zondag 11 februari 2018

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 43


Op de website Project Syndicate beweerde columnist Ian Buruma op 7 maart 2012 onder de kop ‘Our Kind of Truth’ het volgende:

It is disturbing, to say the least, that the most cogent refutations (weerlegging. svh) of bald-faced lies no longer make any impression. After all, a democracy cannot function without a public that is properly informed. Informing the public used to be the role of serious newspapers and television networks. Of course, not everything in the mainstream media is always true. Mistakes are made. News organizations have political biases, sometimes reflecting the views and interests of their owners.

But high-quality journalism has always relied on its reputation for probity. Editors, as well as reporters, at least tried to get the facts right. That is why people read Le Monde, The New York Times, or, indeed, the Washington Post. Filtering nonsense was one of their duties — and their main selling point.

That has changed. Populist demagogues in politics and the mass media are doing everything they can to discredit the quality press as propaganda organs for left-wing elites who sneer at the views of ordinary Americans.

Buruma’s voorstelling van zaken is volgens mij onjuist, allereerst omdat hij stelt dat er sprake is van een ‘democratie,’ een bestuursvorm waarbij de bevolking de politieke koers van een land bepaalt, terwijl de leider van de zogeheten ‘vrije wereld’ een ‘oligarchy’ is, die volgens oud-president Carter met ‘unlimited political bribery’ in de VS de dienst uitmaakt. Zoals ook Buruma weet is in een ‘oligarchie’de ‘macht in handen van een kleine groep mensen die behoren tot een bevoorrechte klasse of stand.’ Kortom, Buruma voert hier een verzinsel op in een poging ondermeer de mythe in stand te houden dat ‘high-quality journalism has always relied on its reputation for probity (eerlijkheid. svh).’ Maar wanneer een insider als een Amerikaanse voormalige president verklaart dat de ‘democratie’ in de VS niet meer bestaat, welke geloofwaardigheid bezit dan nog een Nederlandse mainstream-opiniemaker, die volhoudt dat er wel degelijk een Amerikaanse ‘democratie’ bestaat? Waarom verwacht hij dat het grote publiek gelooft dat de journalistiek van ‘hoge kwaliteit’ de ‘eerlijkheid’ dient? En waarom gebruikt een journalist als Buruma een onwaarheid om zijn kritiek op ‘populistische demagogen’ te uiten? Welk wezenlijk verschil bestaat er tussen de demagogie van populisten en de even demagogische ficties van Buruma, die zichzelf presenteert als een ‘high quality’ journalist? 

Volgens een representatief opinie-onderzoek van het Amerikaanse Pew Research Center oordeelt 44 procent van de ondervraagden in de VS dat ‘het nieuws’ geenszins ‘accuraat’ is. Ongeveer hetzelfde percentage Amerikaanse kiesgerechtigden stemt al ruim een halve eeuw niet meer tijdens  presidentsverkiezingen, en net iets meer dan een derde neemt de moeite te gaan stemmen tijdens de 'midterm elections' voor het Congres, en voor de gouverneurs van de meerderheid der staten. Illustrerend is tevens dat bijvoorbeeld in 2008, toen Obama met de slogan ‘Change We Can Believe In’als president werd gekozen, nog niet eens de helft opkwam van de groep die minder dan 30.000 dollar per jaar verdiende, terwijl tegelijkertijd degenen die meer dan 75.000 dollar ontvingen ruim 70 procent naar de stembus ging. Het is niet voor niets dat de geloofwaardigheid van zowel politici als journalisten blijft afnemen, hetgeen Buruma’s stelling dat ‘a democracy cannot function without a public that is properly informed’ lachwekkend maakt. De meer dan veertig miljoen armen in de VS zijn door eigen ervaring wijs geworden maar al te ‘behoorlijk geïnformeerd.’ Daardoor zijn ook zij onbereikbaar geworden voor de mainstream-media propaganda. En eveneens de de upper middle class en de rijken weten, gezien hun vermogen, precies wat ze van politici kunnen verwachten. Hillary Clinton had gelijk toen zij zondag 6 maart 2016 erop wees dat ‘President Obama took more money from Wall Street in the 2008 campaign than anybody ever had.’ Op die manier kon Obama gemiddeld 10.94 dollar per stem spenderen en zijn Republikeinse tegenstander McCain slechts 5.97 dollar. Ook het feit dat de kosten van een presidentiële campagne voor beide partijen tezamen ‘have more than doubled in only eight years ($448.9 million in 1996, $649.5 million in 2000, and $1.01 billion in 2004)’ geeft aan dat van een ware democratie geen sprake meer is. Maar deze voor de hand liggende conclusie zal Buruma nooit trekken, terwijl hij toch volhoudt dat ‘reporters, at least tried to get the facts right,’ een andere mythe, zoals ik op deze weblog sinds 2005 keer op keer met feiten probeer aan te tonen. Bovendien haalt mijn oude vriend een bekende truc uit door de volgende voorstelling van zaken te geven: 

[p]opulist demagogues in politics and the mass media are doing everything they can to discredit the quality press as propaganda organs for left-wing elites who sneer at the views of ordinary Americans.

