zondag 7 januari 2018

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 37


American journalism (like the journalism of any other country) is predominantly paltry (armzalig. svh) and worthless. Its pretensions are enormous, but its achievements are insignificant.
H. L. Mencken

[I]t is not yet clear who is using whom in Trump’s world. In their obsession with low corporate and personal taxes, and their loathing of organized labor and the federal government, rich donors, such as the brothers Charles and David Koch, or the casino magnate Sheldon Adelson, appear to be manipulating Trump, rather than the other way around. In a sense, they, as much as Krupp or Opel (if not more so), represent a type of capitalism that is being untethered from all necessary restraints. This began long before Trump appeared on the scene. The process goes back at least as far as Ronald Reagan’s era of ‘supply-side’ tax cuts and deregulation,

aldus Ian Buruma in zijn column voor Project-Syndicate van 5 december 2017.

Om te achterhalen wat Buruma nu precies bedoelt, is het opnieuw noodzakelijk zijn werkstuk te fileren. Hoewel hij pretendeert dat ‘het nog niet duidelijk is wie wie gebruikt in Trump’s wereld,’ blijkt hij al in de volgende zin het antwoord te hebben gevonden: ‘rich donors, such as the brothers Charles and David Koch, or the casino magnate Sheldon Adelson, appear to be manipulating Trump, rather than the other way around.’ De miljardair Trump wordt eerder door andere miljardairs gemanipuleerd, ‘dan omgekeerd.’ Het enige dat hieraan niet klopt is het begrip ‘manipuleren,’ want dit werkwoord betekent ‘het overtuigen en overhalen van een persoon, zodat deze persoon zich vormt naar de wensen van een ander,’ en dat is hier absoluut niet het geval. Trump ‘vormt’ zich niet ‘naar de wensen van’ de gebroeders Koch of meneer Adelson wanneer hij de rijken een belastingvoordeel bezorgt, geenszins, want ook hijzelf profiteert ervan. President Trump behoort tot wat oud-president Carter de ‘oligarchie’ betitelt, die sinds midden jaren zeventig van de vorige eeuw in toenemende mate de politieke macht in de VS in handen kreeg. Het betreft hier een kleine elite van astronomisch rijke individuen, zonder enig sociaal- en moreel besef. Desondanks wordt een  beursspeculant als George Soros door mainstream-opiniemaker Buruma dermate bewonderd dat hij hem als maatstaf voor fatsoen opvoert, door te stellen dat: ‘There is at least one good test of where people stand: their view of the international investor and philanthropist George Soros,’  een ‘Hungarian-born Jew,’ die naar het oordeel van mijn oude vriend ‘might be described as the personification of “the West”,’ oftewel ‘rich’ en ‘toegewijd aan’ hetgeen in neoliberale kringen de ‘open samenleving’ heet. En dus is een wegens crimineel gedrag veroordeelde speculant, die zelf niets produceert en ten koste van de gemeenschap opereert, in de ogen van Buruma een ‘internationale investeerder en filantroop.’ Het spreekt voor zich dat Buruma graag optreedt voor de door Soros in het leven geroepen ‘Open Society Foundations.’ Een speculant die zich verrijkt heeft aan de handel in lucht, is vanzelfsprekend voor de mainstream-pers bij uitstek ‘de personificatie van “het Westen.’’’ Maar degenen die niets van de praktijken van Soros moeten hebben, worden door Buruma gecriminaliseerd als ‘nativists and anti-Semites.’ En zo helpen veroordeelde geldhandelaren en intellectueel gecorrumpeerde journalisten elkaar de brug over. 


Dit wetende is het van belang ook de volgende bewering van Buruma tegen het licht te houden: 

In a sense, they (de gebroeders Koch, en de casino magnaat Sheldon Adelson. svh), as much as Krupp or Opel (if not more so), represent a type of capitalism that is being untethered from all necessary restraints. This began long before Trump appeared on the scene. The process goes back at least as far as Ronald Reagan’s era of ‘supply-side’ tax cuts and deregulation.

Hier doet zich opnieuw een kenmerkende Burumaanse tegenstrijdigheid voor. Wanneer dit ‘kapitalisme’ al sinds Reagan niet beperkt werd door ‘all necessary restraints,’ dan is het onlogisch Trump ervan te beschuldigen dat juist hij ‘a danger to democracy’ is ‘for the sake of immediate financial gain,’ en dat Trumps rijke financiers mogelijk nog erger zijn dan nazi-collaborateurs als Krupp of Opel. Het is domweg meten met twee maten wanneer hij Democratische presidenten als Bill Clinton en Barack Obama na tweemaal acht jaar neoliberaal wanbeleid met rust laat en soms zelfs prijst, terwijl hij na nog geen jaar presidentschap Trump ervan beschuldigt ‘een gevaar voor de democratie’ te zijn. Zelfs ‘liberal’ journalisten dienen zich te realiseren dat hun zelfcensuur onvermijdelijk overgaat in publiekelijke zelfspot. ‘You can fool some of the people all of the time, and all of the people some of the time, but you can not fool all of the people all of the time.’ In de filmdocumentaire Saving Capitalism (2017) vertelt Robert Reich, tijdens de eerste Clinton-regering minister van Werkgelegenheid, hoe hij vergeefs vocht tegen de duizenden overheidssubsidies en belastingvoordelen die destijds al naar de grote concerns vloeiden. Reich:

The top five oil-companies receive a combines four billion dollar in tax-breaks each year. Google receives 632 million dollar in governments-subsidies to build datacenters, and the U.S. Department of Agriculture spends 20 billion dollar every year on subsidies that go mostly to the largest producers. These subsidies are costing taxpayers tens of billions of dollars every year. Some estimates put it at over a hundred billion. That is more than the cost of funding the entire department of education. 

