thus in a position to cite any positive trends as proof of “success.” Many are still around voicing their august opinions – the likes of Sen. John McCain, former Vice President Dick Cheney and neocon theorist Robert Kagan – so they still get to tell the rest of us how really great their judgment was.
On Wednesday, McCain fulminated from the Senate floor, accusing Obama of squandering the  “surge,” the success of which he deemed a “fact.” Cheney – along with his daughter Liz – accused the President of “securing his legacy as the man who betrayed our past and squandered our freedom.”
Kagan, who pushed for an invasion of Iraq as early as 1998, attacked Obama for withdrawing U.S. troops from Iraq — and not committing the U.S. military to the civil war in Syria. Kagan told the New York Times: “It’s striking how two policies driven by the same desire to avoid the use of military power are now converging to create this burgeoning disaster” in Iraq.
But the core of the neocon narrative is that the 2007 “surge” essentially “won” the war in Iraq and that an open-ended U.S. military occupation of Iraq would have kept a lid on the sectarian violence that has periodically ripped the country apart since Bush’s invasion overthrew Saddam Hussein in 2003.
There is much wrong about this narrative, including that it was Bush who signed the timeline for total U.S. withdrawal in 2008 and that the Iraqi government insisted that U.S. troops depart under that schedule at the end of 2011. But the greatest fallacy is to pretend that it was Bush’s “surge” that achieved the temporary lull in the sectarian violence and that it achieved its principal goal of resolving the Sunni-Shiite divisions.
Any serious analysis of what happened in Iraq in 2007-08 would trace the decline in Iraqi sectarian violence mostly to strategies that predated the “surge” and were implemented by the U.S. commanding generals in 2006, George Casey and John Abizaid, who wanted as small a U.S. “footprint” as possible to tamp down Iraqi nationalism.
Among their initiatives, Casey and Abizaid ran a highly classified operation to eliminate key al-Qaeda leaders, most notably the killing of Abu Musab al-Zarqawi in June 2006. Casey and Abizaid also exploited growing Sunni animosities toward al-Qaeda extremists by paying off Sunni militants to join the so-called “Awakening” in Anbar Province, also in 2006.
And, as the Sunni-Shiite sectarian killings reached horrendous levels that year, the U.S. military assisted in the de facto ethnic cleansing of mixed neighborhoods by helping Sunnis and Shiites move into separate enclaves – protected by concrete barriers – thus making the targeting of ethnic enemies more difficult. In other words, the flames of sectarian violence were likely to have abated whether Bush ordered the “surge” or not.
Radical Shiite leader Moktada al-Sadr also helped by issuing a unilateral cease-fire, reportedly at the urging of his patrons in Iran who were interested in cooling down regional tensions and speeding up the U.S. withdrawal. By 2008, another factor in the declining violence was the growing awareness among Iraqis that the U.S. military’s occupation indeed was coming to an end. Prime Minister Nouri al-Maliki was demanding a firm timetable for American withdrawal from Bush, who finally capitulated.
Woodward’s Analysis
Even author Bob Woodward, who had published best-sellers that praised Bush’s early war judgments, concluded that the “surge” was only one factor and possibly not even a major one in the declining violence.
In his book, The War Within, Woodward wrote, “In Washington, conventional wisdom translated these events into a simple view: The surge had worked. But the full story was more complicated. At least three other factors were as important as, or even more important than, the surge.”
Woodward, whose book drew heavily from Pentagon insiders, listed the Sunni rejection of al-Qaeda extremists in Anbar Province and the surprise decision of al-Sadr to order a cease-fire as two important factors. A third factor, which Woodward argued may have been the most significant, was the use of new highly classified U.S. intelligence tactics that allowed for rapid targeting and killing of insurgent leaders. In other words, key factors in the drop in violence had nothing to do with the “surge.”
And, beyond the dubious impact of the “surge” on the gradual reduction in violence, Bush’s escalation failed to achieve its other stated goals, particularly creating political space so the Sunni-Shiite divisions over issues like oil profits could be resolved. Despite the sacrifice of additional American and Iraqi blood, those compromises did not materialize.
