zaterdag 20 april 2019

Ian Buruma's Gebrek aan Logica 43


Dinsdag 9 september 2014 kon de Volkskrant-lezer één van de meest ontluisterende interviews lezen die de afgelopen tien jaar in een Nederlandse mainstream-krant werd gepubliceerd. Onder de kop:

Het tijdperk Van Weezel is voorbij. Journalist Max van Weezel blikt terug op bijna veertig jaar Den Haag,

luidde de inleiding: 

Parlementair journalist Max van Weezel deed veertig jaar lang verslag van de vierkante centimeters op het Binnenhof. Nu dat tijdperk ten einde is, beschouwt hij opnieuw de journalistiek,’

waarna de zelf-ontmaskering van Van Weezel onmiddellijk begon met de volgende vernietigende anecdote:

Voor het radioprogramma Argos interviewde Max van Weezel onlangs Rob Wijnberg, hoofdredacteur van De Correspondent. Het gesprek ging over mediahypes, hijgerige journalistiek en beeldvorming. 'Dat interview was wel een eyeopener,' zegt Van Weezel (63). 'Ik was van plan hem heel kritisch te ondervragen, maar hij blies me omver met zijn visie op de journalistiek. Ik vond het een inspirerend verhaal.'  

Verderop in het interview zette het ‘icoon’ van de parlementaire polderpers uiteen waarom hij dit zo’n ‘inspirerend verhaal’ vond: 

Alles wat hij (Wijnberg. svh) vertelde tijdens dat interview was kritiek op wat ik mijn hele leven heb gedaan. Hij vindt het hyperig, nepnieuws, te veel gericht op de poppetjes. Joris Luyendijk heeft de parlementaire pers in 2010 dezelfde spiegel voorgehouden.

Ja, dat komt best hard aan. Er zit namelijk wel wat in. Ik heb me decennialang bezig gehouden met de dingen die op dat moment, op de vierkante meters van het Binnenhof, belangrijk werden gevonden.

Op de vraag of hij voorafgaand aan de kritiek van de journalisten Luyendijk en Wijnberg daar nooit aan gedacht had, antwoordde Van Weezel met een opvallende onnozelheid:

Nee. Toen Luyendijk met zijn boek ‘Je hebt het niet van mij, maar…' kwam, dacht ik eerst: waar heeft hij het over? Maar ja. Nu zie ik wel dat zij de Haagse journalistiek terecht een spiegel voorhouden en zeggen: waren dat nou wel zo'n heldendaden?

Niet ondanks, maar juist dankzij zijn onvermogen om daadwerkelijk de doortraptheid van de Haagse politiek in een bredere context bloot te leggen, herdacht de voltallige Tweede Kamer op dinsdag 16 april de parlementair journalist Max van Weezel. Het Algemeen Dagblad berichtte:

Met zijn overlijden heeft Nederland een ‘meesterjournalist en markante persoonlijkheid’ verloren, zei Kamervoorzitter Khadija Arib, 

terwijl enige dagen eerder al premier Mark Rutte vol lof had gesproken over Van Weezel, en de kleine Max karakteriseerde ‘als journalist gevreesd, maar als mens geliefd.’ Rutte beschouwde hem al: 

decennialang als één van de toonaangevende stemmen in de Nederlandse parlementaire journalistiek.

De premier roemde Van Weezel als scherp analyticus, altijd goed ingevoerd, en bovenal een meesterinterviewer met humor. ‘Max was een Haagse vedette zonder sterallures. Over de jaren heen hebben we een wederzijdse band van respect en persoonlijke waardering opgebouwd,’ aldus de minister-president verder in zijn boodschap.


Het is verstandig om bij zoveel lof van opportunistische politici voor een journalist die de doortraptheden van volksvertegenwoordigers had moeten blootleggen, toch even stil te staan bij de werkelijkheid. Max van Weezel zelf zei september 2014 in antwoord op de vraag van Volkskrant-interviewster Loes Reijmer wat hij al die decennia had gedaan ‘als u in Den Haag was’ het volgende:

Vooral gezellige dingen. Boekpresentaties met een borrel na, symposia met een borrel na, conferenties met een borrel na — alles in Den Haag heeft een borrel na. Het draait om socializen: niet de hele dag op de perstribune zitten.

LR: ‘Op safari’ noemen sommige Haagse journalisten dat.

Inderdaad. Of even langs 'de bontkragen': de voorlichters, de bontkraag om politici heen. Die vraag je of er nog nieuws is. Politici en voorlichters proberen ook weer via journalisten informatie over andere partijen te weten te komen. 'Zullen we even een kopje koffie drinken, Max?,’ luidt het verzoek dan — vaak wordt er bier bedoeld. 'Wij hebben het gevoel dat Diederik (Samsom, red.) niet zo goed ligt bij zijn fractie, denk jij dat ook?,’ zegt iemand van D66 vervolgens.

LR: Wat zijn ze dan aan het doen?

Bedrijfsspionage, via jou. En daar doe je als Haags journalist weleens aan mee in de hoop er iets voor terug te krijgen. Een exclusief interview met Pechtold, bijvoorbeeld. Je moet investeren in je contacten en daarbij hoort dat journalisten ook veel vertellen.

In Den Haag zijn de rollen langzamerhand omgedraaid, merk ik. Vroeger liepen journalisten achter politici aan, nu lopen zij achter jou aan. Journalisten hebben een beter netwerk, die trekken de hele dag door de wandelgangen.

LR: Is het niet te knus?

Jazeker, het is heel knus.

Loes Reijmer: In 1993 zei u tegen dagblad Trouw dat verdere symbiose van voorlichters en journalisten een halt moest worden toegeroepen.

Nou, dan heb ik de oorlog verloren. In de jaren negentig was de schok groot. Plotseling stond rond Wim Kok een haag van ambitieuze jongetjes die de boel overnamen, dat had de PvdA weer afgekeken van de Amerikaanse en Britse politiek. Voor die tijd belden journalisten van NRC, de Volkskrant of Vrij Nederland een minister gewoon op en stelden eisen: 'We willen een interview. Drie ronden van elk drie uur. Niet op kantoor, we doen het alleen als het bij jou thuis kan.' Een gesprek met een voorlichter erbij was niet doorgegaan, no way.

Er zijn er nu veel meer voorlichters dan toen en journalisten zijn ook veel meer aan hen gewend. Het lijkt alsof zij ook in hun relatie met politici de regie naar zich hebben toegetrokken. Bij interviews krijg ik soms het idee dat een politicus nog wel even wil doorpraten, maar dan zegt de voorlichter: 'Helaas, het is tijd.'

Je zit dicht op elkaar en dat is niet bevorderlijk voor een gezonde afstand tussen politici, voorlichters en journalisten… Veel loopt via voorlichters die dingen zeggen als: je moet mijn minister eens ontmoeten, hij is veel aardiger dan je denkt. Die gesprekken gaan zelden over de inhoud van het beleid. De parlementaire journalistiek is een veredelde vorm van sportjournalistiek geworden: wie is de winnaar van de dag? Wie is de verliezer? Zo gaan die interviews ook: 'U heeft verloren, hè? Wat ging er door u heen?’


Zonder enige schroom vertelde Max van Weezel bij zijn afscheid als parlementair verslaggever hoe journalistiek corrupt ook hij als ‘icoon’ van de ‘vrije pers’ was geworden. Toen de interviewster opmerkte dat de nauwe banden tussen pers en autoriteit gunstig zijn voor de voorlichters beaamde hij dit onmiddellijk, en voegde hieraan toe:

Ze zijn ook goed in het insteken van onderwerpen. Als voorlichters weten dat het ene dagblad met een negatief verhaal over de partij bezig is, proberen ze een ander dagblad op het idee te brengen een negatief verhaal over een andere partij te schrijven. Je wéét dat het afleidingsmanoeuvres zijn, maar als journalist ben je blij met de gouden tip. Je wilt je plek in de pikorde behouden.

Kortom, om zijn ‘plek in de pikorde’ te ‘behouden’ was de bij politici zo populaire Max van Weezel, volgens eigen zeggen, bereid om ‘bedrijfsspionage’ te verrichten, af te zien van ‘een gezonde afstand tussen politici, voorlichters en journalisten,’ en zich als parlementair verslaggever te laten gebruiken door politici die hij had moeten controleren. Hij was dermate populair bij het establishment dat minister president Rutte hem een ‘instituut’ noemde, ‘en een man van groot gezag; dit gaan we nog lang voelen.’ Overigens betreft het hier dezelfde premier onder wiens gezag twee opeenvolgende Nederlandse kabinetten fundamentalistische terroristen in Syrië steunden, zonder dat het ‘instituut’ Van Weezel iets doorhad. Dat is niet zo vreemd, want zijn devies was ‘vooral gezellige dingen’ doen, te ‘socializen’ in plaats van afstand te houden door onder andere  ‘op de perstribune’ de beleidsbepalers in de gaten te houden. Het is ook geenszins wonderlijk dat de Tweede Kamer Van Weezel’s heengaan herdacht. Hij was voor een parlement, dat door het corrupte poldermodel de uitvoerende macht niet serieus controleert, een uiterst bruikbare pion. Max van Weezel was in alles het tegenovergestelde van legendarische joods-Amerikaanse journalisten als I. F. Stone en Studs Terkel, die in de woorden van eerstgenoemde ervan uitgingen dat ‘Every government is run by liars. Nothing they say should be believed.’ 