We have a huge system now of corporate welfare. aid for the independent corporations, subsidies and tax-breaks that have no economic justification at all. They are there because individual corporations of specific industries have lobbied to get them. It is in the tax-code, it is in appropriation bills, it is in our trade-laws, wherever you look, you find corporate welfare. 

Al in 1994, bijna een kwart eeuw voordat Donald Trump als president aantrad, waarschuwde Robert Reich als minister van Werkgelegenheid in een toespraak, getiteld ‘The Revolt of the Anxious Class’ tegenover de Democratic Leadership Council in Washington:

We are on the way to becoming a two-tiered society composed of a few winners and a larger group left behind, whose anger and disillusionment is easily manipulated. Once unbottled, mass resentment can poison the moral integrity of a nation, replacing ambition with envy, tolerance with hate. Today the targets of rage are immigrants, welfare mothers, government officials, gays, and an ill-defined ‘counter-culture.’ As the middle class continues to erode, who will be the targets tomorrow?

All of which raises the central question: Why is it no longer the case that working hard and playing by the rules reaps a just reward? Why is the middle class fragmenting? Simply this: Hard work is not enough any more, because two emerging forces have rewritten the rules. The first is technology -- largely computer based -- which has either eradicated or devalued every routine job which can be done by a software program, and simultaneously enriched every job utilizing the problem-solving skills of the human brain. The second force is global competition, which has reinforced the same trends, imperiling the jobs of those who must compete with low-wage workers elsewhere on the planet, while rewarding those better equipped to take advantage of new markets for American insights and skills. And we cannot overlook labor unions, whose decline accounts for as much as 20 percent of the increase in wage inequality among American men.

There is another reason, more difficult to quantify but probably no less important: The breaching of the postwar bargain between companies and their employees. It used to be that as companies became more productive and more profitable, employees who worked hard and proved their loyalty could count on steady jobs with rising pay and better benefits. No more.

All the old bargains, it seems, have been breached. The economic bargain was that if you worked hard and your company prospered, you would share the fruits of success. There was a cultural bargain, too, echoing the same strong themes of responsibility and its rewards: Live by the norms of your community -- take care of your family, obey the law, treat your neighbors with respect, love your country -- and you'd feel secure in the certainty that everyone else would behave the same way.

Hoe profetisch Robert Reich’s inzicht was, blijkt ondermeer uit zijn waarschuwing dat ‘As the middle class continues to erode, who will be the targets tomorrow?’ Maar krankzinnig genoeg zijn het nu juist de mainstream-opiniemakers die deze koppeling nog steeds niet kunnen maken. In plaats van zijn verantwoordelijkheid te nemen, portretteert Ian Buruma zichzelf en zijn ‘educated urban elites, including capitalists on Wall Street,’ als slachtoffer van ‘Trump’ die ‘used populist language in his campaign, stoking up popular resentment’ tegen zwendelende speculanten als George Soros en Lloyd Craig Blankfein, 'Chairman of Goldman Sachs.' Door de aloude truc van ‘Blaming the Victim’ tracht Buruma de werkelijkheid op haar kop te zetten, in een poging zijn gefortuneerde broodheren te behagen. Daarentegen tonen Amerikaanse deskundigen in hun werk aan hoe er wel degelijk een correlatie bestaat tussen enerzijds de neoliberale politiek van Democratische en Republikeinse presidenten, en anderzijds de toenemende woede van de meerderheid van de Amerikaanse bevolking over het gevoerde beleid. Als buitenstaander zou Buruma er goed aan doen het werk te bestuderen van insiders als de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Economie, professor Joseph Stiglitz, de voormalige Amerikaanse minister van Werkgelegenheid, professor Robert Reich en de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Economie, professor Paul Krugman. Opnieuw Reich in de documentaire Saving Capitalism:

You can see the cumulative effect of all this over time. Wealth creating political power, creating changes in the rules that enhances wealth. It is not sustainable. It is getting worse and worse and worse. 

Als gevolg van president Clinton’s politiek van deregulering ‘Wall Street went amok,’ aldus Reich, 

I mean, completely crazy. They are gambling with people’s deposits, they are gambling with the entire economy, and these are not aberrations. It is not an accident. Since the Reagan-administration there has been a systematic changing of the rules of the financial system. Always billed (aangekondigd. svh) as deregulation,  to get the government out of the free market. And in 1998 Wall Street devised new complex financial instruments to maximize its profits, known as ‘derivatives.’ Despite warnings these went unregulated. And then in 1999 Clinton did away with the Glass-Steagall Act. This act was a 1930’s law, designed to protect people’s savings from being used by Wall Street-speculators. But now, with no laws in place to keep risky investment-banks from merging with commercial banks, or no controlled derivates-market, we ushered in ‘too big to fail’ mega-banks that lead to the stock-market-crash (in 2008 svh)

You know, there is this fiction that somehow you have regulation or deregulation, but you don’t have regulation or deregulation. The question is: which kind of regulation you have. You allowed commercial- and investment banks to get together, and than what happened is that you have a new kind of regulation, it is called: bailouts. We are not going to get rid of government. Remember, that is the point. Government is still going to be involved. The question is: how is government going to be involved? Is government going to be involved in terms of keeping banks relatively small and tame, or is government going to be involved in dealing with the consequences from home-owners and everybody else, sweeping up the mess? In other words: it’s not government or no government, but what are the government rules going to be. 

