Guantánamo Bay, 2008. Er was een kunstles gepland, maar de docente kwam niet opdagen. Misschien was ze ziek. Of had het haar toch verstandiger geleken niet af te reizen naar een geïmproviseerd gevangenkamp in het zuidoosten van Cuba om daar een groep mannen – door de Amerikaanse regering uitgeroepen tot de ergste mensen ter wereld – de grondbeginselen van compositie bij te brengen. Wat haar reden ook was, een van de bewakers nam de les over. Hij zou deze mannen iets bijbrengen over kunst. Misschien niet degenen die uit protest tegen hun detentie hun eigen stront tot ballen hadden gerold en die door de gleuf van hun isoleercellen naar hem hadden gegooid, maar degenen die zich hadden gedragen.

Onze gids blijft de hele rondleiding door het kamp hameren op de vermeende voorrechten van de ‘gevangenen’ en op de talloze altruïstische daden van hun bewakers. Kamp 4, een gevangenis met middelzware beveiliging, is bestemd voor gevangenen die als ‘coöperatief’ worden beschouwd en beschikt over een kleine uitleenbibliotheek. Er zijn kleine rubberen pennen die zo buigzaam zijn dat ze niet als steekwapen kunnen worden gebruikt; op de grond geschilderde pijlen wijzen in de richting van Mekka; er hangen waslijnen; er is een onverhard voetbalveld. Maar het allerbelangrijkste voorrecht in Kamp 4 is de gemeenschap: de gevangenen mogen hier samenleven.

Kampen 5 en 6 zijn gevangenissen met maximale beveiliging, naar Amerikaans model. Volgens een gedenkplaat bij de ingang zijn ze gebouwd door het Amerikaanse conglomeraat Halliburton. Hier verblijven de ‘niet-coöperatieve’ gevangenen tot wel 23,5 uur per dag in isoleercellen. In die cellen hangt naast het smalle metalen bed en toilet een kleine metalen haak aan de muur. Die is zo ontworpen dat hij omlaag klapt wanneer hij te zwaar wordt belast, zodat de gevangenen zich niet van het leven kunnen beroven. In een van deze kampen zou de kunstles plaatsvinden.

In 2008 reis ik voor mijn werk acht keer naar Guantánamo Bay, voornamelijk om verslag te doen van de voorbereidende zittingen in de zaak tegen Omar Khadr. Hij is een Canadees die na een vuurgevecht in Afghanistan werd gevangengenomen en ervan werd beschuldigd een hospik van de speciale eenheden te hebben gedood. Hij was vijftien toen hij werd opgepakt en naar Gitmo, zoals het detentiecentrum kortweg heet, werd gebracht. De daaropvolgende tien jaar van zijn leven bracht hij daar door in afwachting van zijn proces.

Journalisten die naar Gitmo afreizen moeten eerst een veiligheidsonderzoek ondergaan. Vervolgens gaan ze dan meestal naar Clinton, Maryland, waar ze vertrekken vanaf Joint Base Andrews. Voor mijn eerste reis kom ik belachelijk vroeg aan, zo nerveus dat ik sta te trillen, maar alles verloopt soepel. Bij de gate krijg ik te horen dat ik naar een nabijgelegen parkeerterrein moet gaan. Daar wacht een kleine bus. Binnen in de bus zit een groep verslaggevers, allemaal opvallend formeler gekleed dan ik had verwacht voor een plek als Gitmo. De buschauffeur vraagt me of ik op de vlucht van vandaag hoor te zitten. Ik zeg van wel. Zonder duidelijke reden berispt hij me omdat ik te laat ben.

Een paar minuten later rijden we het platform op, recht naar de trap van Air Force One, en besef ik dat ik in de verkeerde bus ben gestapt. Alle glimlachen verstijven wanneer ze de woorden horen: ‘Hallo, ik ben Omar en ik hoor vandaag niet mee te vliegen met de president.’