Stone waarschuwde bovendien met klem dat:

You've really got to wear a chastity belt in Washington to preserve your journalistic virginity. Once the secretary of state invites you to lunch and asks your opinion, you're sunk.

Op zijn beurt wees Studs Terkel erop dat:

We have two Governments in Washington: one run by the elected people — which is a minor part — and one run by the moneyed interests, which control everything.

Citaat uit Terkel’s boek Hard Times: An Oral History of the Great Depression (1970):

After the stock market crash, some New York editors suggested that hearings be held: what had really caused the Depression? They were held in Washington. In retrospect, they make the finest comic reading. The leading industrialists and bankers testified. They hadn’t the foggiest notion what had gone bad. You read a transcript of that record today with amazement: that they could be so unaware. This was their business, yet they didn’t understand the operation of the economy.

Beide journalisten hoefden aan het eind van hun leven zich niet, zoals Van Weezel, af te vragen of zij een ‘verloren leven’ hadden geleid. Stone en Terkel  werden ook niet door de macht geprezen, maar gewantrouwd. Daarentegen was het ‘icoon’ van de parlementaire polderpers schaamteloos in zijn opportunisme, zoals tevens blijkt uit Van Weezel’s reactie op de constatering van de interviewster Loes Reijmer dat hij ‘een cynisch verhaal over de Haagse wereld’ had verteld en hij daarop antwoordde:

Tja. Toch is het een leuke omgeving om je leven te slijten.

LR: Waarom?

Het is veel minder saai dan mensen denken: lang leve de recepties met glazen rode wijn en schalen bitterballen — vervolgens zit je om drie uur 's nachts in de nachttrein naar huis. Ik voel me wel aangetrokken tot een hedonistisch leven. Het is een soort verlengd studentenbestaan tot je 63ste.

Dit cynisme, waarbij alles een prijs heeft maar niets een waarde, werd het handelsmerk van het narcistische, zelfbenoemde ‘joodse jongentje,’ wiens column, volgens eigen zeggen ‘natuurlijk vol[stond]’ met ‘ditjes en datjes,’ die de dag daarop alweer vergeten waren. Het studentikoze bestaan van de mainstream-journalist bestaat uit de trivialisering en daarmee de dépolitisering van de politiek. Al in 1922 stelde de vooraanstaande Amerikaanse media-ideoloog Walter Lippmann, in zijn standaardwerk Public Opinion dat

public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press... Without some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable.

Lippmann’s zienswijze sloot naadloos aan bij het werk van Max van Weezel die de wandelgangen en Nieuwpoort doorkruiste om van de 'voorlichters' van de politieke partijen te vernemen wat voor hen het ‘nieuws' was, dat wil zeggen welke 'public opinions' zij 'for the press' hadden georganiseerd om op die manier te voorkomen dat de 'vrije pers' zelf zou bepalen wat politiek relevant was voor het grote publiek. Dankzij Van Weezel's 'ditjes en datjes' kon worden verhinderd dat het publiek de context zag, waarbinnen de westerse neoliberale politiek van permanent geweld zich voltrok tegen alles en iedereen die haar macht democratisch aan banden wilde  leggen. De Amerikaanse hoogleraar Stuart Ewen, gespecialiseerd in Media Studies, schreef in zijn boek PR! A Social History of Spin (1996):

Throughout the pages of Public Opinion, Lippmann had asserted that human beings were, for the most part, inherently incapable of responding rationally to their world... 

Voor de ware macht geldt altijd en overal dat de pleitbezorgers van de gevestigde orde de spanning moeten wegnemen die van nature bestaat tussen 'critical reason and public discussion.’ De 'vrije pers' dient de status quo te handhaven door:

forging mental agreement among people who — if engaged in critical dialogue — would probably disagree. 

Met zijn journalistiek van 'ditjes en datjes' wist Max van Weezel, wiens journalistieke activiteiten exemplarisch waren voor de werkwijze van de gehele mainstream-journalistiek, decennialang de aandacht af te leiden van de bredere context, van de bedreigingen waarmee nu de hele mensheid wordt geconfronteerd, zoals de baanloze groei, de milieuvernietiging, de gevolgen van de klimaatverandering, de massale verdwijning van vast werk, de permanente oorlogsvoering, de groeiende kloof tussen arm en rijk, de bevolkingsexplosie, de toenemende sociale onrust onder een aanzienlijk deel van de wereldbevolking dat in abjecte armoede probeert te overleven. En ondertussen stak het borrelend 'icoon' van de parlementaire polderpers nog eens een sigaartje op. Had Van Weezel zich daarentegen verdiept in de geschiedenis dan zou hij hebben geweten dat over de rol van de mainstream-pers gedocumenteerde kritische studies waren verschenen, waarbij een expert als professor Ewen op het volgende wees:

Lippmann added that serious public discussion of issues would only yield a 'vague and confusing medley,' a discord that would make executive decision making difficult. 'Action cannot be taken until these opinions have been factored down, canalized, compressed and made uniform.' […] In its adamant argument that human beings are essentially irrational, social psychology had provided Lippmann — and many others — with a handy rationale for a small, intellectual elite to rule over society. Yet a close reading of Lippmann's argument suggests that he was concerned less with the irrational core of human behavior than he was with the problem of making rule by elites, in a democratic age, less difficult. 

Met de komst van de massamaatschappij, de massaproductie en massaconsumptie werd begin twintigste eeuw de beheersing van de massa een steeds grotere prioriteit voor de elite, een probleem waarvan nationaal-socialisten als ook communisten en liberalen zich uiterst bewust waren, en vanzelfsprekend nog steeds zijn. Hoe houdt men de massa in bedwang? Vandaar het doorslaggevende belang van de economische en financiële macht om te kunnen beschikken over 'betrouwbare' woordvoerders van de ‘vrije pers,’ die een voor de elite zo gunstig mogelijk beeld scheppen. Op die manier liet Max van Weezel zich gebruiken door de politieke journalistiek te reduceren tot simplistische propaganda, de wereld van 'ditjes en datjes,’ zoals hijzelf zo treffend formuleerde. De journalistiek van de trivialiteiten heeft inmiddels serieuze journalistiek in de mainstream media onmogelijk gemaakt, zoals hij zelf constateerde. Den Haag is een klein wereldje vol grote ego’s, getuige ondermeer Max van Weezel’s beschrijving: 

Het geeft toch een kick als Mark Rutte je op de schouders slaat en zegt dat hij je artikel heeft gelezen. Dat werkt verslavend — de drive van mensen als Frits Wester en Ferry Mingelen zal zo te verklaren zijn. Ik merkte het afgelopen week weer: met journalistenvakbond NVJ waren we in Den Haag op bezoek bij burgemeester Jozias van Aartsen. Iedereen kreeg een handje, maar bij mij was het meteen: 'Hé Max, wat leuk dat je bent gekomen.' Je telt toch mee, zij het op Madurodam-niveau.


Meetellen, erbij horen, schouderklopjes ontvangen, het zijn kicks voor journalisten die hun eigenwaarde ontlenen aan de gespeelde aandacht die zij van autoriteiten op ‘Madurodam-niveau’ krijgen. Iemand die bij gebrek aan een doorleefde identiteit zich zo inspande louter en alleen om de aandacht op zich te vestigen, roept uiteindelijk een gevoel van medelijden op. Daar komt bij dat Nederlanders idolaat zijn van slachtoffers. Die geven hen het gevoel van superioriteit. Met een zeker pervers genoegen lazen ze over Max van Weezel’s ellende, over zijn  

getraumatiseerde moeder, familie in Australië die nooit meer naar Europa durft uit angst voor de nazi's: als je niet depressief wilt raken of maatschappelijk wilt mislukken, moet je niet met de oorlog bezig zijn. Ik denk dat ik, om er niet aan onderdoor te gaan, de identiteit heb gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland.

Toen hij opmerkte ‘anoniem’ te hebben ‘meegewerkt aan een boekje, met een eerlijk verhaal over hoe het is om op te groeien tussen Holocaust-overlevenden. Daar wilde ik mijn naam absoluut niet bij hebben,’ en de interviewster vroeg: ‘Waarom niet?’ was het antwoord: 'Ik wilde niet zielig worden gevonden, geen mislukkeling zijn,’ waaraan Van Weezel toevoegde: 

Ik heb me decennialang verscholen achter de façade van de geslaagde journalist. In Den Haag stonden de Mark Ruttes en Alexander Pechtolds van deze wereld me op de schouders te slaan, 'dag Max'. Daar was ik iemand.

Zijn hele werkzame leven lang streefde hij  ernaar ‘iemand’ te worden, om tegen het einde van zijn leven te beseffen dat hij al die tijd eigenlijk iemand anders was geweest. Zieliger is nauwelijks denkbaar. Het intens vergeefse van zijn optreden sprak ook uit de volgende opmerking, tien maanden voor zijn dood: 

Ergens denk ik: je had ook wel met een kalasjnikov op een heuveltop mogen staan om ons de vijand van het lijf te houden. Er zit toch ook een Leon-de-Winterachtige Max in me, zo van: timmer erop los als ze met hun poten aan ons lijf of goed komen.   