Op deze manier suggereert Buruma alsof er een onderscheid bestaat tussen de ‘massa media,’ en de mainstream media waarvoor hij werkt, maar aangezien beide media dezelfde vertekening van de werkelijkheid geven, bestaat er geen wezenlijk inhoudelijk verschil. De Telegraaf voert bijvoorbeeld exact dezelfde hetze tegen Rusland als Ian’s Project Syndicate. De naar het Westen uitgeweken Tsjechische auteur Milan Kundera beschreef journalisten dan ook als ‘termieten van de reductie,’ die zelfs ‘de grootste liefde terugbrengen tot een geraamte van schrale herinneringen.’ Hij zette vervolgens uiteen: 

[o]ver de hele wereld strooien zij dezelfde simplificaties en cliché’s uit, waarvan mag worden aangenomen dat ze door de meerderheid zullen worden aanvaard, door allen, door de hele mensheid. En het is niet zo belangrijk dat in de verschillende organen van de media de verschillende politieke belangen tot uiting komen. Achter het uiterlijke verschil heerst een en dezelfde geest. Je hoeft de Amerikaanse en Europese opiniebladen maar door te kijken, van rechts zowel als links, van Time tot Der Spiegel: in al die bladen tref je dezelfde kijk op het leven aan, die zich in dezelfde volgorde waarin hun inhoudsopgave is opgebouwd weerspiegelt, in dezelfde rubrieken, dezelfde journalistieke aanpak, dezelfde woordkeus en stijl, in dezelfde artistieke voorkeuren en in dezelfde hiërarchie van wat ze belangrijk en onbeduidend achten. De gemeenschappelijke geestesgesteldheid van de massamedia, die schuilgaat achter hun politieke verscheidenheid is de geest van de tijd.


Buruma doet het tevens voorkomen alsof ‘the quality press’ daadwerkelijk kritisch is, en juist daarom in ‘diskrediet’ wordt gebracht door ‘populistische demagogen.’ De minachting die spreekt uit de kop ‘Our Kind of Truth,’ is evenwel een kenmerkend voorbeeld van de liberal ‘elites who sneer at the views of ordinary Americans.’ Het ironische is dat ‘Ons Soort Waarheid’ eveneens opgaat voor de kliek, waarmee Buruma zich identificeert. Zo heeft hij een eigen ‘soort waarheid’ ontwikkeld, waarin het plegen van oorlogsmisdaden wordt aanbevolen aangezien ‘we must share America's dirty work,’ en ‘take the risk of being held accountable,’ hetgeen een opmerkelijk enthousiasme verraadt voor een Erasmusprijs-winnaar die ook nog eens democratie en mensenrechten doceert. Desondanks meent Buruma dat ‘the quality press’ geenszins beschouwd mag worden ‘as propaganda organs’ voor de macht. Wat dan wel, maakt hij niet duidelijk. In elk geval weerhoudt zijn eigendunk hem er niet van verder te gaan met:

[t]he public is increasingly segmented into groups of likeminded people who see their views echoed back to them in blogs, comments and tweets. There is no need to be exposed to different opinions, which are, in any case, considered to be propaganda…

The first people to argue that all truth is relative and that all information is a form of propaganda that reflects society's power relations… Several decades ago, a number of European and American intellectuals, often with a background in Marxism, developed a ‘post-modern’ critique of the written word. We might think, they argued, that what we read in The New York Times or Le Monde is objectively true, but everything that appears there is, in fact, a disguised form of propaganda for bourgeois class interests.

There is no such thing, the post-modern critic believes, as independence of thought. Objective truth is an illusion. Everyone is promoting class interests of one kind or another. The real lie, in this view, is the claim of objectivity. What is necessary to change the world is not the truth, but another form of propaganda, promoting different interests. Everything is political; that is the only truth that counts…

The most faithful followers of obscure leftist thinkers in Paris, New York or Berkeley are the most reactionary elements in the American heartland. Of course, if this were pointed out to them, they would no doubt dismiss it as elitist propaganda.

Niet geremd door de feiten blijft hij onbesuisdheden verkondigen. In zijn blindheid beseft Buruma niet dat het verwijt dat de bevolking steeds meer gefragmenteerd raakt in gelijkgestemde groepen die elkaars meningen blijven herhalen, tevens op hemzelf en zijn zelfbenoemde ‘politiek-literaire elite’ slaat. Als er ook maar één ding geldt voor de mainstream-pers, dan is het wel dat er bij haar geen enkele behoefte bestaat ‘to be exposed to different opinions, which are, in any case, considered to be propaganda,’ of, geconfronteerd te worden met ‘nep nieuws,’ zoals tegenwoordig ook verzwegen feiten heten. Zijn beschuldiging dat zelfs onder intellectuelen vandaag de dag ‘objective truth’ wordt gezien als ‘an illusion,’ is zeker waar, maar deze zienswijze is tevens kenmerkend voor de Buruma’s van de mainstream-pers. 

Laat ik een absoluut ‘objectieve waarheid’ opvoeren, die door de ‘liberal’ woordvoerders van de elite voortdurend wordt verzwegen, als ware zij ‘een illusie.’ Niet zomaar een lukraak gekozen ‘objectieve waarheid,’ maar één die het voortbestaan van de mensheid elke dag weer bedreigt. Het betreft de ‘systematic official secrecy, lying and obfuscation’ van ‘most aspects of the US nuclear planning system and force readiness that became known to me half a century ago still exist today.’ Deze'aspecten' kunnen op een ‘catastrophe’ uitlopen, die een einde aan het leven op aarde zal maken, aldus de voormalige Amerikaanse ‘nuclear war planner’ Daniel Ellsberg, internationaal vooral bekend als de voormalige defensieanalist die begin jaren '70 ontdekte dat de Amerikaanse bevolking jarenlang was voorgelogen over de Vietnamoorlog en die daarom geheime documenten doorspeelde naar The New York Times. Deze informatie ging de geschiedenis in als de zogeheten Pentagon Papers. Ter verduidelijking: in 2009 werd een documentairefilm over zijn leven gemaakt, met als titel The Most Dangerous Man in AmericaIn de proloog van zijn boek The Doomsday Machine. Confessions Of A Nuclear War Planner (2017) schrijft deze in 1931 geboren, voormalige adviseur van Het Witte Huis tijdens de Cuba Crisis in oktober 1962:

One day in the spring of 1961, soon after my thirtieth birthday, I was shown how our world would end. Not the earth itself, not — so far as I knew then, mistakenly — nearly all humanity or life on the planet, but the destruction of most cities and people in the northern hemisphere. What I was handed, in a White House office, was a single sheet of paper with a simple graph on it. It was headed ‘Top Secret — Sensitive.’ Under that was ‘For the President's Eyes Only.’