De vlucht naar Gitmo duurt uiteindelijk langer dan normaal. Het vliegtuig is een van die logge Hercules-transportvliegtuigen. In plaats van door het Cubaanse luchtruim te vliegen maakt het een wijde boog en nadert het eiland vanuit het zuiden. We komen aan op een stuk grond dat Cubaans noch Amerikaans is: een niemandsland waar, buiten het bereik van de wet, een twijfelachtig rechtssysteem is opgetrokken. De militaire rechtszaal in Guantánamo Bay is een steriele ruimte. De verslaggevers zitten in een apart vertrek achter glas, met een vertraagde geluidsverbinding die kan worden uitgezet wanneer iemand iets zegt wat de rechters als vertrouwelijk beschouwen. Talloze conventies en normen die in elke andere Amerikaanse rechtszaal gelden, bestaan hier niet. De namen van belangrijke getuigen blijven geheim, bewijsmateriaal wordt achtergehouden, verklaringen van horen zeggen worden als bewijs geaccepteerd.

Op een keer zien we dat een advocaat herhaaldelijk wordt berispt en uiteindelijk bedreigd met een aanklacht wegens minachting van de rechtbank, omdat hij de naam van een getuige blijft herhalen die hij slechts met rang en initiaal mocht aanduiden. De advocaat blijft handelen volgens de rechtsregels die hij kent.

Keer op keer wordt dit alles gerechtvaardigd met de dreiging die deze gevangenen zouden vormen: geheimhouding, censuur, een behandeling die indruist tegen de fundamentele rechtsbeginselen van het land. In werkelijkheid is de meerderheid van hen nooit voor enig strafbaar feit aangeklaagd, laat staan veroordeeld. De Amerikaanse overheid erkent dat velen van hen geen enkele bedreiging vormden en tijdens de koortsachtige beginjaren van de war on terror ten onrechte zijn gevangengezet.

Met relatief gemak zouden vrijwel alle gevangenen in Guantánamo op elk moment kunnen worden overgebracht naar gevangenissen op het Amerikaanse vasteland. Daarmee zou dan eindelijk een einde komen aan de beschamende situatie van Guantánamo. Maar telkens als dit idee wordt geopperd, slaan wetgevers alarm over het risico om de gevaarlijkste, meest kwaadaardige mensen op aarde ook maar in de buurt van het land toe te laten. Na bijna een kwart eeuw zijn de meeste gevangenen inmiddels op leeftijd en broos. Ze lijden aan zo veel verwondingen en ziekten dat een van de opslagruimtes in Kamp 5 tijdens ons bezoek vol stond met kunstbenen. Maar dat doet er niet toe. Welke misdrijven hun ook ooit ten laste zijn gelegd, uiteindelijk wordt hun behandeling een aanklacht die zichzelf in stand houdt. Als ze het Westen al niet haatten vóór deze verloren jaren, waarom zouden ze het nu niet haten? Wat is de verjaringstermijn voor wrok, voor woede, voor wraak?

Een van mijn vagere herinneringen uit mijn vroege tienerjaren is dat we bij een vriend thuis naar een overduidelijk illegaal gekopieerde Betamax-versie van Red Dawn keken. Het is een slechte film. De film vertelt over een groep tieners die zich verzetten tegen sovjettroepen die de Verenigde Staten binnenvallen. Uitgebracht in het begin van de jaren tachtig maakt de film deel uit van een lange reeks waarin taaie Amerikaanse underdogs de strijd aangaan met het sovjetimperium: ogenschijnlijk onoverwinnelijk, maar uiteindelijk gewoon te verslaan. Een paar decennia later gaven de Russen het stokje van de slechterik door aan mensen die op mij lijken.
Van een imperium was in ons geval geen sprake. Wij opereerden als een kleinschalige, sluipende dreiging, met minder tanks en straaljagers en meer zelfmoordaanslagen. Het maakte niets uit: Red Dawn met Arabieren in plaats van sovjets als slechteriken zou nog steeds een waardeloze film zijn geweest.

In 2012, bijna dertig jaar nadat ik het origineel voor het eerst had gezien, vond iemand het nodig een remake te maken. Deze keer was er geen sovjetimperium meer dat de Verenigde Staten binnenviel, dus kregen de Chinezen die rol toebedeeld. Ook dat maakte weinig uit. Het gaat niet om geopolitieke geloofwaardigheid, maar om negentig minuten opgeklopte Amerikaanse vastberadenheid tegen een schijnbaar onoverwinnelijke vijand. Nooit terugdeinzen. Nooit opgeven. Dat soort werk.