Het zijn de woorden van een man die over zichzelf zei: 'Ik probeerde mijn existentiële onzekerheid te compenseren door op alles ja te zeggen,' en die er nooit in slaagde precies te bepalen waar zijn loyaliteit lag. Was het de democratische rechtstaat Nederland, of de racistische apartheidsstaat Israel? Tegen het eind van zijn leven droomde hij ervan op een heuveltop in de bezette Westbank ‘de vijand van het lijf’ te houden ‘met een kalasjnikov.’ Dat die ‘vijand’ de legitieme bewoners waren van de door de bellicose zionisten bezette en belegerde Palestijnse gebieden, maakte de diep gefrustreerde Max niet uit. In het kader van de zionistische behoefte aan Lebensraum moest nog meer land etnisch gezuiverd worden. En ‘[a]ls ze met hun poten aan ons lijf en goed komen’ dan ‘timmer’ je als ‘joodse jongetje dat er van Adolf Hitler eigenlijk niet had mogen zijn,’ er gewoon ‘op los,’ en vermoord je met een Kalasjnikov-aanvalsgeweer iedere Palestijn die voor zijn of haar rechten opkomt, net zoals de nazi’s destijds deden in het bezette Europa. Ook nu weer wordt deze agressieve mentaliteit in Nederland geaccepteerd, en zelfs bewonderd, zoals bleek toen Tweede Kamerleden de dood van de in hun ogen ‘meesterjournalist en markante persoonlijkheid’ herdachten. 



Israeli forces detain 16-year-old Fawzi al-Juneidi during confrontations between Palestinians and the army in the West Bank city of Hebron that followed protests against Trump’s recognition of Jerusalem as the capital of Israel, 7 December. The boy, who was beaten by soldiers during his arrest, was released on bail 20 days later. Wisam Hashlamoun APA images


Zelf zei de ‘Haagse vedette’ zomer 2015 in een gesprek met Alexander Klöpping, oprichter van de commerciële krantensite Blendle

Ik denk wel dat ik te lang gefocust was om bij de toptien van de Haagse journalistiek te horen… Wat je echt belangrijk vindt, is of de minister-president je serieus neemt. Dat Jeroen Dijsselbloem tegen jóú zegt: dit vertel ik natuurlijk exclusief aan jou, want jij begrijpt het echt.

Klöpping: 'Het gaat dus vooral om de strijd tussen journalisten?'

Van Weezel: 'Ja.'

Klöpping: 'Kun je dat relativeren?'

Van Weezel: 'Nee, dat kon ik niet. Nog steeds niet, nee. Ik ben al geruime tijd aan het afkicken. Al tien jaar.'  […]

Klöpping en Van Weezel komen terug van een rondje door het bos met de fotograaf. Alexander Klöpping plaatst een foto van Max van Weezel op een boomstam op zijn Instagram met 10.000 volgers en op z’n Twitter met 256.000 volgers. Van Weezel trekt meteen zijn telefoon. Daar kijkt hij tijdens het gesprek sowieso al om de tien minuten op, naar Facebook, Twitter, Whatsapp, mail. We vertellen het hem.

Van Weezel: 'Oh, Jezus, doe ik dat? Wat onbeschoft.' […]

Van Weezel houdt nauwlettend in de gaten hoeveel hartjes de Instagramfoto van de volgers krijgt. Tegen Klöpping, met z’n ogen op het scherm: 'Ben je nou bezig met de macht die je langzamerhand hebt met Blendle?'

Klöpping: 'Macht?'

Van Weezel: 'Heel veel journalisten zitten inmiddels te sidderen of ze geliked worden. […] 

Toen ik bij Vrij Nederland kwam, zag je een grote, mooie foto door de dag heen steeds kleiner worden, omdat het stuk langer moest van de auteur. Maar…'

‘Maar wat?’

Van Weezel: 'Maar het had ook wel iets moois, journalistiek in die tijd. Er zat heel veel engagement in.'

Klöpping: 'Ja, ik had die tijd graag meegemaakt. Net zoals ik de dotcombubble graag zou hebben meegemaakt. Iedereen was gek geworden.’

Van Weezel: 'Jaaaa, maar journalisten hadden toen echt een boodschap voor de wereld. We moesten de lezer verheffen, opvoeden. Het was heel betuttelend, maar dit waren de onderzoeksjournalisten van wie iedereen nu zegt: hadden we die nog maar.'

Het bovenstaande geeft aan waar het in de Nederlandse mainstream-journalistiek om gaat: behagen om 'geliked' te worden. Van Weezel: ‘Ja, ja, ik vond het belangrijk om te zien dat het portret van Mark Rutte van mij en Thijs Broer op Blendle heel veel hartjes kreeg,' terwijl hij tegelijkertijd wist dat 'Je dicht op elkaar [zit] en dat is niet bevorderlijk voor een gezonde afstand tussen politici, voorlichters en journalisten,' waardoor de 'chroniqueurs van het heden en verleden,' hun 'taak,' het ‘uitbannen van onwaarheid,' niet 'serieus genoeg' nemen, ondanks het feit dat momenteel 'op Europees en mondiaal niveau een misvorming van de werkelijkheid plaats die grote consequenties heeft,' zoals op zijn beurt de journalist en bestsellerauteur Geert Mak moest toegeven. Maar omdat de meeste Nederlandse journalisten de goedkeuring van hun peergroup belangrijker achten dan de werkelijkheid, durven zij de kleinburgerlijke consensus niet te doorbreken en blijven hij en zij de officieel gesanctioneerde versie van de werkelijkheid verspreiden.


Kamer herdenkt journalist Max van Weezel. Onder: Lodewijk Asscher (PVDA) condoleert Van Weezels vrouw Anet Bleich 




Max van Weezel’s ontluisterend zelfbeeld is al deprimerend genoeg, maar nog erger is het feit dat zijn werk in het polderland zo wordt bewonderd door de gevestigde orde. Om als identiteitsloze werkelijk gezien te kunnen worden, speelde Van Weezel het spelletje dat geen spelletje is, elke dag weer mee, en de arrogantie van de macht deed de rest. Het zijn met name journalisten als Van Weezel die ertoe hebben bijgedragen dat de laatste kwarteeuw de geloofwaardigheid van zowel de politiek als de journalistiek drastisch is afgenomen; men kan niet van het publiek verwachten dat het blijft geloven in het werk van journalisten voor wie hun plaats in de pikorde de belangrijkste drijfveer is. Wanneer ik Max van Weezel in actie zag, moest ik paradoxaal genoeg, telkens weer denken aan de protagonist van Alberto Moravia’s roman De Conformist (1951), een man die 'tot elke prijs' streefde 'naar normaliteit; een wil tot aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm, een verlangen om gelijk te zijn aan alle anderen, omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.' Zijn vurig verlangen veroorzaakte 'een zucht tot behagen die aan slaafsheid of aan koketterie grensde,' en resulteerde in collaboratie met het fascisme, een doctrine waarin de conformist niet gelooft, maar die hem wel een baan geeft, een functie, en zodoende een valse identiteit. 

Max van Weezel was een diep gekrenkte man met een chip on his shoulder, die uiteindelijk met zichzelf werd geconfronteerd. De Volkskrant-interviewster, Loes Reijmer, boog zich met de compassie van een vrouw, aan het einde van het interview als het ware troostend over Max heen door hem de geruststellend woorden toe te fluisteren: 'Het is niet te laat, toch?' waarop hij antwoordt: 'Ik ben te terughoudend geweest. Maar nee, het is inderdaad nog niet te laat.' 

In die woorden weerklinkt de kern van zijn tragedie. Nog steeds zag hij zichzelf als  slachtoffer. Maar van wie? In wezen nog steeds het slachtoffer van het trauma van zijn moeder, van haar slachtofferschap die te groot was om te kunnen dragen. Zij had haar zoon onbewust gedwongen een bepaalde rol te spelen, en stuurde hem zodoende met een geleende identiteit de wereld in. Van Weezel was een man met de identiteit van een ander, de schijn-identiteit van de ‘meesterjournalist,’ die diep van binnen fundamenteel ‘onzeker’ bleef, en daardoor uiterst ‘kwetsbaar’ was, zoals alle bange mensen.

Net als zijn moeder is hij nooit bij machte geweest het verleden te verwerken. Zijn formulering van het eigen vluchtgedrag was tekenend. 'Ik ben te terughoudend geweest.' Terughoudend betekent in deze context: 'bescheiden, gereserveerd, gesloten,' maar de reden waarom hij koos voor de 'identiteit' van 'de geslaagde Haagse verslaggever,' zoals hij zichzelf kwalificeerde, was zeker geen bescheidenheid, gereserveerdheid en geslotenheid. Integendeel, hij wilde in de schijnwerpers staan, aanschuiven aan de tafel van de macht, hij verlangde naar schouderklopjes, was gevleid door de aandacht die hij kreeg van degenen van wie hij meende dat ze macht bezaten, maar die al snel weer onzichtbaar werden zodra ze van het politieke toneel waren verdwenen. Dit ging net zolang door tot hij de kritiek op zijn conformisme en opportunisme niet langer meer kon negeren en hem een 'spiegel' werd 'voorgehouden.' Dat beweer ik niet, dat zei hijzelf, niet in dezelfde bewoordingen, maar wel met dezelfde strekking. Op zijn 63ste moest hij een nieuwe identiteit opbouwen, een nieuwe rol instuderen. De Volkskrant:

Begin juli (2014. svh) zat Van Weezel bij de redactievergadering van Vrij Nederland. Hij was nog zoekende naar zijn nieuwe rol en sowieso niet met Den Haag bezig. Israel was net een offensief tegen Hamas begonnen op de Gazastrook, dáár lag hij wakker van. 'Ik kan mijn hoofd niet bij Den Haag houden,' zei hij tegen de andere redacteuren, 'ik zit met mijn gedachten bij Gaza.' 