Ondertussen blijft Ian Buruma met grote stelligheid volhouden dat, let op, ‘even if the end of Pax Americana does not result in military invasions, or world wars, we should ready ourselves for a time when we might recall the American Empire with fond nostalgia.’ Ook in de NRC mag hij dan beweren dat de mensheid ‘met weemoed’ zal ‘terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ maar de vraag blijft of — nog afgezien van de buitenlandse slachtoffers van het agressieve Amerikaanse neoliberalisme — de meer dan 40 miljoen Amerikanen die vandaag de dag onder de armoedegrens leven, na de ineenstorting van het Amerikaanse rijk werkelijk met ‘tedere nostalgie’ zullen ‘terugkijken’ op hun armoedig bestaan. Eén op de zes kinderen in de VS lijdt honger, en in 

December 2017, the United Nations special rapporteur on extreme poverty and human rights, Philip Alston, undertook a two week investigation on the effects of systemic poverty in the United States, and sharply condemned ‘private wealth and public squalor.’ 

Deze feiten weerhouden Buruma en zijn ‘stedelijke elites’ er niet van om de armen de schuld te geven van hun armoede, en om verontwaardigd en zelfs woedend te reageren op het feit dat de meerderheid van de bevolking geen vertrouwen meer heeft in het gecorrumpeerde bestel, waarvan de elites zo profiteren. De OECD, de ‘Organization for Economic Co-operation and Development declared in 2008 that child poverty in the US is 20% and poverty among the elderly is 23%.’ Hoewel de realiteit geen rol van betekenis speelt in Buruma’s mens- en wereldbeeld, verklaart de dagelijkse werkelijkheid wel degelijk waarom een ‘populist’ als Donald Trump het vertrouwen kreeg van een niet te verwaarlozen deel van de Amerikaanse kiezers, terwijl Hillary Clinton, als exponent van de liberale elite, door tenminste even zovelen werd afgewezen. De meningen van mijn opinies producerende oude vriend moeten dan ook niet gezien worden als een neerslag van de realiteit, maar als de goed betaalde propaganda van een ‘social climber,’ oftewel iemand die ‘becomes friends with someone else if they have something that they want.’ Vandaar ook zijn bewondering voor George Soros, die in het tijdschrift The New York Review of Books een platform heeft gevonden om zijn vermeende ‘filantropische’ opvattingen openbaar te maken. Nu Buruma er hoofdredacteur is geworden zal daar zeker geen eind aan komen, hetgeen wederom bewijst dat met genoeg ‘filantropisch’ geld zelfs een criminele speculant zich moeiteloos toegang kan verschaffen tot de soirées van de ‘urban elites.’ Onverzadigbare begeerte, meedogenloze doelgerichtheid, benevens gebrek aan tradities en decorum zijn voldoende om in die kringen geaccepteerd te worden, zoals ‘we’ uit het verleden kunnen opmaken. Geld is macht, en macht produceert nog meer geld, net zolang tot het systeem aan zijn eigen corruptie ten onder gaat. Met democratie heeft dit alles niets te maken. In zijn werk Verval en Ondergang van het Romeinse Rijk maakt Edward Gibbon duidelijk hoe de macht niets te vrezen heeft zolang zij maar de schijn van democratie levendig houdt. Over Augustus, de eerste keizer van Rome schreef hij: ‘When he framed the artful system of the Imperial authority, his moderation was inspired by his fears. He wished to deceive the people by an image of civil liberty, and the armies by an image of civil government.’ Maar net als in de huidige VS was er geen sprake meer van een ware democratie, en bestond de ‘civil liberty’ nog slechts in vorm, dus als ‘image.’ Met betrekking tot zowel de Romeinse elite als de bevolking stelde Gibbon:

A feeble senate and enervated people cheerfully acquiesced in the pleasing illusion, as long as it was supported by the virtue, or even by the prudence, of the successors of Augustus. It was a motive of self-preservation, not a principle of liberty, that animated the conspirators against Caligula, Nero, and Domitian. They attacked the person of the tyrant, without aiming their blow at the authority of the emperor.

There appears, indeed, one memorable occasion, in which the senate, after seventy years of patience, made an ineffectual attempt to re-assume its long-forgotten rights. When the throne was vacant by the murder of Caligula, the consuls convoked that assembly in the Capitol, condemned the memory of the Caesars, gave the watchword liberty to the few cohorts who faintly adhered to their standard, and during eight-and-forty hours acted as the independent chiefs of a free commonwealth. But while they deliberated, the praetorian guards had resolved. The stupid Claudius, brother of Germanicus, was already in their camp, invested with the Imperial purple, and prepared to support his election by arms. The dream of liberty was at an end; and the senate awoke to all the horrors of inevitable servitude. Deserted by the people, and threatened by a military force, that feeble assembly was compelled to ratify the choice of the praetorians (De Praetoriaanse garde, een speciale militaire eenheid die de keizerlijke lijfwacht vormde. svh) and to embrace the benefit of an amnesty, which Claudius had the prudence to offer, and the generosity to observe. 

Een soortgelijke situatie is de afgelopen zes decennia in de Verenigde Staten ontstaan. Al in 1966 waarschuwde senator William Fulbright met klem voor de levensgevaarlijke consequenties van de gewelddadige Amerikaanse buitenlandse politiek en de dreiging die van het Amerikaanse militair-industrieel complex uitgaat. Als langst zittende ‘chairman of the Foreign Relations Committee’ — tot hij, vanwege zijn kritiek op Israel, werd verdreven door de machinaties van de rijke zionistische lobby — zette hij ruim een halve eeuw geleden uiteen: 

America is now at that historical point at which a nation is in danger of losing its perspective on what exactly is within the realm of its power and what is beyond it. Other great nations, reaching this critical juncture, have aspired to too much, and by overextension of effort have declined and then fallen. 