Er was echter één probleem: China heeft een enorme markt voor films. Uit angst miljoenen aan kaartverkoop mis te lopen veranderden de producenten op het laatste moment de schurken. In de uiteindelijke versie van de Red Dawn-remake valt Noord-Korea de Verenigde Staten binnen. Altijd een goed teken wanneer je in de montage een dragende pijler van het verhaal kunt veranderen zonder dat het iemand opvalt. Ik moet denken aan een man uit een van mijn oude schrijfgroepen die, bang dat zijn verhaal te weinig vrouwelijke personages had, met een zoek-en-vervang actie elke ‘Sam’ veranderde in ‘Samantha’. Daarna paste hij de voornaamwoorden aan en liet verder alles bij het oude.

Ook dat maakte niet veel uit. Behalve dat het op den duur wél uitmaakt: de schrijnende kloof tussen het cultureel zelfbeeld en de praktische realiteit. In een essay uit 2016 beschrijft Roy Scranton, voormalig soldaat, hoe hij Star Wars kijkt terwijl hij in Bagdad gestationeerd is.

Op dat moment moet hij onder ogen zien wat het Amerikaanse zelfbeeld verlangt: een narratief waarin zijn land de rebel, het verzet is. Maar alles om hem heen wijst op iets anders. In omvang, schaal en doel van het geweld is dit land het imperium. Een van de belangrijkste voorrechten van leven in dit land is het vermogen twee tegenstrijdige gedachten tegelijk vast te kunnen houden. De eerste is de overtuiging dat de natie handelt in overeenstemming met de gerechtvaardigde vechtlust van de underdog. De tweede is het onuitgesproken besef dat de machtigste natie in de menselijke geschiedenis geen underdog is, onmogelijk een underdog kan zijn, maar dat het immense geweld dat in die tegenstrijdigheid besloten ligt altijd een ander zal treffen.

Ik heb dit type mens al heel vaak gezien. Het neemt bijna een heilige plaats in binnen de Amerikaanse cultuur en wordt van alle kanten bekrachtigd, van Monday Night Football tot de Country Music Awards. Iemand die zichzelf graag ziet als regelbreker, ontembaar en wild, maar die in de volgende ademtocht zonder aarzeling elke vorm van staatsmacht omarmt. Ik heb de Punisher-sticker op autoruiten en bumpers gezien, de gestileerde Amerikaanse vlag met de dunne blauwe lijn: ik ben een outlaw. Iedereen die de politie niet gehoorzaamt, verdient het te worden gedood.

Mijn eerste impuls is die tegenstrijdigheid te bespotten, maar er is geen tegenstrijdigheid, niet echt. De kern van deze identiteit is geen conformisme of non-conformisme, maar eigenbelang. Wie zowel het narratief van Amerikaanse opstandigheid als de werkelijkheid van Amerikaans gezag omarmt, begrijpt dat beide hem dienen. De man in de actiefilm ziet er anders uit dan de man die de politie zojuist bij een verkeerscontrole heeft neergeschoten.

Het huis van de familie Abu Shamala na een Israëlische luchtaanval op het Bureij-kamp in het centrale deel van de Gazastrook, 20 mei© Moiz Salhi / Anadolu / Getty Images

Eind december 2023 dient de Zuid-Afrikaanse regering bij het Internationaal Gerechtshof een aanklacht wegens genocide in tegen Israël. Die aanklacht steunt op Israëls grootschalige vernietiging van ziekenhuizen en zorginstellingen en op de blokkade van humanitaire hulp. Volgens Zuid-Afrika vormen beide het bewijs dat niet slechts één terreurorganisatie wordt bestreden, maar dat een geheel volk wordt getroffen. Een aanzienlijk deel van het Zuid-Afrikaanse verzoekschrift baseert zich op uitspraken van Israëlische functionarissen zelf, onder wie premier Benjamin Netanyahu, die verwijst naar het goddelijke bevel in het Oude Testament tot de volledige vernietiging van Amalek.