The ‘eyes only’ designation meant that, in principle, it was to be seen and read only by the person to whom it was explicitly addressed — in this case, the president. In practice, it usually meant that it was seen by one or more secretaries and assistants as well: a handful of people, instead of the scores to hundreds who would normally see copies of a Top Secret document, even one marked ‘sensitive,’ which meant that it was to be especially closely held for bureaucratic or political reasons.

Later, working in the Pentagon as the special assistant to the assistant secretary of defense, I often found myself reading copies of cables and memos marked ‘Eyes Only’ for someone, even though I was not the addressee. And by the time I read this one, as a consultant to the Office of the Secretary of Defense, it was already routine for me to read Top Secret documents. But I had never before seen one marked ‘For the President's Eyes Only.’ And I never did again. 

The deputy assistant to the president for national security, Bob Komer, showed it to me. A cover sheet identified it as the answer to a question that President Kennedy had addressed to the Joint Chiefs of Staff a week earlier. Komer showed their response to me because I had drafted the question, which Komer had sent in the president’s name. 

The question to the Joint Chiefs was this: ‘If your plans for general [nuclear] war are carried out as planned, how many people will be killed in the Soviet Union and China? […] The lowest number… was 275 million deaths. The number… at six months, was 325 million. 

That same morning, I had drafted another question to be sent to the Joint Chiefs over the president's signature, asking for a total breakdown of global deaths from our own attacks, to include not only the Sino-Soviet bloc but all other countries that would be affected by fallout as well. Komer showed it to me a week later, this time in the form of a table with explanatory footnotes.

In sum, another hundred million deaths, roughly, were predicted in Eastern Europe, from direct attacks on Warsaw Pact bases and air defenses and from fallout. There might be a hundred million more from fallout in Western Europe, depending on which way the wind blew (a matter, largely, of the season). But regardless of the season, another hundred million deaths, at least, were predicted from fallout in the mostly neutral countries adjacent to the Soviet bloc and China, including Finland, Sweden, Austria, Afghanistan, India, and Japan. Finland, for example, would be wiped out by fallout from U.S. ground-burst explosions on the Soviet submarine pens (bunkers. svh) in Leningrad. 

The total death toll as calculated by the Joint Chiefs, from a U.S. strike aimed at the Soviet Union, its Warsaw Pact satellites, and China, would be roughly six hundred million dead. A hundred Holocausts.

I remember what I thought when I first held the single sheet with the graph on it. I thought, This piece of paper should not exist. It should never have existed. Not in America. Not anywhere, ever. It depicted evil beyond any human project ever. There should be nothing on earth, nothing real, that it referred to. 

One of the principal expected effects of this plan — partly intended, partly (in allied, neutral, and satellite countries) undesired but foreseeable and accepted ‘collateral damage’ — was summarized on that second piece of paper, which I held a week later in the spring of 1961: the extermination of over half a billion people.

From that day on, I have had one overriding life purpose: to prevent execution of any such plan. 

Het zal de lezer niet ontgaan dat Ellsberg’s morele opvatting haaks staat op die van Buruma, die  in de aanloop van de desastreuze Irak-inval de overtuiging verspreidde dat 'we must share America's dirty work.’ Bovendien zullen ‘we,’  ons anno 2018 moeten realiseren dat het Amerikaans gewelddadig imperialisme ‘betrekkelijk goedaardig,’ is, ongeacht het feit dat volgens de Amerikaanse ‘Joint Chiefs of Staff’ en de politieke beleidsbepalers in Washington het vermoorden van tenminste een half miljard burgers een acceptabel uitgangspunt is om de Amerikaanse belangen te dienen. Hier, op dit punt aangekomen, betreden wij het rijk van de waanzin, een feit dat door de ‘vrije pers’ zoveel mogelijk wordt verzwegen. Ellsberg wijst niet alleen op de actualiteit van deze dreiging, maar ook op de omvang ervan: 

The basic elements of American readiness for nuclear war remain today what they were almost sixty years ago: Thousands of nuclear weapons remain on hair-trigger alert, aimed mainly at Russian military targets including command and control, many in or near cities. The declared official rationale for such a system has always been primarily the supposed need to deter — or if necessary respond to — an aggressive Russian nuclear first strike against the United States. That widely believed public rationale is a deliberate deception. Deterring a surprise Soviet nuclear attack — or responding to such an attack — has never been the only or even the primary purpose of our nuclear plans and preparations. The nature, scale, and posture of our strategic nuclear forces has always been shaped by the requirements of quite different purposes: to attempt to limit the damage to the United States from Soviet or Russian retaliation to a U.S. first strike against the USSR or Russia. This capability is, in particular, intended to strengthen the credibility of U.S. threats to initiate limited nuclear attacks, or escalate them — U.S. threats of ‘first use’ — to prevail in regional, initially non-nuclear conflicts involving Soviet or Russian forces or their allies. 