The causes of the malady are not entirely clear but its recurrence is one of the uniformities of history: power tends to confuse itself with virtue and a great nation is peculiarly susceptible to the idea that its power is a sign of God's favor, conferring upon it a special responsibility for other nations… to remake them, that is, in its own shining image. Power confuses itself with virtue and tends also to take itself for omnipotence. Once imbued with the idea of a mission, a great nation easily assumes that it has the means as well as the duty to do God’s work. The Lord, after all, surely would not choose you as his agent and then deny you the sword with which to work His will. German soldiers in the First World War wore belt buckles imprinted with the words ‘Gott mit uns.’ It was approximately under this kind of infatuation — an exaggerated sense of power and an imaginary sense of mission — that the Athenians attacked Syracuse and Napoleon and then Hitler invaded Russia. In plain words, they overextended their commitments and they came to grief…

An excessive preoccupation with foreign relations over long period of time is more than a manifestation of arrogance; it is a drain on the power that gave rise to it, because it diverts a nation from the sources of its strength, which are in its domestic life. A nation immersed in foreign affairs is expending (verbruikt. svh) its capital, human as well as material; sooner or later that capital must be renewed by some diversion of creative energies from foreign to domestic pursuits. I would doubt that any nation has achieved a durable greatness conducting a ‘strong’ foreign policy, but many have been ruined by expending their energies in foreign adventures while allowing their domestic bases to deteriorate. The United States emerged as a world power in the twentieth century, not because of what it had done in foreign relations, but because it had spent the nineteenth century developing the North American continent; by contrast, the Austrian and Turkish empires collapsed in the twentieth century in large part because they had so long neglected their internal development and organization… 

The missionary instinct in foreign affairs may, in a curious way, reflect a deficiency rather than an excess of national self-confidence. In America’s case the evidence of a lack of self-confidence is our apparent need for constant poof and reassurance, our nagging (zeurende. svh) desire for popularity, our bitterness and confusion when foreigners fail to appreciate our generosity and good intentions. Lacking an appreciation of the dimensions of of our own power, we fail to understand our enormous and disruptive impact on the world… 

Maar dit laatste, de westerse ‘verwoestende impact op de wereld,’ wordt door Buruma domweg genegeerd wanneer hij opgewekt stelt dat 

the United States, with the help of Britain, set up a new international order after 1945, based on free trade, supranational institutions, and, in theory at least, the promotion of liberal democracy.

Hij verzuimt erbij te vermelden dat de op ‘vrijhandel’ gebaseerde ‘supranationale instituten’ als bijvoorbeeld de Wereldbank en het IMF waren opgericht om allereerst en vooral de belangen te dienen van de westerse economische en financiële elite, waardoor de ‘new international order’ in de praktijk erop neerkwam dat slechts twintig procent van de wereldbevolking over 80 procent van de aardse rijkdommen kon beschikken, en de armen een graantje moesten meepikken van wat erover gebleven was. Deze met een zekere trots door Buruma vermelde ‘orde’ is in de praktijk natuurlijk één grote ‘wanorde,’ die is geresulteerd in het feit dat slechts acht individuen vandaag de dag evenveel bezitten als de helft van de hele mensheid tezamen. Desalniettemin, voor een  modale opiniemaker als Ian geldt dit als een huzarenstukje van de destijds beoogde ‘new international order,’ waarin ‘in theory at least, the promotion of liberal democracy’ een centrale rol speelde, behalve dan als deze ‘liberal democracy’ de belangen van de rijken bedreigde, want dan werden de democratische regeringen door de VS snel ten val gebracht, zoals in Guatemala, Iran, Congo, Chili en andere soevereine staten, waar Buruma’s ‘urban elites’ de activiteiten van de CIA steunden, zoals uitgebreid en gedocumenteerd is beschreven door talloze Amerikaanse journalisten van naam, maar door Nederlandse journalisten doorgaans worden verzwegen, en nog steeds niet in een bredere context worden geplaatst. Hier moet men het doen met Buruma’s propaganda over het ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme vanuit Washington’ of met Geert Mak’s goedkeurende woorden dat de VS na 1945 ‘decennialang als ordebewaker en politieagent’ van de wereld heeft gefungeerd. In al zijn dwaasheid gaat Buruma nog een stapje verder, want zijn opmerking over ‘the promotion of liberal democracy’ wordt onmiddellijk gevolgd door zijn opmerking dat ‘ondanks’ al de goede werken van de Amerikaanse elite:

the war of ideas never really ended. Once again, liberal ideas, internationalism, and openness to immigrants, are under fire. Only marginal groups openly espouse National Socialism (though they, too, are becoming more conspicuous). But official hostility against cultural or religious minorities is back, as is the loathing of cosmopolitan elites.

Let wel, Buruma’s ‘kosmopolitische elites’ behoren tot dezelfde geprivilegieerden die de VS voortdurend ergens op aarde in oorlog hebben gehouden, en die de tweedeling wereldwijd almaar hebben laten toenemen. Uit langdurige ervaring weet ik dat het een karakteristiek aspect van de mainstream-pers is dat zij zich voordoet als ‘kosmopolitisch,’ terwijl haar ‘kosmopolitisme’ in werkelijkheid niet verder reikt dan haar eigen kleinburgerlijke milieu, waar ter wereld zij ook moge verkeren. Die kliek is klein, gebruikt dezelfde cliché’s, heeft dezelfde opvattingen, dezelfde (wan)smaak, en lijdt collectief aan dezelfde angsten en driften. Bovendien kenmerkt zij zich door dezelfde pedanterie. Een maand voordat Trump tot president werd gekozen, noemde Buruma hem een ‘a populist agitator,’  van wie veel van ‘his supporters don’t seem to care much about reasoned argument – that is for the liberal snobs. Emotions count more, and the prime emotions that demagogues manipulate, in the US and elsewhere, are fear, resentment, and distrust.’ De brutalen hebben de halve wereld, moet hij gedacht hebben, want als er iemand is die bij gebrek aan aan ‘reasoned argument’ telkens weer ‘prime emotions’ als ‘fear, resentment, and distrust’ inzet om zijn publiek te ‘manipuleren’ is het wel Ian Buruma zelf. Ik bedoel, iemand die met grote stelligheid beweert dat zelfs al zal het einde van de ‘Pax Americana geen heftige militaire conflicten met zich’ meebrengen, de mensheid zich toch zal ‘moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ is een zwendelaar, die bij gebrek aan enig ‘reasoned argument’ propaganda verspreidt. De haat tegen degenen die niet tot zijn 'urban elites' behoren leidt tot uitspraken als deze:

The Trump supporters are showing a similar animus (als de nazi’s tegen de joden) against symbols of the elite, such as Wall Street bankers, ‘mainstream’ media, and Washington insiders. 

In Buruma’s vileine simplisme is Trump’s aanhang niet meer dan een zootje irrationele raddraaiers die alleen gemotiveerd worden door racisme en vreemdelingenhaat, paradoxaal genoeg dezelfde haat en minachting, waarmee Buruma net als de eerste de beste ‘populistische opruier’ zijn tegenstanders criminaliseert. Hij bejegent met onverholen woede de gedupeerde ‘lower classes,’ die mede door de aloude kapitalistische culturele deprivatie niet over de juiste begrippen beschikken om hun gedachten en gevoelens te kunnen verwoorden.  Met de kapsones van een zelfbenoemde deskundige stelt hij:

It is a question of relatively underprivileged people in a globalizing, increasingly multi-cultural world, resenting those who are even less privileged.

De ruim 40 miljoen Amerikaanse burgers die onder de armoedegrens leven, en de zwaar getroffen middenklasse die op weg daar naar toe is, worden door Buruma en zijn gefortuneerde ‘stedelijke elites’ afgeschilderd als ‘relatively underprivileged people.’ Voor de neoliberale elites geldt dat armoede en het ‘kansarm zijn’ geen feitelijke gegevens zijn, maar gezien moeten worden als slechts een ‘relatieve’ kwestie, want als die Amerikanen in Afrika hadden geleefd dan zouden ze immers pas echt ‘kansarm’ zijn geweest. Met dergelijke kromme redeneringen trekt mijn oude vriend een façade op, waarachter hij en zijn broodheren zich ver verheven kunnen voelen boven het gespuis, dat sinds Trump’s kandidaatstelling weigert de ‘stedelijke elites’ onbelemmerd door te laten gaan met hun corrupte handel. Bruma verzwijgt wijselijk dat de rijken altijd en overal door verdeel en heers hun macht hebben veilig gesteld, en tegelijkertijd sycofanten als hijzelf hebben betaald om enerzijds de elite te bewieroken en anderzijds het volk te beschuldigen van het kwaad in de wereld. Het is slechts één voorbeeld van het aloude ‘Blaming the Victim.’  


De kritische Amerikaanse journalist en auteur Norman Solomon herinnerde donderdag 28 december 2017 de lezers van de Amerikaanse  website Truthdig eraan dat:

Oligarchy prevents democracy. That explains the gist of why the United States became more undemocratic in 2017.

With vast income inequality and corporate power, this country’s oligarchy keeps consolidating itself — largely hidden in plain sight — normalized and embossed on the wallpaper of mass-media echo chambers. Several decades of ominous trend lines have brought us to dire tipping points.

‘In the American republic, the fact of oligarchy is the most dreaded knowledge of all, and our news keeps that knowledge from us,’ historian Walter Karp wrote. ‘By their subjugation of the press, the political powers in America have conferred on themselves the greatest of political blessings — Gyges’ ring of invisibility.’ Those words appeared in 1989.

Nearly 30 years later, the power of billionaires, huge banks and Wall Street over U.S. politics is far more dominant, while a propaganda fog diverts attention from their antidemocratic leverage. An array of news media (including big ‘public’ outlets like NPR) and corporate politicians, unwilling to acknowledge let alone challenge the reality of an oligarchy in the United States, love to point accusatory fingers elsewhere.

Days before the end of 2017, I googled the phrase ‘American oligarchs’ and found that it appeared scarcely one-tenth as often as ‘Russian oligarchs.’ Yet the gravest injuries and threats to democracy in the USA are overwhelmingly coming from massively capitalized individuals and corporations at the top of the U.S. power structure.

Oligarchs like Sheldon Adelson, Jeff Bezos, Charles Koch, David Koch, Robert Mercer and Rupert Murdoch are wielding enormous power at many levels of the political economy and social zeitgeist, while corporate America functions with expanding latitude and increasing impunity. The extreme concentrations of wealth and economic power equal extreme concentrations of political power.

Het spreekt voor zich dat het werk van vooraanstaande kritische Amerikaanse publicisten door de mainstream-pers wordt geweerd en genegeerd. De lezer zal vergeefs zoeken naar een serieuze beschouwing van Buruma over de opkomst van de Amerikaanse oligarchie. Een dergelijk onderwerp is in zijn gesloten wereldje taboe, een bredere analyse van de Amerikaanse werkelijkheid, die zich ‘largely hidden in plain sight’ voor zijn ogen en onder zijn neus dagelijks voltrekt, zou het einde van zijn zo zorgvuldig opgebouwde carrière betekenen. Net als zijn ambitieuze vader die in 1941 tijdens de nazi-bezetting rechten ging studeren, is ook Ian meer dan bereid om te collaboreren met ‘the powers that be.’ Nu hij hoofdredacteur is van The New York Review of Books is hij zeker niet van plan de ware machtsverhoudingen in de VS te onderzoeken. Integendeel, deze hoogleraar Democracy, Human Rights and Journalism, heeft al laten weten dat ‘One area I think we could do more in is contemporary art, for example. I also think foreign literature could be featured more,’ en zo profileert hij zich als de ware opportunist die hij altijd al geweest is. Een New York Times-journalist constateerde dan ook dat 

Despite potential additions in those areas, Buruma provides a clear line of continuity for The Review. He is also a white man in his mid-60s at a time when the left is especially sensitive to issues of diversity in the media and elsewhere.