Voor Van Weezel gold wat de Joods-Israelische hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Haifa, Benjamin Beit-Hallahmi, in zijn boek Original Sins. Reflections on the History of Zionism and Israël (1998) schreef over joods-Amerikanen:

In ruil voor de onbeperkte politieke steun aan Israël hebben de Amerikaanse joden gekregen waaraan het ze het meest ontbreekt: een ideologische inhoud om de leegte van hun identiteit te vullen.

Toen ik professor Beit-Hallahmi maart 2008 interviewde, vertelde hij dat hetzelfde geldt voor joodse westerlingen in het algemeen. Als academicus die in de VS, Engeland en Frankrijk doceerde, en als auteur is van talloze boeken, stelt hij ondermeer het volgende:

Het lijden van de joden door de eeuwen heen, en speciaal tijdens de Holocaust, is gebruikt om het ontzeggen van Palestijnse rechten te rationaliseren en te rechtvaardigen. Dit is zo doeltreffend gebeurd dat de Palestijnen beschouwd worden als de agressors in het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat gezien wordt als een simpele voortzetting van de eeuwenlange joodse vervolging.

En: 

Diep (of niet zo diep) is iedere zionist zich bewust van de fundamentele immoraliteit van de manier waarop het zionisme de oorspronkelijke bewoners heeft behandeld.

Ik vrees dat ook voor Max van Weezel de zionistische staat hem datgene gaf waaraan het hem 'het meest’ ontbrak, te weten, een ‘identiteit.’ En dus fantaseerde hij een ‘Sabra’ te kunnen zijn geweest, een man die met zijn aanvalsgeweer zich boven de wet waande. De

term alludes to a tenacious, thorny desert plant, known in English as prickly pear, with a thick skin that conceals a sweet, softer interior. The cactus is compared to Israeli Jews, who are supposedly tough on the outside, but delicate and sweet on the inside.

Alleen nog in deze fantasie kon Van Weezel zich voorstellen alsnog revanche te nemen op de gojim die zijn moeder zoveel leed hadden aangedaan. Hoe machtelozer hij zich op zijn oude dag voelde, en hoe vaker zijn lange-termijn-herinnering opspeelde, des te meer Max de Palestijnen begon te haten, de ‘Arabieren’ die net als de nazi’s ‘met hun poten aan ons lijf of goed komen.’ Zo fantaseerde Van Weezel onbewust dat hij alsnog de oorlog zou kunnen winnen, en op die manier de wereld zou tonen dat ook hij als ‘joodse jongetje’ meetelde. In feite bleef zijn bestaan in Nederland een soort vlucht uit de werkelijkheid. Dat was ook onvermijdelijk. Over de corrumpering van het journalistieke werk in Nederland zei hij in 2009: ‘Ik doe er zelf ook aan mee’:

In dertig jaar tijd is het aantal journalisten op en rond het Binnenhof vervijfvoudigd: van 50 naar 250. De verslaggevers zijn ‘tot de tanden bewapend’ voor het geval er iets gebeurt. Dat heeft geleid tot meer aandacht voor incidenten en personen dan voor politiek-inhoudelijke vraagstukken. Max van Weezel, sinds 1976 parlementair journalist en voorzitter van perscentrum Nieuwspoort, signaleert een geestelijk vacuüm in zijn vak…

‘Haagse voorlichters maken gebruik van het geestelijk vacuüm dat in de journalistiek is ontstaan. Ze “steken iets in,” zoals dat in jargon heet. Politici roepen daarmee — via hun voorlichters — die aandacht voor incidenten ook over zich af. Niet alleen het aantal journalisten op het Binnenhof is toegenomen. Er zijn ook 500 of 600 persvoorlichters, woordvoerders, PA-consultants, of hoe ze zich ook noemen. Er is een handel ontstaan in primeurs, in voorkennis van beleidsnotities. Er wordt je een idee aangereikt en als je belooft dat je het plaatst, krijg je het exclusief. Als journalist hoef je niet meer zelf op een nieuwsfeit te komen door te netwerken en rond te vragen. Die handel is deel gaan uitmaken van ons metier, het is een vervalsing van het vak. Eigenlijk begrijp ik niet dat journalisten erin meegaan, maar ik doe het zelf ook. Nog een stapje verder kom je uit bij de popularisering waaraan de spindoctors sterk hebben bijgedragen. Het is een soort preventieve voorlichting, die allengs persoonlijker is geworden. Het beeld dat politici en Haagse journalisten onder één deken liggen klopt, het is de werkelijkheid.’

Na zijn afscheid als parlementair verslaggever lukte het Max van Weezel niet langer meer om de identiteit van een succesvolle journalist aan te nemen, en viel hij terug op een vermeende 'Joodse' identiteit, zonder zich te realiseren wat dit nu eigenlijk in zijn geval betekende. Zo wijst de Israelische hoogleraar Shlomo Sand in zijn uitgebreide essay How I Stopped Being A Jew (2014) dat de

'Sabras' expressed a firm and vigorous rejection of Yiddish culture, an attitude which they strongly encouraged by the leaders of the immigrant community. David Ben-Gurion had banned the use of the language of the Eastern European Jews in the congresses of his socialist party.

Professor Sand toont aan dat er onderling gediscrimineerd wordt tussen de Joden in Israel zelf. Bovendien kijken de zionisten in Israel op de diaspora-joden neer. Wat voor 'Jood' zou Max van Weezel hebben willen spelen? Die van de Joodse machthebbers, of die van de gemarginaliseerde Joden? Meer de volgende keer keer.



Ian Buruma's Gebrek aan Logica 42



Gentlemen, if you do not give us your support, we will probably have to proscribe you (vogelvrij verklaren. svh),’ aldus Theodore Herzl in zijn ‘Address to the Rothschild Family Council’ in 1895. Hij voegde hieraan toe dat ‘If you do support us, however, we will make you greater than the modest founder of your house, or indeed his proudest grandson, could ever have dreamt.’


Emily Temple: What makes a great essay in your eyes? A great review?

Ian Buruma: A well-written piece that forces you to think and view the world from perspectives you might not have considered before. Such a piece should amuse, as well as enlighten.

Door de oorlogen te financieren van vele oorlogszuchtige vorsten wisten Joodse bankiers eeuwenlang almaar rijker te worden. In verband daarrmee schreef de joods Amerikaanse hoogleraar Benjamin Ginsberg in zijn boek The Fatal Embrace. Jews and the State (1998):

Jews continued to serve absolutist states in these ways through the nineteenth century. The most prominent of these Jews, of course, was the Rothschild family whose name came to be synonymous with international finance. The founder of the dynasty, Mayer Amschel Rothschild of Frankfurt, was the chief financial agent for William IX, elector (keurvorst. svh) of Hesse-Cassel. During and after the Napoleonic wars, Mayer dispatched his sons to the major financial capitols of Europe — London, Paris, Vienna, and Naples. Nathan Rothschild, who headed the London branch of the family, saved William IX’s fortune by investing it in England and served the British government by transferring millions of pounds in gold to the British army in Spain. 

In the decades after the war, governments became increasingly  dependent upon foreign borrowing — an activity that the Rothschild came to dominate. Between 1818 and 1832, Nathan Rothschild handled 39 percent of the loans floated in London by such governments as Austria, Russia and France. Similarly, the Vienna and Paris branches of the family raised money and sold bonds for the Habsburgs, Bourbons, Orleanists, and Bonaparts. By mid-century, the entire European state system was dependent upon the international financial network dominated by the Rothschilds. 

In the 1860s and 1870s, another Jewish financier, Baron Gerson von Bleichroeder, was a principal figure in the creation of a united German state. Bleichroeder helped Bismarck obtain loans for the war against Austria after the chancellor failed to secure financing from the Prussian parliament. Subsequently, Bismark entrusted Bleichroeder with negotiating the indemnity (schadeloosstelling. svh) to be paid by France after its defeat in the Franco-Prussian War in 1871 (on the French side, negotiations were conducted by the Rothschilds). During Bismark’s tenure as chancellor of a united Germany, Bleichroeder continued to serve as his chief confidente (vertrouweling. svh) and fiscal advisor. 