The required U.S. strategic capabilities have always been for a first strike force… Preemptive ‘launch on warning’ — either on tactical warning of an incoming attack or strategic warning that nuclear escalation is probably impending — has always been at the heart of our strategic alert.

During the 2016 presidential campaign, Donald J. Trump was reported to have asked a foreign policy advisor, about nuclear weapons, ‘If we have them, why can't we use them?’ Correct answer: We do. Contrary to the cliché that ‘no nuclear weapons have been used since Hiroshima and Nagasaki,’ U.S. presidents have used our nuclear weapons dozens of times in ‘crises,’ mostly in secret from the American public (though not from adversaries). They have used them in the precise way that a gun is used when it is pointed at someone in a confrontation, whether or not the trigger is pulled. To get one's way without pulling the trigger is a major purpose for owning the gun.

Moreover, our ‘extended deterrence’ over allies in Europe or Japan rests on our preparedness and our frequently reiterated readiness to carry out threats of first use (initiation of limited nuclear attacks with short-range tactical weapons) and/or, implicitly, to carry out a disarming first strike on the homeland of the USSR or Russia, mostly with long-range strategic weapons, in response to large non-nuclear attacks by its conventional forces or those of its allies. 

In 1961 schreef Harry Mulsch in zijn boek De Zaak 40/6:

Wat hebben wij eigenlijk over Eichmann te beweren? Wij, die zelfs de ongeborenen bedreigen: en die oorlog tegen ons nageslacht is al (sinds Hiroshima) zestien jaar aan de gang! Maar zoiets heet geen 'oorlog' meer, dat heet een vervloeking. Hier vervloekt de mens zichzelf, zijn eigen kindskinderen, hieruit spreekt een haat zo fundamenteel, dat wij wel moeten vrezen, de mens nog altijd overschat te hebben.

Geen woord daarover in Buruma’s lofrede op de ‘Pax Americana,’ of wanneer hij zich weer eens keert tegen critici van dit bestel, die niet meer geloven in de ‘objective truth’ van de mainstream-pers, de woordvoerders van ‘class interests of one kind or another.’ Buruma weigert onder ogen te zien dat de‘real lie,’ in werkelijkheid ‘the claim’ is ‘of objectivity,’ terwijl hij als geen ander kan weten dat‘[e]verything is political; that is the only truth that counts.’ Daarom, en daarom alleen, zwijgt hij als het graf over het voldongen feit dat ‘wij,’ de gewone burgers van de wereld, door een zeer kleine elite psychopaten elk moment van de dag en de nacht collectief  kunnen worden uitgeroeid, zonder dat ook maar iemand van ons bij machte is hiertegen iets te ondernemen. Net zoals de ‘populistische demagogen’ weigeren de ‘objectieve waarheid’ te accepteren, weigert mijn oude vriend Ian deze ‘objectieve waarheid’ te onderzoeken. Het is voor hem allemaal niet relevant genoeg om uitgebreid over te berichten. Ook zijn mens- en wereldbeeld is opgebouwd uit ‘illusies.’ En dus verzwijgt de door het establishment zo geprezen Buruma dat, in Daniel Ellsberg’s woorden, de ‘persistent rejection by the United States of a no-first-use commitment has always precluded an effective nonproliferation campaign,’ en dat 

[i]ndeed, it has encouraged proliferation in states hoping either to counter these American threats or to imitate them. But other aspects of U.S. nuclear policy as well have the same outcome, effectively promoting proliferation. Of course, our insistence on maintaining an arsenal of thousands of weapons, many on alert, a quarter century into the post-Cold War era, nullifies our advice to most other states in the world that they ‘have no need’ or justification for producing a single nuclear weapon. 

With respect to deliberate, authorized U.S. strategic attacks, the system has always been designed to be triggered by a far wider range of events than the public has ever imagined. Moreover, the hand authorized to pull the trigger on U.S. nuclear forces has never been exclusively that of the president, nor even his highest military officials.

As I discovered in my command and control research in the late fifties, President Eisenhower had secretly delegated authority to initiate nuclear attacks to his theater commanders under various circumstances, including the outage of communications with Washington (a daily occurrence in the Pacific) or a presidential incapacitation (which Eisenhower suffered twice). And with his authorization, they had in turn delegated this initiative, under comparable crisis conditions, to subordinate commanders.  


To my surprise, after I had alerted the Kennedy White House to this policy and its dangers, President Kennedy continued it (rather than reverse the decision of the ‘great commander’ who had preceded him). So did Presidents Johnson, Nixon, and Carter. So, almost certainly, has every subsequent president to this day, even though in the past several decades there may have been at least nominal ‘devolution’ (spreiding. svh) to some civilian outside Washington. This delegation has been one of our highest national secrets. 

The same was true for the Soviet Union, now Russia. Public discussion of American plans for ‘decapitation’ of Soviet command and control led to the institution and maintenance of a ‘Dead Hand’ system of delegation that would assure retaliation to an American attack that destroyed Moscow and other command centers. This, too, has been treated as a state secret: paradoxically, since on both sides the secrecy and denial diminish deterrence of a decapitating attack against it. 

An urgent reason for enlightening the world's public on this reality of the nuclear era is that it is virtually certain that this same secret delegation exists in every nuclear state, including the new ones: Israel, India, Pakistan, and North Korea.