Onder degenen die hebben opgeroepen tot beëindiging van het meedogenloze geweld roept deze aanklacht tegenstrijdige emoties op. Allereerst is er simpelweg opluchting dat een officiële instantie daadwerkelijk iets onderneemt. Keer op keer, in gesprekken met vrienden, van wie sommigen familieleden hebben verloren in deze geweldsgolf, bekruipt je het gevoel dat je gek wordt. Je kunt de verwoestingen zó overduidelijk zien. De vermoorde kinderen worden gefilmd en aan de wereld getoond.

Toch hoor je de leiders van vrijwel alle westerse landen volhouden dat zoiets niet gebeurt, dat wat er wél gebeurt goed en rechtvaardig is en moet doorgaan, ja, zelfs dat het welzijn van het Palestijnse volk dat vereist. Je zou bijna aan je verstand gaan twijfelen. Zelfs als de zaak die is aangespannen bij het Internationaal Gerechtshof uiteindelijk niet meer blijkt te zijn dan een louter symbolische, kansloze geste, vormt ze in elk geval een korte onderbreking van de schaamteloze dubbelzinnigheid en het orwelliaanse karakter van dit alles.

Ten tweede dringt het besef door dat het juist een land als Zuid-Afrika is dat deze stap zet. Een land dat door en door vertrouwd is met het wrange mechanisme van apartheid, waar controleposten en met geweld afgesloten woongebieden geen abstracties zijn, maar tot voor kort de dagelijkse realiteit vormden: een verleden waarvan iedereen nu, vanuit de veiligheid van het heden, beweert het altijd te hebben bestreden.

(Ik vermoed dat iedere Arabier weet hoe irreëel het is te verwachten dat de naaste buren van Palestina deze zaak voor het Internationaal Gerechtshof zouden brengen. Voor het groepje autoritaire leiders dat de Arabische wereld grotendeels bestuurt, valt er weinig te winnen bij het daadwerkelijk steunen van een bevolking die zo bedreven is in verzet tegen onderdrukking, uit vrees dat dit vermogen tot verzet besmettelijk zou kunnen blijken. Met loze retoriek valt daarentegen alles te winnen. Zo word je in vrijwel elke Arabische hoofdstad begroet door enorme Palestijnse vlaggen aan de gevels en op reclameborden. Tegelijk weet iedereen dat dit, afgezien van het bezweren van de zeer reële woede onder de eigen bevolking, weinig meer behelst dan symboolpolitiek: er is zelden bereidheid werkelijk iets te riskeren, gevoelige belangen te schaden, handelsovereenkomsten op het spel te zetten of de toorn van een supermacht uit te lokken.)

Naast opluchting en erkenning is er nog iets ingewikkelders: het besef dat het westerse systeem zelden tot echte zelfkritiek in staat is. Wie kan dat wel? Wie kan dat ooit, met zo veel macht?

Wachten tot een westerse rechterlijke instantie zich uitspreekt over een door het Westen gefinancierde en goedgekeurde slachtpartij betekent onvermijdelijk moeten blijven toekijken. Toekijken naar hoe een ontwrichtend ballet van onmogelijke verzoeningen zich voltrekt. Dat narratief ligt verankerd in grondwetten, verklaringen en handvesten. Ze worden telkens weer aangehaald als een bewijs van de superioriteit van deze wereld boven de rest van de wereld. Dat narratief eist morele zuiverheid, verzet tegen onrecht en naleving van het principe dat alle onschuldige levens gelijkwaardig zijn en recht hebben op een waardige behandeling. De realiteit is echter dat een bondgenoot van het Westen tienduizenden burgers doodt en dat het politiek ongelegen komt om dit nu verkeerd te noemen, terwijl het maanden-, jaren-, zelfs decennialang als volkomen acceptabel werd beschouwd.

En dus moeten we toekijken hoe de Canadese premier een machteloos toneelstuk opvoert: hij verklaart dat zijn regering het Internationaal Gerechtshof volledig steunt, maar niet het uitgangspunt van de Zuid-Afrikaanse zaak, wat een dergelijke gekunstelde retoriek ook mag inhouden. We moeten toekijken hoe de Duitse regering Israël voor het Internationaal Gerechtshof verdedigt, terwijl haar politie in naam van de strijd tegen antisemitisme joodse demonstranten arresteert die tot een staakt-het-vuren oproepen.