Plus, if you’re wondering what the “surge” and its loosened rules of engagement meant for Iraqis, you should watch the WikiLeaks’ “Collateral Murder” video, which depicts a scene during the “surge” when U.S. firepower mowed down a group of Iraqi men, including two Reuters journalists, as they walked down a street in Baghdad. The U.S. attack helicopters then killed a father and wounded his two children when the man stopped his van in an effort to take survivors to the hospital.
However, in 2008, the still-influential neocons saw an opportunity to rehabilitate their bloody reputations when the numbers of Iraq War casualties declined. The neocons credited themselves and the “successful surge” with the improvement.
As the neocons pushed this “successful surge” myth, they were aided by the mainstream news media, which also had promoted the ill-fated war and was looking for a way to bolster its standing with the public. Typical of this new conventional wisdom, Newsweek published a cover story on the “surge” under the title, “victory at last.” To say otherwise brought you harsh criticism for not giving credit to “the troops.”
The Myth’s Consequences
Thus, the myth grew that Bush’s “surge” had brought Iraqi violence under control and the United States to the brink of “victory.” Gen. David Petraeus, who took command of Iraq after Bush yanked Casey and Abizaid, was elevated into hero status as a military genius.
Also, Defense Secretary Robert Gates received the encomium of “wise man” for implementing the “surge” after Bush fired Donald Rumsfeld in November 2006 for standing behind his field generals and suggesting a faster U.S. troop drawdown in Iraq. (At the time, many Democrats, including then-Sen. Hillary Clinton, misinterpreted Rumsfeld’s dismissal and Gates’s hiring as a sign that Bush would wind down the war when it actually signaled his plan to escalate it.)
With the “successful surge” conventional wisdom firmly established in 2008, media stars pounded Democratic presidential nominee Barack Obama for his heresy in doubting the “surge.” In major televised interviews, CBS News’ Katie Couric and ABC News’ George Stephanopoulos demanded that Obama admit he was wrong to oppose the “surge” and that his Republican rival, Sen. McCain, was right to support it.
For weeks, Obama held firm, insisting correctly that the issue was more complicated than his interviewers wanted to admit. He argued that there were many factors behind Iraq’s changed security environment. But ultimately he caved in while being interrogated on Sept. 4, 2008, by Fox News’ Bill O’Reilly.
“I think that the surge has succeeded in ways that nobody anticipated,” Obama confessed to O’Reilly. “It’s succeeded beyond our wildest dreams.”
Obama apparently judged that continued resistance to this Washington “group think” was futile. Candidate Obama’s surrender on the “successful surge” myth also was the first sign of his tendency to cave in when faced with a misguided Washington consensus.
His capitulation had other long-term consequences. For one, it gave Gen. Petraeus and Defense Secretary Gates inflated reputations inside Official Washington and greater leverage in 2009 (along with Secretary of State Hillary Clinton) to force President Obama into accepting a similar “surge” in Afghanistan, what some analysts view as Obama’s biggest national security blunder. [For details, see Robert Parry’s America’s Stolen Narrative.]
The Iraq War’s “surge” also did nothing to change the trajectory of what amounted to a major American national security failure. Perhaps the only real accomplishment of the “surge” was to let President Bush and Vice President Cheney enjoy a “decent interval” between their departure from government in early 2009 and the unceremonious U.S. departure from Iraq in late 2011. That “decent interval” was purchased with the lives of about 1,000 U.S. soldiers and countless thousands of Iraqis.
In the final accounting of the neocon adventure of conquering Iraq, nearly 4,500 American soldiers had died; some 30,000 were wounded; and an estimated $1 trillion was squandered. What was ultimately left behind was not only a devastated Iraqi nation but an authoritarian Shiite government (in place of Saddam Hussein’s authoritarian Sunni government) and an Iraq that had become a regional ally of Iran (rather than a bulwark against Iran).
The hard truth is that the bloody folly of the Iraq War was not “salvaged” by the “surge” – despite that preferred Washington narrative. As thrilling as it might be to think back on the heroic President Bush and the brave neocons bucking the anti-war pressures in 2007 and saving the day, the harsh reality is that another 1,000 U.S. soldiers and many more Iraqis were sent to their deaths in the cause of creating a politically useful myth.