Ondanks het feit dat hij inmiddels de leeftijd van een bejaarde heeft bereikt, ziet hij zichzelf ‘as a middle-aged editor,’ hetgeen nog eens onderstreept met welk waanbeeld Ian Buruma leeft. Hoe kan ‘a white man in his mid-60’s,’ die zich samen met zijn gelijk gestemde ‘urban elites’ heeft teruggetrokken in een virtueel, hedendaags ‘Potemkin village,’ de geglobaliseerde wereld van vandaag de dag werkelijk doorgronden? En dus blijft hij als man van ‘middelbare leeftijd’ -- zich beroepend op een geleende tribale ‘Joodse’ identiteit -- exponenten van het corrupte neoliberalisme als ‘George Soros en Lloyd Craig Blankfein’ verdedigen? De vraag is daarom waar de grenzen liggen van het kapitalistische autisme? De VS is immers als grootmacht al langere tijd niet alleen een gevaar voor de wereldvrede, maar ook voor haar eigen voortbestaan. Al in 1987 waarschuwde senator Daniel K. Inouye, voorzitter  van de  ‘Senate Select Committee on Secret Military Assistance to Iran and the Nicaraguan Opposition, which held public hearings on the Iran-Contra affair,’ voor de ‘coverup’ van de ‘deep state, oftewel de ‘US Shadowy Government.’ Hij verklaarde: 

There exists a shadowy Government with its own Air Force, its own Navy, its own fundraising mechanism, and the ability to pursue its own ideas of the national interest, free from all checks and balances, and free from the law itself.

Meer context en inzicht gaf de alom geprezen Amerikaanse programmamaker Bill Moyers in de PBS documentaire ‘The Secret Government: The Constitution in Crises,’ die in 1987 werd uitgezonden. https://www.youtube.com/watch?v=qJldun440Sk Maar ondanks het feit dat de Amerikaanse grondwet door president Reagan consequentieloos geschonden kon worden, en daardoor het systeem van de gescheiden staatsmachten — de kern van de westerse democratie — werd verkracht, houdt de propagandist Ian Buruma 30 jaar later nog steeds vol dat de VS een ‘democratie’ is, waarin ‘most Americans feel freer than do most people in the world. And not without reason. The US is, in almost every respect, freer than any other place.’  Niet dat mijn oude vriend hiernaar onderzoek heeft verricht, maar dat hoeft een westerse mainstream-opiniemaker ook niet, die wordt geacht de ‘received ideas’ gehoorzaam door te geven. Bovendien hebben vele Amerikanen door de niet aflatende media-propapaganda logischerwijs het ‘gevoel vrijer te zijn’ dan de meeste wereldbewoners, die zij nooit gesproken hebben, laat staan dat zij wezenlijk in hen geïnteresseerd zijn. Hier blijkt opnieuw dat Buruma niet op de hoogte is van talloze westerse wetenschappelijke studies die uitgebreid en gedocumenteerd de invloed van media-propaganda hebben aangetoond. Maar dit alles weerhoudt hem niet om met een niet geringe arrogantie van alles en nog wat te beweren. En zolang hij blijft weigeren in te gaan op gefundeerde kritiek, kan hij in de mainstream-media onweersproken doorgaan. In Nederland ontving Buruma zelfs een Erasmus-prijs, aangezien zijn nonsens over democratie etcetera door het polder-establishment gezien wordt als ‘kosmopolitisch.’ Zoals bekend is er sprake van kosmopolitisme wanneer ‘iemand een gevoel van verbondenheid’ heeft ‘met de mensheid in het algemeen,’ een emotie die ‘sterker is dan enig gevoel voor nationale of regionale identiteit.’ Dit is een belangrijk punt aangezien Buruma en zijn ‘urban elites,’ zichzelf met veel bombarie definiëren als ‘kosmopolitisch.’ Op deze claim is zelfs hun felle kritiek op ‘het populisme’ gebaseerd. Daarom is het noodzakelijk om hun aanspraak tegen het licht te houden. Maar dan blijkt al snel dat ook de ‘stedelijke elites’ geenszins ‘kosmopolitisch’ opereren, want ‘hun gevoel van verbondenheid met de mensheid in het algemeen’ strekt in de praktijk niet verder dan die met de geprivilegieerde klasse, te weten hun eigen middenklasse en natuurlijk de 1 procent rijken voor wie zij hand-en-spandiensten verrichten. Al in 1947 schreef Edward Bernays, algemeen beschouwd als de grondlegger van de westerse PR-industrie, een artikel voor de Annals of the American Academy of Political and Social Sciences, getiteld 'The Engineering of Consent,’ waarin hij stelde dat 'the engineering of consent is the very essence of the democratic proces, the freedom to persuade and suggest.' Het zal duidelijk zijn dat die 'freedom' alleen in handen kan zijn van de machtige rijken, die de middelen hebben om deze 'freedom' vorm en inhoud te geven. Bernays wees erop dat de gemiddelde Amerikaan 'only six years of schooling’ had, en dat derhalve ‘democratic leaders must play their part in’ het noodzakelijke proces van ‘engineering consent.’ Bernays concludeerde tenslotte dat: ‘Today it is impossible to overestimate the importance of engineering consent; it affects almost every aspect of our daily lives.’ Voor zijn baanbrekende wetenschappelijke bijdragen werd Bernays in 1949 gehuldigd door de American Psychological Association. Hoe belangwekkend de inzichten van Bernays waren, werd hetzelfde jaar nog eens duidelijk gemaakt door Fortune. De redactie van dit tijdschrift stelde zonder enige ironie dat 

it is as impossible to imagine a genuine democracy without the science of persuasion [ i.e. propaganda] as it is to think of a totalitarian state without coercion. The daily tonnage output of propaganda and publicity... has become an important force in American life. Nearly half of the contents of the best newspapers is derived from publicity releases; nearly all the the contents of the lesser papers... are directly or indirectly the work of PR departments.