Op termijn zal worden vastgesteld dat er genocide is gepleegd. Er zullen zelfs aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd. Het internationaal recht, hoezeer ondermijnd ook, zal blijven functioneren alsof het voor iedereen in gelijke mate geldt, alsof een misdaad ook dán een misdaad blijft wanneer de machtigen haar steunen, financieren of plegen.

Uiteindelijk heeft het geen zin om keer op keer te blijven schreeuwen tegen het kille, geïsoleerde centrum van de macht: wees wat je beweert te zijn, al is het maar één keer in je leven.

Op dit soort momenten is de neiging groot een beroep te doen op het eigenbelang, om te waarschuwen dat de gruweldaden die jullie toestaan op een dag ook bij jullie zullen aankloppen, om het bekende citaat in herinnering te brengen over wie ze eerst kwamen halen en wie er daarna nog overbleef om te spreken. Maar zo’n beroep is in feite ineffectief. Als mensen die gedijen binnen een systeem dat zulke slachtpartijen tolereert werkelijk zouden geloven dat ze er op een dag zelf het slachtoffer van kunnen worden, zouden ze dat systeem onmiddellijk ontmantelen. Tegen de tijd dat het zover is, zijn de meesten van hen toch al dood.

Nee, er wacht jullie in een verre toekomst niets verschrikkelijks. Het verschrikkelijke gebeurt nú al met jullie. Er wordt van jullie gevraagd een deel van jezelf te doden, het deel dat anders zou opstaan en schreeuwen tegen onrecht. Er wordt van jullie gevraagd je geweten te negeren. Wat doet het ertoe als diplomatieke berekening jullie vraagt de schouders op te halen bij de aanblik van verminkte kinderen? Wat maakt het uit als jullie afstand tot het met bloed besmeurde epicentrum jullie toestaat onverschillig te blijven? Vergeet medelijden. Vergeet desnoods de doden. Verzet je tenminste tegen de roof van je ziel.

In de zomer van 2014 begon ik met het schrijven van mijn debuut American War, een speculatieve roman die zich afspeelt in de jaren 2070, over de nasleep van een tweede burgeroorlog. Ik heb het nooit echt als een uitgesproken Amerikaans boek beschouwd, maar eerder als een poging om verhalen van elders te projecteren op het hart van het imperium.

Ongeveer drie weken nadat ik het eerste concept had afgerond, stelde Donald Trump zich kandidaat voor het presidentschap. De roman verschijnt uiteindelijk in april 2017 en wordt bijna unaniem gelezen als een uitgesproken Amerikaans verhaal, een letterlijke voorspelling van de richting die het land uitgaat. Er ontstaat een biedingsstrijd om de filmrechten. Keer op keer vertellen leidinggevenden van productiebedrijven me hoe doeltreffend de roman dit moment in het Amerikaanse leven heeft vastgelegd, terwijl ik alleen maar kan denken dat het precies andersom is. Eerder heeft het Amerikaanse leven zelf de roman ingehaald. Het woord ‘gevaarlijk’ valt opvallend vaak, steevast als compliment.

In januari 2024 ontvang ik een e-mail van de regisseur die American Warzou verfilmen. Hij laat weten dat hij en het productiebedrijf zich uit het project terugtrekken. ‘Voorzichtigheid gebiedt dat dit niet het moment is om films te maken over vrijheidsstrijders of terroristen (ongeacht aan welke kant van het debat je staat)’, schrijft hij.

Enkele weken eerder vertelt een bevriende auteur me dat haar optreden bij een kleine boekenclub is geannuleerd: de organisator zegt dat ze ‘achter Israël staan’. Ze is Amerikaans, half Egyptisch, half Schots.
Een overzichtstentoonstelling van een Palestijnse kunstenaar aan de Universiteit van Indiana wordt abrupt gesloten. Wie oproept tot een staakt-het-vuren wordt gedegradeerd, ontslagen of als antisemiet of terrorist weggezet.