Investigative reporter Robert Parry broke many of the Iran-Contra stories for The Associated Press and Newsweek in the 1980s. You can buy his new book, America’s Stolen Narrative, either in print here or as an e-book (from Amazon and barnesandnoble.com). For a limited time, you also can order Robert Parry’s trilogy on the Bush Family and its connections to various right-wing operatives for only $34. The trilogy includes America’s Stolen Narrative. For details on this offer, click here.

American Terrorism

US Providing “Lethal” Support to Syrian Rebels

By Agence France-Presse
June 07, 2014 "ICH" - "AFP" - - -  President Barack Obama’s top foreign policy advisor Susan Rice on Friday said Washington was providing “lethal and non-lethal” support to select members of the Syrian opposition, offering more detail than usual on US assistance.
Top Obama administration officials typically decline to say exactly what equipment, arms or ammunition the United States is providing to moderate Syrian opposition forces.
But President Barack Obama said in a major foreign policy speech last week that the United States would “ramp up” support for rebels fighting President Bashar al-Assad.
National Security Advisor Susan Rice said in an interview with CNN while she was traveling with Obama to D-Day 70th anniversary celebrations in Normandy that she was heartbroken about the carnage in Syria’s civil war.
“That’s why the United States has ramped up its support for the moderate vetted opposition, providing lethal and non-lethal support where we can to support both the civilian opposition and the military opposition.”
Officials normally publicly refuse to comment on exactly what they are doing to train opposition groups.
National Security Council spokeswoman Caitlin Hayden declined to say whether Rice was announcing a new US policy by apparently being more open on US assistance.
“We’re not in a position to detail all of our assistance, but as we’ve made clear, we provide both military and non-military assistance to the opposition,” Hayden said.
Signs of a deepening commitment to Syrian rebels come three weeks after Obama met the head of the opposition National Coalition, Ahmad Jarba in Washington last month.
Officially, US support for rebel fighters in Syria has been limited to non-lethal aid amounting to $287 million, though the CIA reportedly participates in a secret programme to train moderate rebels in Jordan.
Opposition leaders are particularly dismayed that the United States has balked at providing anti-aircraft missiles to rebels, fearing they could fall into the wrong hands.
The Wall Street Journal has reported that Obama is ready to sign off on training missions for selected rebel groups, to counter the rising power of Al-Qaeda-linked extremists.

http://www.informationclearinghouse.info/article38729.htm

Joodse Lobby Eist Weer Oorlog


Dear Friend,
Seal the Deal by July 20With less than 30 days until the deadline for nuclear negotiations with Iran, AIPAC is now pushing a Congressional letter suggesting lawmakers would refuse to lift ANY sanctions on Iran even if there is a nuclear deal!
If Congress chooses to block a historic deal that prevents war, all because they refuse to trade in any sanctions, it would be disastrous.
That's why NIAC is working with 25 other national organizations to warn that such a stance could kill the nuclear talks and calling on Congress to clarify this is not their letter's intent.
But your elected representatives must also hear from you. Please take a moment to sign our“Seal the Deal” petition and share it with your friends so that we can build momentum for a diplomatic agreement.
We’ve never been this close to securing peace, but now is the most important moment to take action and help seal the deal.

>> SIGN THE SEAL THE DEAL PETITION 

Thanks,
Jamal Abdi
NIAC Policy Director