Deze beschrijving van binnen-uit laat tevens zien dat de gevestigde orde het werk van de westerse mainstream-journalistiek van vitaal belang acht om de massa te beïnvloeden, en op die manier in het gareel te houden, altijd en overal het meest doorslaggevende vraagstuk van de macht. Zonder de werkelijkheid te vertekenen kan gesteld worden dat ‘de vrije pers’ allereerst en vooral de rijke elite dient. Zeker in onzekere tijden, wanneer de macht van het ancien regime door een toenemend aantal burgers niet langer meer als vanzelfsprekend wordt geacht. Daar komt in het geval van de VS nog een gevaarlijk aspect bij: namelijk het kenmerkend gebrek aan zelfvertrouwen. Daarover schreef de prominente Amerikaanse senator William Fulbright in zijn boek The Arrogance of Power (1966):

Those who lack self-assurance are also likely to lack magnanimity (grootmoedigheid. svh), because the one is the condition of the other. Only a nation at peace with itself, with its transgressions as well as its achievements, is capable of a generous understanding of others. Only when we Americans can acknowledge our own past aggressive behavior — in such instances, for example, as the Indian wars and the wars against Mexico and Spain — will we acquire some perspective on the aggressive behavior of others; only when we can understand the human implications of the chasm between American affluence and the poverty of most of the rest of mankind will we be able to understand why the Americn ‘way of life’ which is so dear to us has few lessons and limited appeal to the poverty-stricken majority of the human race. 

It is a curiosity of human nature that lack of self-assurance seems to breed an exaggerated sense of power and mission. When a nation is very powerful but lacking in self-confidence, it is likely to behave in a manner dangerous to itself and to others. Feeling the need to prove what is obvious to everyone else, it begins to confuse great power with unlimited power and great responsibility with total responsibility: it can admit of no error; it must win every argument, no matter how trivial. For lack of an appreciation of how truly powerful it is, the nation begins to lose wisdom and perspective and, with them, the strength and understanding that it takes to be magnanimous to smaller and weaker nations. 

Gradually but unmistakably America is showing signs of that arrogance of power which has afflicted, weakened, and in some cases destroyed great nations in the past. In so doing we are not living up to our capacity and promise as a civilized example tor the world.  The measure of our falling short is the measure of the patriot's duty of dissent. 

Maar juist dit inzicht van de bewonderenswaardige politicus William Fulbright, kan Ian Buruma zich niet permitteren, deels omdat ook hij lijdt aan een gebrek aan zelfvertrouwen en daarmee aan zelfrespect, deels omdat hij elke kritiek op de Amerikaanse cultuur onmiddellijk afwijst als zijnde een beschuldiging aan ‘het Amerikaans materialisme’ waaraan  ‘de westerse beschaving ten onder [zou] gaan.’ Op die manier heeft hij zichzelf salonfähig gemaakt voor het Amerikaans establishment. Zonder deze pluimstrijkerij zou hij nooit hoofdredacteur van The New York Review Of Books zijn geworden, en aanvaardbaar zijn geweest voor een woordvoerder van de machtige zionistische lobby die in een open brief van hem eiste te vertellen: ‘Are you a Jew?’ Waarom dit belangrijk was bleek uit de opmerking dat ‘What matters to me is that you say, “I am a Jew,”’ aangezien, ‘One must be at least a Jew to tell the goyim how they may or may not talk about Israel.’ De ‘goyim’ mag geen oordeel vellen over de zionistische terreur tegenover  ondermeer de Palestijnse bevolking. Deze absurde mentaliteit manifesteerde zich tevens toen ‘an editor at the New York Times asked historian Tony Judt to identify himself as Jewish in an op-ed he had written defending our original London Review of Books article.’ Mijn oude vriend onthield deze les zo goed dat hij naderhand ook zelf critici van de ‘Joodse staat’ ervan ging beschuldigen ‘anti-Semitisch’ te zijn. 

Hij mag dan wel intellectueel gecorrumpeerd zijn geraakt, maar financieel is hij er in elk geval op vooruit gegaan. Dit is geen te verwaarlozen aspect, omdat de bejaarde Ian een nieuw gezin, inclusief een klein kind, in leven moet houden, hetgeen geen geringe opgave is voor iemand die over zijn hoogtepunt heen is. Misschien lijkt dit een triviale drijfveer, maar juist een sycofant kan niet zonder zekerheid en comfort, getuige zijn nederige houding tegenover de macht. Het verbazingwekkende is evenwel dat Buruma er vanuit blijft gaan dat zijn middle-of-the road meningen, met hier en daar een kleine uitschieter naar boven of naar beneden, de tand des tijds zullen doorstaan, en dat toekomstige generaties zich niet zullen afvragen hoe al zijn blindheid voor de realiteit te verklaren is. Ik vrees dat ook een zeker mate van narcisme hierbij een rol speelt. Hoewel narcisme als psychische stoornis millennia-oud is, liet de Amerikaanse historicus Christopher Lasch in zijn boek The Culture of Narcissism (1979) zien dat de westerse cultuur er tegenwoordig door gekarakteriseerd wordt. Hij

defines a narcissistic culture as one where every activity and relationship is defined by the hedonistic need to acquire the symbols of wealth, this becoming the only expression of rigid, yet covert, social hierarchies. It is a culture where liberalism only exists insofar as it serves a consumer society, and even art, sex and religion lose their liberating power. In such a society of constant competition, there can be no allies, and little transparency. The threats to acquisitions of social symbols are so numerous, varied and frequently incomprehensible, that defensiveness, as well as competitiveness, becomes a way of life. Any real sense of community is undermined — or even destroyed — to be replaced by virtual equivalents that strive, unsuccessfully, to synthesize a sense of community. 