Het voelt allemaal zo kleinzielig; er staat zo weinig op het spel. Elders worden volledige familielijnen uitgeroeid; in onze beschutte omgeving hebben wij last van inkomensverlies, ingetrokken uitnodigingen, kille blikken van mensen die in een andere tijd misschien trots op zichzelf waren geweest omdat ze een ‘bruine’ vriend hadden. Soms horen we van gevallen waarin die stille repercussies omslaan in openlijk geweld, soms zelfs met dodelijke afloop. Maar meestal is het een gestage stroom van herinneringen aan je plek in de hiërarchie, net genoeg om je later te voegen naar wat degenen van wie de goedkeuring ertoe doet aanvaardbaar achten.

Naarmate het aantal slachtoffers stijgt, zie ik dit steeds vaker: deze kneedbaarheid van opvattingen. Tijdens een schrijversresidentie aan de kust van Oregon lees ik de proloog van dit boek voor; een paar dagen later besluit een van de andere schrijvers een gesprek aan te knopen. ‘Ik ben geen zionist. Maar ik ben ook geen antizionist. Alles is ook zo ingewikkeld’, zegt ze. Ik heb geen idee wat ik moet zeggen.

Een oprekbare mening kan goed van pas komen. Daarom voegen zo veel links-liberale Amerikaanse politici af en toe een verwijzing naar bezorgdheid over Palestijnse burgers toe aan hun verklaringen van onvoorwaardelijke steun aan Israël. Mocht het geweld politiek belastend worden, dan kunnen ze dat deel van de verklaring eenvoudig uitbreiden, zoals je een eettafel vergroot om meer gasten te kunnen ontvangen dan je had verwacht. En het is belangrijk dat deze amorele afweging evenredig stijgt en daalt met de omvang van het aantal doden, zodat je altijd kunt zeggen: ‘We hadden nooit kunnen weten dat het zo erg zou worden, maar nu, nu is alles veranderd.’

Het werkt bijna verfrissend wanneer je geconfronteerd wordt met het lelijkste en tegelijk eerlijkste gezicht van westerse onverschilligheid. Het gezicht dat zich terdege bewust is van de omvang en ernst van de gruwel, maar dat desondanks als volledig gerechtvaardigd en noodzakelijk ziet. Ik ken dat gezicht ook. Het verschijnt in talkshows en kijkt je aan vanaf opiniestukken. Daar wordt al dan niet eufemistisch gesteld dat de wereld waarin je het hele jaar door avocado’s kunt kopen en je iPhone steeds krachtiger wordt, en waarin je nooit hoeft te leven in de angst dat een bezettingsmacht je familie met raketten uitroeit, dezelfde wereld is waarin een als onbelangrijk beschouwde groep mensen die je nooit zult ontmoeten eenvoudigweg moet sterven.

Ongeacht hoeveel walging deze vergelijking misschien ook oproept, veel mensen weten dat ze waar is. Dit is de wereld die wij hebben gecreëerd: een wereld waarin een bevoorrechte, onverzadigbare minderheid consumeert, en het beste waarop de rest kan hopen, is niet zelf geconsumeerd te worden. Niet zonder reden grijpen de machtigste landen op aarde niet in om een genocide te stoppen, maar zijn ze wel bereid een van de armste landen ter wereld te bombarderen om een zeeroute open te houden.

Hoelang kan een geruststellend verhaal standhouden? Als de feiten worden gepresenteerd zonder duiding en zonder herkenbare context, alsof acteurs het script lezen en een rol moeten kiezen, hoeveel Amerikanen kiezen dan instinctief voor de rol van de Palestijn die een einde aan de bezetting eist? Van de Zuid-Afrikaan die een einde aan de apartheid eist? Hoeveel Amerikanen zouden willen geloven dat zij – zoals hier altijd zo graag wordt geloofd – de kant kiezen van de underdog, de rebel tegenover het imperium? En wanneer dat alles vervolgens weer botst met de onverbiddelijke werkelijkheid van de wereld zoals die is, hoeveel van hen zouden dan – zich bewust van de grenzen van de verhalen die ze zichzelf voorhouden – instinctief terugkeren in de behaaglijke schoot van het imperium?