De mond vol over andermans dwaasheden, blijft opiniemaker Buruma tegelijkertijd blind voor de eigen levensbedreigende gekte. Terecht merkte de Duitse filosoof Peter Sloterdijk op dat ‘[d]e enige vraag die blijft’ is of ‘het inzicht vanuit de bezinning zal komen, of uit de vuurgloed boven de aarde,’ waarbij duidelijk zal zijn dat in het laatste geval de nucleaire armageddon dit ‘inzicht’ overbodig maakt. De totale verwoesting en het rottend vlees van miljarden wereldbewoners zal het leven ondraaglijk maken. Desondanks zwijgt de ‘vrije pers’ over deze relevante ‘vraag,’ wanneer zij opnieuw Rusland als bedreiging van Europa afbeeldt, en Buruma in zijn Cold War Comforts stelt dat als ‘wij,’ inclusief onze nucleaire arsenalen, ‘are at the start of a new Cold War, so be it,’ om hieraan toe te voegen dat ‘[t]he whole point of the Cold War was to ensure that a hot one would be prevented.’ En dit terwijl de Amerikaanse voormalige minister van Defensie ten tijde van de Cuba Crisis, Robert McNamara, naderhand erop gewezen heeft dat:

I want to say, and this is very important: at the end we lucked out. It was luck that prevented nuclear war. We came that close to nuclear war at the end. Rational individuals: Kennedy was rational; Khrushchev was rational; Castro was rational. Rational individuals came that close to total destruction of their societies. And that danger exists today.

The major lesson of the Cuban missile crisis is this: the indefinite combination of human fallibility and nuclear weapons will destroy nations. Is it right and proper that today there are 7500 strategic offensive nuclear warheads, of which 2500 are on 15 minute alert, to be launched by the decision of one human being?

De ‘belangrijkste les’ van de eerste Koude Oorlog is dat het pure ‘mazzel was die een nucleaire oorlog voorkwam.’ Buruma’s reactie dat we de tweede Koude Oorlog voor lief moeten nemen, omdat ‘[t]he whole point of the Cold War was to ensure that a hot one would be prevented,’ is een drogreden, zoals elke serieuze waarnemer en insider weet. Daniel Ellsberg zet uiteen dat: 

my own highly classified study in 1964 — following my high-level staff participation in the crisis (Cuba Crisis. svh) — unearthed never-before-revealed details that, together with the new data, demonstrate that the risks were even higher than any previous account has concluded. Despite what I believe was the determination of both leaders to avoid nuclear war, events spiraled out of control, coming within a handbreadth of triggering our plans for general nuclear war.

The strategic nuclear system is more prone to false alarms, accidents, and unauthorized launches than the public (and even most high officials) has ever been aware. This was my special focus of classified investigation in 1958-61. Later studies have confirmed the persistence of these risks, with particularly serious false alarms in 1979,1980,1983, and 1995. The chance that this system could explode ‘by mistake’ or unauthorized action in a crisis as well as by the deliberate execution of nuclear threats — taking much of the world with it, has always been an unconscionable risk imposed by the superpowers upon the population of the world. 

Potentially catastrophic dangers such as these have been systematically concealed from the public. In 1961 I had learned as an insider that our secret nuclear decision-making, policy, plans, and practices for general nuclear war endangered, by the Joint Chiefs of Staff (JCS) estimate, hundreds of millions of people, perhaps a third of the earth's population. What none of us knew at that time — not the Joint Chiefs, not the president or his science advisors, not anyone else for the next two decades, until 1983 — were the phenomena of nuclear winter and nuclear famine, which meant that a large nuclear war of the kind we prepared for then or later would kill nearly every human on earth (along with most other large species). 

It is the smoke, after all (not the fallout, which would remain mostly limited to the northern hemisphere), that would do it worldwide: smoke and soot lofted by fierce firestorms in hundreds of burning cities into the stratosphere, where it would not rain out and would remain for a decade or more, enveloping the globe and blocking most sunlight, lowering annual global temperatures to the level of the last Ice Age, and killing all harvests worldwide, causing near-universal starvation within a year or two. 

U.S. plans for thermonuclear war in the early sixties, if carried out in the Berlin or Cuban missile crises, would have killed many times more han the six hundred million people predicted by the JCS. They would have caused nuclear winter that would have starved to death nearly everyone then living: at that time three billion. 

Hiroshima.

Is er sprake van een beschaving wanneer een systeem dreigt met het uitroeien van de mensheid? Is een dergelijke cultuur, waarin een zeer kleine elite over het lot van de mensheid beslist, rationeel, zoals een‘liberal’ als Ian Buruma beweert? Of had Mulisch gelijk toen hij stelde dat Eichmann een amateurtje was vergeleken met de huidige generatie Schreibtischmörder? Kan ‘the quality press’ zich beroepen op de claim geen ‘propaganda organs’ te zijn voor een ‘democratie,’ die bereid is genocide en collectieve zelfmoord te plegen, omdat enkele individuen de hele mensheid kunnen laten uitroeien, zodra zij menen dat het moment daarvoor is aangebroken? Bovendien, wat zegt het dat ik, of wie dan ook, gedwongen is deze vragen te stellen, terwijl de mainstream-pers doet alsof de doodsdrift van het ancien régime te rechtvaardigen is? Is het steunen van een dergelijke cultuur van de dood dan geen ‘demagogie’? De Verlichting ging, net als het Christendom, ervan uit dat ‘de waarheid’ de mens zal vrijmaken, maar hoe vrij zijn ‘wij’ als het zwaard van Damocles ons elk moment kan doorsteken? Wanneer de kernbom als massavernietigingswapen ‘een voltooiing van de mens in zijn “slechte” vorm’ is, omdat ‘wij,’ zoals Sloterdijk terecht opmerkt, niet nog ‘slechter, intelligenter en defensiever kunnen worden,’ waar baseert Buruma dan zijn claim op dat het Westen de Verlichting in de wereld heeft verspreid? De intelligentsia is niet in staat te ontkennen dat de kernbom — gelijk het biologische en chemische wapen — een manifestatie is van ‘rationality without reason.’ De ‘beschaving’ van de witte man is nu in staat om een punt te zetten achter de evolutie van het leven op aarde. Dit werpt een onthullend licht op Buruma’s advies aan Europa -- inclusief de nucleaire staten Frankrijk en Groot Brittanië -- om een deel van ‘America's dirty work’ op ons te nemen nu de westerse ‘vrije pers’ de geesten weer rijp maakt voor een gewelddadig conflict met de Russische Federatie. Ik vrees dat hij gelijk had toen hij bekende ‘a sucker for cheap sentiment’ te zijn, maar dit maakt hem nog gevaarlijker. ‘Goedkope sentimenten’ maken Buruma geen kosmopolitische journalist die streeft naar ‘objective truth,’ maar iemand die net als een ‘populistische’ agitator propaganda maakt voor ‘easy sentiment,’ dat in de journalistiek en de politiek maar al te vaak in hardnekkig ressentiment eindigt.  