Narcisme is ‘een vorm van gedrag dat wordt gekenmerkt door een obsessie met de eigen persoonlijkheid egoïsme, dominantie, ambitie en gebrek aan inlevingsvermogen.’ Verder is bekend dat ‘[o]p het eerste gezicht een narcist een zeer sterk gevoel van eigenwaarde [heeft] en zelfvertrouwen uit[straalt]. Vreemd genoeg is echter het tegendeel het geval. Narcisten hebben, meestal onderbewust juist weinig gevoel van eigenwaarde, en compenseren dit door zich als beter of belangrijker dan anderen te beschouwen. Dit wordt wel de narcistische paradox genoemd.’ 

Bovendien heeft een narcist een uiterst beperkt inlevingsvermogen. Dit alles verklaart waarom in het neoliberale IK-tijdperk narcisten bijna als vanzelf naar boven komen drijven en vaak maatschappelijk het meest succesvol zijn. In dit opzicht zijn schijnbaar uiteenlopende figuren als Soros, Trump en Obama typerende voorbeelden van onze narcistische tijdgeest, een tijdgeest waarin mijn oude vriend Ian zich als een vis in het water voelt. De Noord-Amerikaanse geleerde en cultuurcriticus Henry A. Giroux in zijn boek The Public in Peril (2017) beschrijft de culturele leegte van deze tijd als volgt:

The United States stands at the endpoint of a long series of attacks on democracy, and the choices faced by the American public today point to the divide between those who are committed to democracy and those who are not. Debates over whether Donald Trump was a fascist or Hillary Clinton was a right-wing warmonger and tool of Wall Street were a tactical diversion. The real questions that should have been debated include: What measures could have been taken to prevent the United States from sliding further into a distinctive form of authoritarianism? And what could have been done to imagine a mode of civic courage and militant hope needed to enable the promise of a democracy as a governing principle? Such questions take on a significant urgency in light of the election of Donald Trump to the presidency. Under such circumstances, not only is the public in peril, it is on the brink of collapse as the economic, political, and cultural institutions necessary for democracy to survive are being aggressively undermined.

Giroux benadrukt dat

Large segments of the American public have been written out of politics over what they view as a failed state and the inability of the basic machinery of government to serve their interests. As market mentalities and moralities tighten their grip on all aspects of society, democratic institutions and public spheres are being downsized, if not altogether disappearing. As these institutions vanish — from public schools to health-care centers — there is also a serious erosion of the discourses of community, justice, equality, public values, and the common good. This grim reality has been called a ‘failed sociality’ — a failure in the power of the civic imagination, political will, and open democracy. As the consolidation of power by the corporate and financial elite empties politics of any substance, the political realm merges elements of Monty Python, Kafka, and Aldous Huxley. Mainstream politics is now dominated by hard-right extremists who have brought to the center of politics a shameful white supremacist ideology, poisonous xenophobic ideas, and the blunt, malicious tenets (dogma’s. svh) and practices of Islamophobia. 

On the other side of the political spectrum, the Democratic Party operates in the service of the war machine, financial elite, and various registers of the military-industrial-academic-surveillance complex. In the current political climate, centrism and extremism increasingly become indistinguishable. The older political establishment's calls for regime change and war are now supplemented by the discourse of state-sanctioned torture, armed ignorance, and a deep hatred of democracy. One consequence is that both parties have thrown, in different degrees, immigrants, poor minorities of class and color, refugees, the working class, and especially young people under the bus. Neoliberalism, with its full-fledged assault on the welfare state and public goods, the destruction of the manufacturing sector, and a dramatic shift in wealth to the upper 1 percent, has destroyed the faith of millions in democracy, which lost its power to contain the rich in a runaway form of casino capitalism. With the erosion of the social contract and the increasing power of the rich to control both the commanding institutions of society and politics itself, democracy has lost any legitimacy as a counterweight to protect the ever widening sphere of people considered vulnerable and disposable. One consequence has been that the dangerous playbook to neo-fascist appeals has gained more and more credence (geloofwaardigheid. svh). In addition, large portions of the American public have turned willingly to Trump’s brand of authoritarianism.

Het is ondenkbaar dat een dergelijke analyse van Henry Giroux in Buruma’s New York Review of Books zal verschijnen. Cultuur blijft in de ogen van zijn ‘urban elites’ beperkt tot ‘contemporary art, for example. I also think foreign literature could be featured more.’ En zo weet de narcistische cultuur zichzelf in slaap te wiegen. Meer daarover de volgende keer. Mencken heeft nog steeds gelijk: 'American journalism (like the journalism of any other country) is predominantly paltry and worthless. Its pretensions are enormous, but its achievements are insignificant.' 


Geen opmerkingen:

Open Brief aan Mijn Oude Vriend Ian Buruma

Beste Ian, Laat ik je als oude vriend een advies geven. Zwijg, totdat je hebt begrepen wat er met je gebeurd is, nu je door ...