Het spreekt voor zich dat door de scrupuleloosheid van de Joodse bankiers de haat en het wantrouwen onder Europese volkeren tegen allereerst de rijke Joden bleven toenemen. Het gewone volk was slachtoffer van de collusie tussen machtsbeluste monarchen en de Joodse banken. In toenemende mate werden laatst genoemden in de negentiende eeuw door de gemarginaliseerden gezien als een parasitaire laag tussen enerzijds de macht en anderzijds het volk. Ook Joodse revolutionairen verafschuwden de Joodse bankiers, die alleen uit geldzucht oorlogen financierden. De rijke Joden  waren slechts solidair met hun eigen portemonnaie en verder niet, zelfs niet met hun eigen ‘uitverkoren volk’ van wie de meesten arm bleven, zeker in Oost-Europa. Benjamin Ginsberg:

Absolutist regimes provided a small number of Jews with the opportunity to exercise considerable power and acquire great wealth. Liberals in the nineteenth century, by contrast, advocated legal equality and national citizenship for all Jews, holding out the promise of economic opportunity for broad segments of the Jewish community. As a result, Jews supported liberal movements everywhere and benefited from their success. Where liberal forces were strongest — in France, Britain, and, of course, the United States — this Jewish support was not critical to liberalism’s succes. Jewish participation, however, was important in Southern and Central Europe where liberal movements faced their greatest obstacles…

If the distinctive contribution of Jews to the construction of absolutist states lay in the realm of finance and military provisioning, their characteristic role in het development of liberal regimes was in het domain of political mobilization and opinion formation. Liberal regimes removed religious disabilities and spend up opportunities for Jews in business and the professions. This cleared the way for a great expansion of the Jewish business class and fostered the emergence of an important urban Jewish stratum consisting of lawyers, journalists, writers, physicians, and other professionals. These businessmen and professionals became important figures in the popular politics of the liberal era as publishers, editors, writers, politicians, political organizers, and party financiers. In these capacities, Jews were staunch supporters of the liberal state and important allies for those leaders who sought to strengthen it. 

In France, Jews supported the liberal revolution of 1848. Two prominent Jews, Adolphe Cremieux and Michel Goudchaux, served the Second Republic as ministers of justice and finance, respectively. The accession of Napoleon III brought an end to this short-lived regime, and Jews played little role in the Second Empire that followed. After the rout of French forces in the Franco-Prussian War and the collapse of the the Second Empire in 1870, Jews were active in the founding of the Third Republic. The Rothschilds organized the payment of the German war indemnity (schadeloosstelling. svh), and a number of Jews participated in the early republic governments. Cremieux once again served as minister of justice; Eugene Manuel, Narcisse Leven, and Leonce Lehmann occupied important government posts; and several Jews served in the Chamber of Deputies. Throughout the history of the Third Republic, until its destruction at the hands of the Germans in 1940, Jewish politicians, financiers, and publicists were active participants in the defense of the Republic against those institutions and forces in French society — the army, aristocracy, and clergy in particular — that sought its downfall.

A small number of Jewish financiers had become wealthy during the period of the Second Empire. On the whole, however, most French Jews lived in relative poverty in Alsace in 1870s. With Germany’s annexation of Alsace in 1870, thousands of Jews moved to Paris. Under the auspices of the Third Republic economic opportunities opened to Jews, and they used these to make significant places for themselves in banking, commerce, and the professions. 

De nederlaag tegen Duitsland betekende tevens een hervatting van het  anti-semitisme in Frankrijk. Deels omdat de Rothschild familie ook deze oorlog had gefinancierd. Bovendien was tot ‘1870 Frankrijk de dominante natie op het vasteland in Europa’ geweest, maar aan ‘die dominante positie' kwam nu een einde door het geopolitieke beleid van de ‘Pruisen onder leiding van kanselier Bismarck.’ Daarbij paste ‘de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Pruisen’naadloos 

in het plan van Bismarcks Realpolitik: zijn plannen voor het verenigen van de Duitse staten tot één Duits Rijk. Dit werd door Frankrijk en Oostenrijk geblokkeerd. Deze staten wensten op het Europese continent geen vierde grootmacht naast Rusland, Frankrijk en Oostenrijk. Deze wens zou uiteindelijk niet in vervulling gaan: door de afloop van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog was in 1866 Oostenrijk reeds uitgeschakeld en in 1870 zou ook Frankrijk volgen.

Een dergelijke grote vernedering van een zich superieur wanende koloniale wereldmacht was onverdraaglijk voor zowel de Franse elite als ook het gewone volk, dat sinds de Napoleontische oorlogen vergeefs zoveel offers had gebracht. Dus moest er een zondebok worden gevonden. En wie leende zich daar beter voor dan de meest in het oog lopende buitenstaanders, de Joden, of die nu na het begin van de Verlichting geassimileerd waren, of niet. Door het christendom was van oudsher het wantrouwen onder Europeanen tegen Joden diep geïnternaliseerd. De mythe was dat zij Christus, de Verlosser, hadden vermoord, en Judas hadden voortgebracht, die net als de rijke Joden verraad had gepleegd. Zelfs:

Napoleon was concerned about the role of Jews as money lenders, wanting to end that. The treatment of the Alsace Jews and their debtors was raised in the Imperial Council on 30 April 1806. His liberation of the Jewish communities in Italy (notably in Ancona in the Papal States) and his insistence on the integration of Jews as equals in French and Italian societies demonstrate that he distinguished between usurers […], whom he compared to locusts (sprinkhanen die alles kaalvreten. svh), and Jews who accepted non-Jews as their equals.

De achtergrond van Napoleon’s houding was het feit dat in: 

the Hebrew Bible (the Old Testament of the Christian Bibles), the Book of Ezekiel classifies the charging of interest among the worst sins, denouncing it as an abomination (gruweldaad. svh)and metaphorically portraying usurers as people who have shed the borrower's blood.

Desondanks, of misschien wel juist daarom, kon de gelovige in Deuteronomium 23:20 lezen dat voor Joden gold:

Van buitenlanders mogen jullie rente vragen, maar niet van je volksgenoten. Dan zal de Heer God goed voor jullie zijn bij alles wat jullie doen in het land dat jullie gaan veroveren.


In Napoleon’s visie, die spoorde met de Verlichtingsidealen, moest iedereen gelijk voor de wet zijn, en dienden tribale en religieuze opvattingen ondergeschikt te  blijven aan de wetten van de moderne staat. In een brief van 29 november 1806 aan minister van Binnenlandse Zaken Champagny verwoordde de Franse keizer het aldus: 

[I]t is necessary to reduce, if not destroy, the tendency of Jewish people to practice a very great number of activities that are harmful to civilization and to public order in society in all the countries of the world. It is necessary to stop the harm by preventing it; to prevent it, it is necessary to change the Jews. [...] Once part of their youth will take its place in our armies, they will cease to have Jewish interests and sentiments; their interests and sentiments will be French…

In 1808 Napoleon rolled back a number of reforms (under the so-called décret infâme, or Infamous Decree, of 17 March 1808), declaring all debts with Jews to be annulled, reduced or postponed. The Infamous Decree imposed a ten-year ban on any kind of Jewish money-lending activity. Similarly, Jewish individuals who were in subservient positions — such as a Jewish servant, military officer, or wife — were unable to engage in any kind of money-lending activity without the explicit consent of their superiors. Napoleon's goal in implementing the Infamous Decree of 1808 was to integrate Jewish culture and customs into those of France. By restricting money-lending activity, Jews would be forced to engage in other practices for a living. Likewise, in order to even engage in money-lending activity, the decree required Jews to apply for an annual license, granted only with the recommendation of the Jews' local consistory and with the surety of the Jews' honesty. This caused so much financial loss that the Jewish community nearly collapsed… 

Likewise, the French decree required Jewish individuals to serve in the French military, without any opportunity to provide a replacement individual. The last component of the Infamous Decree  — established in July 1808 — required Jews to adopt formal names with which they would be addressed. (Before, Jews were often referred to as ‘Joseph son of Benjamin.’) They were also prevented from selecting names of cities or names in the Hebrew Bible. Napoleon sought to integrate the Jewish people more fully into French society by establishing the guidelines they were required to follow in adopting names. Napoleon ended these restrictions by 1811…

Both aspects of his thinking can be seen in an 1822 response to physician Barry O'Meara, who had written to Napoleon after he had been exiled, asking why he pressed for the emancipation of the Jews:

‘I wanted to make them leave off usury, and become like other men… by putting them upon an equality with Catholics, Protestants, and others, I hoped to make them become good citizens, and conduct themselves like others of the community… as their rabbis explained to them, that they ought not to practise usury to their own tribes, but were allowed to do so with Christians and others, that, therefore, as I had restored them to all their privileges… they were not permitted to practise usury with me or them, but to treat us as if we were of the tribe of Judah. Besides, I should have drawn great wealth to France as the Jews are very numerous, and would have flocked to a country where they enjoyed such superior privities. Moreover, I wanted to establish an universal liberty of conscience.

In a private letter to his brother Jérome Napoleon, dated 6 March 1808, Napoleon expressed a conflicting view:

‘I have undertaken to reform the Jews, but I have not endeavored to draw more of them into my realm. Far from that, I have avoided doing anything which could show any esteem for the most despicable (verachtelijke. svh) of mankind.’