Deze vijandigheid tegen de Ander kan vandaag de dag leiden tot de nucleaire holocaust waarbij volgens Daniel Ellsberg, als gevolg van de nucleaire winter,

[t]here would be no limiting of damage to the superpower attacker — or to its allies, or the ‘enemy’ population or that of neutrals throughout the globe — by its superpower adversary striking first rather than second (even without suffering retaliation), or by its preemption, ‘counterforce,’ or ‘decapitation’ attacks, in short by any of the missions the great bulk of its weapons are specifically designed and intended to do. Damage to itself, and to everyone else, from its own first strike would be total, unlimited. 

There is no sign that the findings of the latest scientific peer-reviewed studies of climatic consequences of nuclear war over the past decade have penetrated the consciousness of U.S. officials or Russian officials or have influenced in any way their nuclear deployments or arms-control negotiations. 

There is good reason to doubt that either George W. Bush or Barack Obama — or, for that matter, George H. W. Bush or Bill Clinton in the previous twenty years since the original studies — was ever, once, briefed on the scale of this result of the large ‘options’ he was presented with in nuclear command exercises. (Gorbachev has reported that he was strongly influenced by Soviet studies of this phenomenon, which underlay his desire to seek massive reductions and even the elimination of nuclear weapons in his discussions with Reagan, who made a similar attribution).

Een nucleaire oorlog is, zo weten we nu, per definitie zelfmoord, waarmee onomstotelijk bewezen wordt dat de democratie niet functioneert, want welke bevolking zou kiezen voor collectieve zelfmoord? Desondanks reageerde Buruma’s collega-opiniemaker Geert Mak enkele minuten na de Charlie Hebdo-aanslag 7 januari 2015 ‘misselijk van woede’ op deze terreur met de woorden dat ‘[d]e kracht van onze westerse samenleving onze democratie [is], onze variatie in ideeën, onze tolerantie, onze openheid tegenover andere culturen.’ Zonder enige intellectuele reflectie wist ‘de man van het grote verhaal, de verbanden, de historische context’ in no-time de officiële cliché’s te produceren. Hetzelfde gebrek aan distantie typeert zijn hetze tegen de Russische Federatie, een hetze die de basis legt voor een gewelddadig conflict dat in nucleaire genocide kan uitlopen. Opmerkelijk, zo niet krankzinnig, is dat mijn oude vriend Geert claimt in ‘het bestaan van een liefdevolle God’ te geloven, hetgeen voor hem betekent dat 

ik geloof in een genadige God. Dat is heel belangrijk: een milde, liefdevolle God. En dat je die genade overbrengt op je medemensen, dat je deel uitmaakt van een gemeenschap die de hele wereld omvat, dat er lijnen lopen tussen andere mensen en jou en tussen jou en God. Dat geeft soms troost, soms ordening, soms een gevoel van verantwoording. Het geeft lijn aan je handel en wandel. Als je vraagt wat mijn godsbeeld is: een vriendelijke, vaderlijke God, een milde man, die mensen doorziet in hun zwakheid.


Om het allemaal nog absurder te maken liet hij tegenover het damesblad Opzij ook nog weten in zowel ‘een hiernamaals’ te geloven als ook in ‘een laatste oordeel.’ Mak is namelijk

onder de indruk geraakt van aan de ene kant de verpletterende gruwelen en aan de andere kant de wissels in de geschiedenis waarvan ik dacht: hier kan alleen maar Onze Lieve Heer de hand in hebben gehad. We zijn door het oog van de naald gekropen.