Met andere woorden: Napoleon trachtte het Joodse volk in Frankrijk te dwingen joodse Fransen te worden, die hun tribale loyaliteit zouden opgeven. In een moderne staat kon er geen sprake zijn van joodse onderdanen die zich beschouwden als leden van een ‘uitverkoren volk.’ Joden hadden als burgers dezelfde rechten als niet-joden, en moesten daarom ondergeschikt zijn aan dezelfde verplichtingen als de gojim. Zij dienden net als iedereen zich aan te passen, zodat ze konden integreren in het moderne Europa. Tegelijkertijd had Napoleon een diep gewortelde afkeer van joden als tribale groepering, die weigerden te assimileren, zoals blijkt uit zijn woorden ‘van alles te hebben vermeden dat kon worden opgevat als enige achting voor de meest verachtelijken van de mensheid.’ Deze minachting was overigens wederzijds, zoals een ieder weet die zich verdiept in het al dan niet openlijk beleden superioriteitsgevoel van een niet gering aantal rabbijnen en hun volgelingen, zeker in het verleden.


De Neurenberger Rassenwetten uit 1935 die voor dominee Catrinus Mak 'staatkundig tolerabel' waren, aldus zijn zoon Geert Mak.

Het waren allereerst de arme joden die de dupe werden van het anti-semitisme, aangezien de rijke joden in staat waren zich te beveiligen. Dit alles toont nog eens aan hoe misleidend Ian Buruma’s bewering is dat Napoleon’s: 

brand of universalism is actually something we — in this country as well as other countries — still benefit from, the idea of equality for the law and so on, 

en dat de Franse keizer voor ‘the emancipation of minorities’ heeft gezorgd, 

precisely because he had the idea of the universality of rights, and that not just one particular elite or one particular people deserved rights, but that it were universal rights.

In werkelijkheid bleven voor Napoleon de joden ‘de meest verachtelijken van de mensheid,’ waardoor zij vanzelfsprekend nooit echt als gelijken konden worden beschouwd, niet door de Franse keizer en ook niet door de christelijke Europese bevolking, zoals zelfs nog in 1935 bleek toen de kleinburgerlijke, gereformeerde dominee Catrinus Mak in De Sumatra Post als zielenherder verkondigde dat de nazi-rassenwetten — waarbij joodse Duitsers uit het publieke leven werden verbannen — ‘staatkundig tolerabel’ waren. Het opmerkelijke van het postmoderne tijdperk is dat, in de woorden van de Nederlandse publicist Jan Blokker:


Na de Tweede Wereldoorlog het jodendom in de christelijke wereld vrijwel heilig is verklaard en geen volk dat in die processie zo hard vooroploopt als de Nederlanders, 

om hieraan toe te voegen dat de Nederlander opportunistisch is, iemand die de macht blind gehoorzaamt zodra het om zijn eigen hachje gaat. Een paar jaar voor zijn dood in 2010 wees Blokker op het volgende:

In de Nederlandse geschiedenis is onverschilligheid doorgaans de vriendelijkste houding ten opzichte van joden geweest. Nederlanders hebben altijd precies geweten wie van hun buren een jood was en op elk gewenst moment kon die wetenschap consequenties krijgen: het verraden van joden voor ‘kopgeld’ tijdens de Duitse bezetting is daar maar één vorm van. De paniekerige pogroms in het pestjaar 1349 was een andere.

De combinatie van opportunisme en conformisme in een principeloze handelsnatie verklaart tevens het feit dat uit het zogenaamde tolerante Nederland procentueel tweemaal zoveel joden zijn gedeporteerd naar de vernietigingskampen als uit België, en drie keer zoveel als uit Frankrijk. De 'onverschilligheid' gecombineerd met het aloude christelijk anti-semitisme, is natuurlijk na 1945 niet als sneeuw voor de zon verdwenen. De Europeaan, die altijd 'de ander, de buitenstaander, de jood' als negatief contrabeeld nodig had om zichzelf te kunnen profileren als fatsoenlijk, is niet in één generatie wezenlijk veranderd. 'Het jodendom' mag dan wel alom 'vrijwel heilig' zijn ‘verklaard,' maar daarmee is zeker niet het anti-semitisme verdwenen; het ressentiment tegen de ander, de vreemde, de buitenstaander is ogenschijnlijk ondergronds gegaan doordar het vandaag de dag wordt geprojecteerd op een andere semitische tak: de islamitische Arabier. 


NATO Secretary General Jens Stoltenberg meets with the President of Israel, Reuven Rivlin. Zij besluiten tot nauwere samenwerking, ondanks het feit dat Israel het internationaal recht weigert te respecteren en doorgaat met de Joodse terreur tegen de Palestijnse bevolking. Daarover hebben de parlementen van de NAVO-staten geen inspraak en medezeggenschap. 


Omdat na de Holocaust jodenhaat niet langer politiek correct is, projecteert men die haat nu op de Arabier/moslim, wiens cultuur vanzelfsprekend in elk opzicht ondergeschikt wordt geacht aan 'onze Verlichte beschaving,' zijnde — absurd genoeg — de ‘joods-christelijke’ cultuur die tenslotte culmineerde in zowel Auschwitz als Hiroshima. Omdat vanwege opportunistische redenen ‘het jodendom in de christelijke wereld vrijwel heilig is verklaard’  kan de Joods-Israelische terreur tegen de Palestijnse burgerbevolking ongestoord doorgaan, en durven de westerse politici geen consequenties te verbinden aan de flagrante zionistische schendingen van het internationaal recht. Sterker nog, de regering Trump en de NAVOsteunen juist deze schendingen, door in het geval van Washington de annexaties van Palestijns en Syrisch gebied toe te juichen, terwijl de NAVO de Israelische marine deel laat laten nemen aan oefeningen van het expansionistisch militair bondgenootschap. De houding van zowel de conformistische westerse elite als het volk ten aanzien van ‘de Joden,’ werd door de Israëlische hoogleraar Shlomo Sand in zijn uitgewerkte essay How I Stopped being a Jew (2014) als volgt samengevat:

the conception that makes Jews a 'race' with mysterious qualities, transmitted by obscure routes, still blossoms. While in former times it was a matter of simple physiological characteristics, blood, or facial shape, today it is DNA or, for the more subtle, a paler substitute: the strong belief in a direct lineage down the chain of generations. In a distant past we were dealing with a mixture of fear, contempt, hatred of the other, and ignorance. Today, on the part of the 'post-Shoah goyim,’ we face a symbiosis of fears, guilty consciences and ignorance, while among the 'new Jews' we often find victimization, narcissism, pretentiousness, and likewise a crass ignorance.   

Een typerend voorbeeld van het ‘gecultiveerde slachtofferschap, narcisme, opgeblazenheid, evenals een onbehouwen onwetendheid’ is de medio april 2019 overleden joods-Nederlandse parlementair journalist Max van Weezel. Een jaar vóór zijn heengaan merkte hij op: 

Ergens denk ik: je had ook wel met een kalasjnikov op een heuveltop mogen staan om ons de vijand van het lijf te houden. Er zit toch ook een Leon-de-Winterachtige Max in me, zo van: timmer erop los als ze met hun poten aan ons lijf of goed komen.   

Waar kwam deze agressie vandaan? Waarom was die gericht tegen de Palestijnse bevolking die al zo lang onder Joodse terreur gebukt gaat? Waarom waren de slachtoffers van de zionistische staat voor deze Nederlandse journalist -- die er niet over piekerde naar ‘het beloofde land’ te emigreren -- ineens ‘de vijand’? Welk recht meende de oud-communist Max van Weezel te bezitten om ‘erop los’te timmeren? Waarom meende hij dat ‘ze met hun poten aan ons lijf of goed komen,’ terwijl de werkelijkheid precies omgekeerd is, en het extremistische Joodse regime in Israel ongestraft doorgaat met het stelen van Palestijns land op de Westbank, dat de Verenigde Natiesaan het Palestijnse volk heeft toegewezen Kortom, hoe is Van Weezel’s geconditioneerde reflex te verklaren? En waarom heeft de ‘vrije pers’ in dit polderland zoveel begrip voor deze agressie, terwijl zij tegelijkertijd nauwelijks tot geen begrijp toont voor het gerechtvaardigde Palestijnse verzet tegen de langdurige zionistische onderdrukking, landroof en moordzucht? In het land van dominee’s en kooplieden zijn opportunisme en conformisme nog steeds de leidraad van het handelen. En nu de Joden eigen strijdkrachten bezitten, en dankzij de Amerikaanse en Europese financiële, politieke en zelfs militaire steun, de westerse geopolitieke belangen in de regio kunnen verdedigen, wordt elke kritiek hierop gedemoniseerd als anti-semitisme. Als kleine ‘joodse jongen’ met een niet gering minderwaardigheidscomplex en een buitensporige geldingsdrang was Max van Weezel’s angst voor de wereld en het wantrouwen tegen de mensheid diep geïnternaliseerd geraakt. Zelf zei hij daarover:

De belangrijkste levensles die ik heb geleerd gaat over vertrouwen in mensen. Dat kreeg je vroeger mee van je ouders als je net na de Tweede Wereldoorlog werd geboren en joods was. Als ik iemand leer kennen vraag ik me af of ik in tijden van nood bij hem of haar zou durven onderduiken, zou ik me bij deze persoon veilig en geborgen voelen.