En kennelijk juist daarom waarschuwt hij, met het oog op ‘meneer Poetin’s landjepik,’ dat je ‘defensie niet helemáál’ kunt ‘afbreken,’ alsof de NAVO niet dertien keer meer aan ‘defensie’ besteedt dan de Russische Federatie. Maar omdat Mak gelooft in ‘een milde, liefdevolle God. En dat je die genade overbrengt op je medemensen, dat je deel uitmaakt van een gemeenschap die de hele wereld omvat,’ past het mega-terrorisme van een nucleair armageddon naadloos in het religieus-ideologische denken van ‘de populairste geschiedenisleraar van het land,’ zoals hij zo treffend op televisie werd omschreven. Het is de mainstream-opiniemakers die de hele tijd door onweersproken hun propaganda kunnen verspreiden zodra de camera’s op hen zijn gericht, terwijl achter hun rug de hele façade van hun Potemkin-Democratie blijft afbrokkelen. Mak constateert wel dat ‘wij, als elite’ nu [k]waliteit, empathie en courage’ nodig hebben, maar juist deze kwaliteiten ontbreken hem en zijn collega's, zonder dat hij zich geroepen voelt te zwijgen, zodat hij tijd krijgt om -- vanzelfsprekend met de ‘genade’ van zijn ‘milde, liefdevolle God’ -- dit gebrek te verhelpen. Wat de zelfbenoemde ‘elite’ zou moeten hebben is de‘courage’ en intellectuele integriteit en zeker ook de ‘empathie,’ die Daniel Ellsberg zo voorbeeldig al een groot deel van zijn werkzaam leven toont. Voor hem geldt als intellectueel (niet in de zin van ‘wij,' de'elite’) deze begrippen niet inhoudsloos zijn, zoals tevens blijkt wanneer hij waarschuwt dat 

an American Doomsday Machine already existed in 1961 — and had for years — in the form of pre-targeted bombers on alert in the Strategic Air Command (SAC), soon to be joined by Polaris submarine-launched missiles. Although this machine wasn't likely to kill outright or starve to death literally every last human, its effects, once triggered, would come close enough to that to deserve the name Doomsday. 

Like discussion of covert operations and assassination plots, nuclear war plans and threats are taboo for public discussion by the small minority of officials and consultants who know anything about them. In addition to their own sense of identity as trustworthy keepers of these most sensitive secrets, there is a strong careerist aspect to their silence. Such officials have been concerned to maintain their high clearances, their access, and their possibility of being consultants after they've left service. This seamless discretion, coupled with systematic official secrecy, lying, and obfuscation has created extremely deficient scholarly and journalistic understanding and almost total public and congressional ignorance. 

In sum, most aspects of the U.S. nuclear planning system and force readiness that became known to me half a century ago still exist today, as prone to catastrophe as ever but on a scale, as now known to environmental scientists, looming vastly larger than was understood then. The present risks of the current nuclear era go far beyond the dangers of proliferation and non-state terrorism that have been the almost exclusive focus of public concern for the past generation and the past decade in particular. The arsenals and plans of the two superpowers represent not only an insuperable (onoverkomelijk. svh) obstacle to an effective anti-proliferation campaign; they are in themselves a clear and present existential danger to the human species, and most others. 

The hidden reality I aim to expose is that for over fifty years, all-out thermonuclear war — an irreversible, unprecedented, and almost unimaginable calamity for civilization and most life on earth — has been, like the disasters of Chernobyl, Katrina, the Gulf oil spill, Fukushima Daiichi,  and before these, World War I, a catastrophe waiting to happen, on a scale infinitely greater than any of these. And that is still true today. 

No policies in human history have more deserved to be recognized as immoral. Or insane. The story of how this calamitous predicament came about and how and why it has persisted for over half a century is a chronicle of human madness. Whether Americans, Russians, and other humans can rise to the challenge of reversing these policies and eliminating the danger of near-term extinction caused by their own inventions and proclivities (instincten. svh) remains to be seen. I choose to join with others in acting as as if that is still possible. 


Ook de Buruma’s van de ‘vrije pers’ weten dat ‘Like discussion of covert operations and assassination plots, nuclear war plans and threats are taboo for public discussion by the small minority of officials and consultants who know anything about them,’ maar zij accepteren moeiteloos dat ‘[t]his seamless discretion, coupled with systematic official secrecy, lying, and obfuscation has created extremely deficient scholarly and journalistic understanding and almost total public and congressional ignorance.’ Niet desondanks, maar juist daarom wordt hij geprezen door de gevestigde orde, hij weet zijn plaats, en werkt zodoende als een kleine radertje in The Doomsday Machine gehoorzaam mee aan ‘a catastrophe waiting to happen, on a scale infinitely greater than’ooit tevoren. het Is ‘immoral’ en ‘insane,’ maar onvermijdelijk. In NRC Handelsblad van 7 oktober 2017 stelde hij: ‘Voor Kim Jong-un is vernietiging beter dan overgave,’ zonder erbij te vermelden dat precies hetzelfde opgaat voor de Amerikaanse politieke en militaire elite. Toch weet hij dat ‘elk geloof’een ‘samenraapsel [is] van allerlei tradities en religies,’ dus inclusief het Amerikaanse geloof in het ‘exceptionalisme,’ een politieke doctrine gebaseerd op de superioriteitsgedachte van zowel het christendom als de Verlichting. Illustrerend voor zijn gesloten wereldbeeld is de volgende uiteenzetting van Buruma:  
    
voor ongelovigen klinken de mirakelverhalen van alle godsdiensten enigszins bespottelijk. De Noord-Koreanen vormen daarop geen uitzondering. De aantrekkingskracht van sommige religies valt goed te verklaren. Verschoppelingen lieten zich vaak bekeren tot de islam of het christendom in de hoop op gelijkheid – tenminste in de ogen van God.

En desalniettemin is mijn oude vriend niet bij machte zich te realiseren dat dezelfde levensgevaarlijke neiging tevens opgaat voor de Amerikaanse en Europese gelovigen in het ‘exceptionalisme,’ het rotsvaste geloof dat de VS ‘the greatest nation in the history of the world and a force for good.’ In zijn boek American Exceptionalism. A Double-Edged Sword (1997) schreef de Amerikaanse politieke socioloog Seymour Martin Lipset dat de VS:

has defined its raison d’être ideologically. As historian Richard Hofstadter has noted, ‘It has been our fate as a nation not to have ideologies, but to be one.’ In saying this, Hofstadter reiterated Ralph Waldo Emerson and Abraham Lincoln’s emphases on the country’s ‘political religion,’ alluding in effect to the former’s statement that becoming American was a religious, that is, ideological act. The ex-Soviet Union apart, other countries define themselves by a common history as birthright communities, not by ideology…

Winston Churchill once gave vivid evidence to the difference between a national identity rooted in history and one defined by ideology in objecting to a proposal in 1940 to outlaw the anti-war Communist Party. In a speech in the House of Commons, Churchill said that as far as he knew, the Communist Party was composed of Englishmen and that he did not fear an Englishman. In Europe, nationality is related to community, and thus one cannot become un-English or un-Swedish. Being an American, however, is an ideological commitment. It is not a matter of birth. Those who reject American values are un-American.

Volgens Lipset werd dit ideologisch geloof gekenmerkt door de verheerlijking van het individu:

America has been dominated by pure bourgeois, middle-class individualistic values. As (H.G.) Wells put it: ‘Essentially America is middle class [which has] become a community and so essentially problems are the problems of a modern individualistic society, stark and clear.’

Dit zijn niet alleen de problemen van de vervreemding, het benauwende isolement van het individu in een onverzadigbare consumptiemaatschappij. Ook het permanente expansionisme is problematisch gezien de daarbij behorende mentaliteit van het gemobiliseerd blijven, zowel fysiek als mentaal, waardoor het individu nooit echt kan wortelen in zijn omgeving. Vandaag de dag voelt het geïsoleerde individu zich door van alles bedreigd als gevolg van wat de Amerikaanse socioloog Philip Slater in zijn studie The Pursuit of Loneliness (1990) typeerde als ‘the competitive greed and inhumanity that dominates the market economy,’ een zichzelf vernietigende cultuur die is voortgekomen uit het feit dat

[t]his nation was settled and continually repopulated by people who were not personally successful in confronting the social conditions in their mother country, but fled in the hope of a better life. By a kind of natural selection, America was disproportionately populated with a certain kind of person.

In the past we’ve always stressed the positive side of this selection, implying that America thereby found herself blessed with an unusual number of energetic, mobile, ambitious, daring, and optimistic persons.

Slater benadrukte al in 1970 dat

very little attention has been paid to the negative side of the selection. If we gained the energetic and daring, we also gained the lion’s share of the rootless, the unscrupulous, those who valued money over relationships, and those who put self-aggrandizement ahead of love and loyalty. And most of all, we gained an undue proportion of persons who, when faced with a difficult situation, tended to chuck the whole thing and flee to a new environment. Escaping, evading, and avoiding are responses which lie at the base of much that is peculiarly American,’

en dat

these responses also contributed to the appalling discrepancy between our wealth and our treatment of those who cannot adequately care for themselves. In a cooperative, stable society, the aged, infirm, or psychotic person van be absorbed by the local community, which knows and understands him. He presents a familiar difficulty that can be confronted daily and directly. The situation cannot be reproduced in our society today — the same burden must be carried by a small, isolated, mobile family unit that is not really equipped for it.


Het gevolg is dat ‘[t]he institutions we provide for those who cannot care for themselves are human garbage heaps — they both result from and reinforce our tendency to avoid confronting social and interpersonal problems.’  De VS is, in de strikte zin van het woord, geen samen-leving, maar een maatschappij waarin de ‘winner takes all,’ en voor de ‘loser’ geen plaats is. Deze cultuur wordt gevoed door angst voor de Ander, die als gevolg van het Amerikaans expansionisme alleen maar toeneemt, want de Ander is nu overal op aarde. Hier gaan Sartre’s woorden op dat ‘L'enfer, c'est les Autres.’ Dat de hel, de Anderen zijn blijkt bovendien uit het feit dat westerse mainstream-media het Kwaad elders blijven zoeken. Het Kwaad is voor hen Rusland en China, en Noord Korea, Iran, de huidige ‘axis of evil.’ De Amerikaanse cultuur kan niet anders, wil zij niet geconfronteerd worden met haar eigen onpeilbare leegte, ’when you're lost in the rain in Juarez when it's Easter time, too. And your gravity fails and negativity don't pull you through’? Waar moet je heen, wanneer je ‘don't have the strength to get up and take another shot. And my best friend, my doctor, won't even say what it is I've got’? zoals Bob Dylan haarscherp aanvoelde, in navolging van de de eerste ontgoochelde naoorlogse generatie, de Beat-Generation. Hier staan ‘wij,’ de preventief ter dood veroordeelden, sprakeloos te kijken naar het zwarte gat, waaruit de terreur van massavernietigingswapens is voortgekomen, en door de politici van de westerse ‘democratie’ met een ontzagwekkende kadaverdiscipline worden geaccepteerd, terwijl ondertussen Ian Buruma, hoogleraar Democratie, Mensenrechten en Journalistiek, druk doende is overal ter wereld rond te bazuinen dat zelfs als ‘het einde van Pax Americana geen heftige militaire conflicten met zich mee[brengt]’ wij allen ‘ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ En misschien wel het meest deprimerende is dat het diepe inzicht van Amerikaanse kunstenaars en intellectuelen in hun eigen cultuur niet is opgewassen tegen de waanzin die de Buruma’s van de commerciële media dagelijks weten te verspreiden.  



Geen opmerkingen:

Registering Israel’s “Useful Idiots”

Registering Israel’s “Useful Idiots” FDD and AIPAC need adult supervision   5       0     1         7 ...