Zijn hele leven stond in de schaduw van de holocaust. In zijn bewustzijn reden nog steeds de rammelende overvolle veewagens door ‘Nacht und Nebel’ richting de vernietigingskampen. Niet voor niets verwees het ‘icoon’ van de Hollandse parlementaire pers negen maanden voor zijn dood naar de rancune van een andere joodse slachtofferist, de Nederlandse auteur Leon de Winter, die op zijn beurt sprak van een ‘ontzagwekkende angst voor de buitenwereld’ van zijn familie met ‘aan de ene kant die minachting van mijn ouders jegens hun niet-joodse omgeving en tegelijkertijd de waanzinnige angst ervoor… Angst, angst, angst… Ik overdrijf niet.’ Angst en daaraan onlosmakelijk gelieerd haat die ertoe leidde dat hij ‘meer sympathie’ bleef ‘hebben voor Israelische soldaten dan Palestijnse stenengooiers.’ 


Getraumatiseerde, paranoïde mensen kennen weinig tot geen keuzevrijheid, hun optreden is veelal dwangmatig, geconditioneerd als het is door de terreur van vroeger of de herinnering daaraan. Wie stak een helpende hand toe, toen joodse Europeanen werden uitgeroeid? Bijna de hele westerse beschaafde wereld keek de andere kant op, zelfs de spoorlijnen van Auschwitz werden niet gebombardeerd om de deportaties op zijn minst te vertragen. En toen het allemaal voorbij was ging men over tot de orde van de dag, alsof er niets gebeurd was. ‘Ik ben een joodse prinses, te laat uit het ei gekropen. Na ’45, toen alles al voorbij was,’ zo beschreef de joods-Nederlandse journaliste Anet Bleich zich: 

Ik was op het nippertje ontsnapt aan een zwart gat. Joden die op commando van Duitsers hun eigen graf hadden moeten graven. Dat was voorgoed voorbij. Daar zou ook ik voor zorgen. Later ontmoette ik Max (van Weezel svh). Net als ik gefascineerd door dat grote zwarte gat in de buurt waarvan we onze jeugd hadden doorgebracht. Die leegte, die nooit als zodanig werd aangeduid, en die ons toch gemaakt heeft tot wie we zijn geworden. We wisselden onze sprookjes uit. Te laat geboren partizanen. 

Zo fantaseert een machteloos kind, het verzint allerlei scenario’s waarbij het degenen van wie hij of zij houdt, redt, zelfs na hun dood. Wie dit gevoel niet begrijpt is harteloos, en tegelijkertijd, wie de leegte als uitgangspunt neemt voor het handelen, wordt tenslotte even harteloos. Het is de angst en de onzekerheid die zovele naoorlogse joodse jongeren verscheurde, onder wie Anet Bleich:

Ik had er voor gekozen om in Nederland te blijven wonen, en die keus was definitief. Maar als ik dertien haar geleden die andere keus had gemaakt, waar had ik nu dan gestaan? Had ik in de loopgraaf gelegen? Waarom zij wel? Op het moment dat daar mensen sneuvelden, had je het gevoel dat ze in jouw plaats sneuvelden.

En zo werd voor een ontwikkelde vrouw, op zoek naar een identiteit, de zionistische heilstaat geleidelijk aan ‘het land dat vrijwel de enige tastbare manifestatie in deze wereld is van joodse identiteit.’  Bleich’s queeste leidde niet naar de joodse humanistische traditie, maar naar een land, een vlag, een leger met nucleaire wapens dat haar zou beschermen zodra de pogroms weer beginnen. Israel ‘als symbool van joodse identiteit’ was het antwoord op de vraag: ‘wie ben ik?’ En daarmee werd kritiek op de dagelijkse terreur van de Israelische bezetting tenslotte veroordeeld als een ‘een nieuw soort antisemitisme’ dat ‘aan het ontstaan was, dit keer van links,’ aldus haar echtgenoot, de eeuwig onzekere Max. Het was de onverwerkte herinnering die zijn angstbeeld opriep. Kritiek, dat destijds in Israel nog als normaal werd beschouwd, kon volgens het koppel hier in Europa domweg niet anders zijn dan rabiaat anti-semitisme. Kritiek op Israel betekent voor de identiteitsloze niets anders dan een frontale aanval op de valse ‘joodse identiteit,’ zoalsdie door de zionistische staat wordt verordonneerd. Liever een valse identiteit dan helemaal geen. Max van Weezel vond dit niet vreemd,  want 

opeens kwam het beeld van mijn opa bij me op, het voorbeeld dat me door mijn ouders was voorgehouden. Opa, die voor de oorlog gewoon links was, en niets van het jodendom wilde weten. En in 1940 aanklopte bij zijn radicaal-socialistische vrienden, die de deur dichtsmeten; ze waren bang. De moraal die mijn ouders uit dit voorval afleidden was duidelijk: verpand niet je hele hart aan links, kijk uit, want je opa was net zoals jij. 


De gojim tussen wie zij wilden leven, zijn uiteindelijk nooit te vertrouwen. Ze zijn als het ware voorbestemd verraders te zijn. Maar hoe absurd gedetermineerd Van Weezel en Bleich ook mochten reageren, hun houding is geenszins onvermijdelijk. In een interview met de VPRO Gids, dat op 20 november 2018 werd gepubliceerd, antwoordde hun dochter Natascha van Weezel op de vraag waarom zij ‘wel eens moe wordt van het slachtofferschap’ het volgende:


Dat is een hele gewaagde uitspraak waar ik ook wel een beetje nerveus over ben, maar ik meen het wel. Mijn grootouders waren Holocaust-overlevers, dus ik weet hoe het is als je familie vervolgd en vermoord is. Ik heb erover geschreven, ik praat erover op scholen, ik geef 4 mei-lezingen. Maar ik word ook moe van Netanyahu die dat sentiment inzet om mensen bang te maken en naar Israël te lokken.

Hiermee gaf zij aan wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid te accepteren, en van mening te zijn dat joden zich niet langer meer kunnen verschuilen achter een gecultiveerd slachtofferschap zodra zij worden aangesproken op de misdaden van de ‘Joodse staat,’waarmee zij zich zo betrokken lijken te voelen. Een stap verder nog gaat de van origine Joods-Israelische auteur en musicus Gilad Atzmon, die in 2009 in het artikel The politics of anti-Semitism uiteenzet dat:

while Zionism, being an oppressive and expansionist ideology, is impossible to defend, anti-Semitism is a racial crime and therefore easy to attack. Yet, there is no anti-Semitism in the Palestinian solidarity movement. Anti-Semitism exists solely in the Zionists’ minds.

In zijn boek The Wandering Who? A Study of Jewish Identity Politics (2011) voert Atzmon bovendien aan dat:

Israeli-born secular Jews, the product of the Zionist Transformation, are now so used to their existence in the region that they have lost their Jewish survival instincts. Instead they have adopted a hedonistic interpretation of Western enlightened individualism, which banishes the last remnants of tribal collectivism. This condition may explain why Israel was defeated in the 2006 Lebanon war. The new Israelis don't see any reason to sacrifice themselves on a collective Jewish altar. They are far more interested in exploring the pragmatic aspects of 'the good life.’ Perhaps it is for this reason that the Israeli military didn't manage to subdue Hamas in Operation Cast Lead. In order to do so, Israeli generals would need to implement courageous ground tactics. They realize that carpet-bombing Gaza and dropping white phosphorus on UN shelters are likely to fail to produce the 'necessary results,’ yet there is nothing else they can do. Hedonistic societies do not produce Spartan warriors, and without real warriors at your disposal you're better off fighting from afar. Needless  to  say, the  Palestinians,  the  Syrians, Hizbullah and the Iranians see it all. Day by day they analyse Israel's cowardly tactics, and properly interpret Israeli reality. They know Israel's days are numbered. Interestingly enough, the US military elite is also reviewing the situation — they have begun to grasp that Israel is no longer a strategic US asset. 

On the face of it, Israelis do not seem that concerned with the emerging inevitability of their fate, at least not openly. Young Israelis are concerned largely with personal survival. They are escapists, asking: 'How the hell can I get out of here?' As soon as they complete their compulsory military duty, they either rush to Ben-Gurion Airport or learn how to switch off all the news channels. Israelis are leaving their homeland in growing numbers. Those doomed to stay behind belong to an apathetic culture of indifference. 


Hoewel Max van Weezel als onverzadigbare slachtofferist in momenten van existentiële crisis fantaseerde dat hij ‘met een kalasjnikov op een heuveltop’ zou staan  

om ons de vijand van het lijf te houden. Er zit toch ook een Leon-de-Winterachtige Max in me, zo van: timmer erop los als ze met hun poten aan ons lijf of goed komen,

was hij, net als de als de auteur De Winter, te laf en te gewiekst om zijn puberale fantasie in daden om te zetten. Hij liet liever jonge Joods-Israeli’s sneuvelen dan zelf te strijden voor zijn zo gekoesterde rancunes. Ik gebruik bewust het begrip rancune, want ik heb hem nooit kunnen betrappen op het omarmen van echte idealen. Ik bedoel: wie is bij Max van Weezel ‘ons’? Hij was allereerst een Nederlander, en ook nog eens een Nederlander die bijna zijn hele werkzame leven lang parlementaire opiniemaker was geweest, een mainstream-opiniemaker die zó dicht tegen de macht aankroop dat een journalist als ik er onpasselijk van werd. In de necrologie van NRC Handelsblad verwijst de voormalige chef van de Haagse redactie Mark Kranenburg naar Van Weezel’s

permanente onzekerheid. ‘Doe ik er nog wel toe, is de altijd prangende vraag,’ zei hij afgelopen zomer (7 juli 2018) in een vraaggesprek met NRC.

Hij wist dat de nieuwe generatie journalisten anders dacht over zijn wijze van politieke journalistiek bedrijven. Die heeft weinig op met dat ‘kleffe gedoe’ van journalisten en politici die eindeloos samen aan de bar van Nieuwspoort hangen en bij elkaar over de vloer komen. 

Zelf gaf Van Weezel toe ‘niet van de keiharde aanpak’ te zijn tijdens interviews. Voor hem was het kritisch interviewen van een politicus als de ‘Spaanse inquisitie.’ Je kon beter smoezen dan een politicus keihard ter verantwoording roepen vanwege diens doortrapte spelletjes. Voor hem als ‘joodse jongetje dat er van Adolf Hitler eigenlijk niet had mogen zijn,’ zoals hijzelf had opgemerkt, was de journalistiek allereerst een zaak van ‘meetellen,’ erbij horen, erkend worden. Zijn bestaan was afhankelijk van de bevestiging door de macht. Het tragische was dat Van Weezel, bij gebrek aan een eigen identiteit, zichzelf voortdurend zag door de ogen van een ander.  Kranenburg schreef in dit verband:

Sinds het bekend worden van zijn ziekte was Van Weezel hoofdpersoon in wat een langdurige openbare pre-begrafenis leek. Met uitvoerige interviews in kranten, op radio en televisie, een liber amicorum, een aanhoudende stoet van politieke prominenten bij hem thuis en eind maart nog de uitreiking van de eervolle Frans Banninck Cocqpenning van de gemeente Amsterdam werd vanaf afgelopen zomer zonder dat het hardop werd uitgesproken afscheid genomen van de man die al sinds halverwege de jaren zeventig voor het weekblad Vrij Nederland op het Binnenhof bivakkeerde. 

Het had allemaal iets weg van het afscheidstournee van de variétéartieste Heintje Davids. Er leek geen eind aan te komen, telkens dook hij weer ergens op, en telkens weer in de rol van slachtoffer. Al in 2014 verklaarde hij als 'icoon' van de 'Haagse journalistiek'  over zijn joodse achtergrond:

als je niet depressief wilt raken of maatschappelijk wilt mislukken, moet je niet met de oorlog bezig zijn. Ik denk dat ik, om er niet aan onderdoor te gaan, de identiteit heb gekozen van de geslaagde Haagse verslaggever voor Vrij Nederland… Ik wil niet zielig worden gevonden, geen mislukkeling zijn.

Toch vroeg hij zich aan het einde van een 'geslaagde' loopbaan, publiekelijk af: 

is het geen verloren leven geweest?

Zijn dochter Natascha vertelde de interviewster dat haar 'vader onzekerder [is] dan je denkt.' Op zijn oude dag was hijzelf gaan twijfelen aan de geleende identiteit die hij als adolescent had aangenomen, en realiseerde hij zich:

Ik heb me decennialang verscholen achter de façade van de geslaagde journalist. In Den Haag stonden de Mark Ruttes en Alexander Pechtolds van deze wereld me op de schouders te slaan, 'dag Max.’

Maar toch ging achter het masker van succes een mens schuil die hij nooit had willen zijn: iemand die op het sentiment 'zielig' inspeelde, een man die medelijden opriep vanwege het feit dat hij een werkzaam leven lang zich had verscholen achter een 'façade,' om ineens te ontdekken al die tijd een pion te zijn geweest van ontelbare gezichtsloze politici die op een bepaald moment belangrijk leken. 'Nu denk ik weleens: Is het geen verloren leven geweest?' Op het moment dat zijn functie wegviel, had hij niets meer om zichzelf een identiteit te geven. Hoe zou hij zich staande moeten houden na al die decennia in het Haagse schijnwereldje te hebben doorgebracht. Het moet een ondraaglijke kwelling zijn geweest voor de journalist die over zichzelf had gezegd ooit 'bloed-arrogant' te zijn geweest. Hier was sprake van zowel ijdelheid uit onzekerheid als uit egocentrisme. Miguel de Cervantes mocht er dan wel op hebben gewezen dat 'zelfkennis u voor ijdelheid zal behoeden,’ maar hoe redt een identiteitsloze zich, die zich jarenlang heeft vastgeklampt aan een door anderen geschreven script? Wat te doen als het masker breekt, de façade ineenstort en een individu zonder doorleefde werkelijkheid ineens beseft: 

dat was ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk een tamelijk kwetsbare jongen die door zijn ouders is opgevoed met het idee: heel erg dat je geboren bent, vind je niet?

aldus Max van Weezel zelf. Met een schok werd hij vijf jaar voor zijn dood met zichzelf geconfronteerd, met de leegte die hij decennialang had proberen te ontvluchten, door in dienst te staan van de politiek en niet van de journalistiek, van de leugen en niet van de werkelijkheid. Tegen het einde van zijn carrière vertelde hij een jonge interviewster van de Volkskrant:

Waarom zou je je een leven lang druk maken over de vraag of het kabinet de begroting voor Prinsjesdag rond krijgt, terwijl je thuis bezig bent met Gaza, de Balkanoorlog, de oorlog in Libanon, Rusland en Oekraïne? Ik ben te terughoudend geweest.

Tegen het einde van zijn bestaan op aarde lukte het Max van Weezel — het ‘joodse jongetje’ dat ‘Adolf Hitler’ was ontsnapt — niet langer meer te ontsnappen aan het inzicht dat hij een werkzaam leven lang in de schijnwereld van de polder-politiek had rondgehangen. Daar, aan de randen van dat pleintje in Den Haag, speelde hij, met in de ene hand een sigaar en de andere een borrel, ‘het icoon’ van de Nederlandse parlementaire pers. Het was, nu ook in zijn eigen ogen, allemaal theater geweest, en dan ook nog eens derderangs Bühnewerk. Vanuit die optiek was het inderdaad een ‘verloren leven geweest.’ Vergeefs, zinloos, en kort. Misschien zullen de ‘uitvoerige interviews in kranten, op radio en televisie,’ het ‘liber amicorum,’ de ‘aanhoudende stoet van politieke prominenten bij hem thuis’ en de ‘eervolle Frans Banninck Cocqpenning’ tijdelijk nog enige verlichting hebben gebracht, maar ze waren onvoldoende, getuige zijn onoverkomelijke angst ‘vergeten’ te zullen worden. De identiteitsloze bestaat bij de gratie van de ander. ‘Wie zit er nog op mij te wachten, denk ik vaak,’ zo verklaarde hij nog geen jaar voor zijn dood tegenover Vrij Nederland, dat inmiddels geen weekblad meer was. ‘Ik had eigenlijk een televisiebekendheid moeten worden,’ zei Van Weezel in hetzelfde interview, hetgeen de interviewster de opmerking ontlokte: ‘want je wilt gezien worden.’ Zijn antwoord was kenmerkend: ‘Ja, ik geloof dat ik dat heel belangrijk vind. Als mensen niet weten dat je bestaat, dan besta je niet.’ De slachtofferist wil bovenal gezien worden, voortdurend bevestigd worden dat hij bestaat. Zelf formuleerde Max van Weezel het als volgt: ‘Ik word gezien en gewaardeerd. Die eigenwaarde heb ik niet van mezelf.’ Alles en iedereen werden aan dit wanhopige streven ondergeschikt gemaakt, de journalistiek, de waarheid, zelfs zijn geliefden. ‘Ik heb me eigenlijk nooit afgevraagd of we als gezin wel gelukkig waren. Dat speelde een ondergeschikte rol. Ik vond het belangrijker om die week de primeur te schrijven.’ Ookvriendschappen waren voor hem instrumenteel. Dat kon domweg niet anders,  want  het: 

thema verraad speelde altijd in ons gezin, meestal onuitgesproken. Mijn vader sprak weinig over de oorlog maar zei wel: uiteindelijk zal iedereen je verraden Max, ook je idealistische studievrienden. Ik denk dat ik houvast heb gezocht in een maatschappelijke carrière, dat ik iets wilde bereiken dat me niet meer ontnomen kon worden.

Door zijn niet te stillen verlangen naar erkenning was hij altijd ‘on the run,’ zoals Van Weezel het zelf verwoordde. Hij dacht dan ook ‘sinds’ zijn ‘dertigste overspannen’ te zijn ‘geweest.’ Zijn pathologische drang naar erkenning door de gojim behield hij tot zijn laatste ademhaling. Nog geen jaar voor zijn dood merkte hij op:

Ik kan me beter druk maken of ik deze ziekte wel overleef, maar ik ben vooral bang dat ik niet meer kan werken en vergeten wordt.

Het niet meer gezien worden was voor hem, net als voor elke andere slachtofferist, erger dan de dood. Eenmaal dood zou hij geen herinnering meer bezitten, en die gedachte gaf rust, want niets was vreselijker dan de herinnering, zo had hij van zijn ouders geleerd. Verraad vernietigt namelijk alles, het heden, het verleden, maar ook de toekomst. Daarom bedreef Max van Weezel journalistiek niet als een vak, maar als therapie voor het leed dat de wereld hem had aangedaan. Waar dit toe leidde de volgende keer.