• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

zaterdag 14 januari 2017

Frank Westerman's Provinciale Schrijverij 51

Bas Heijne: Voor veel mensen in de VS en Europa, en ook in Nederland, is Poetin de gedroomde sterke man, het tegenwicht tegen het op de idealen van de Verlichting gebaseerde wereldbeeld van Obama. 


Hoe groot is in een consumptiecultuur de journalistieke speelruimte van een mainstream-opiniemaker als bijvoorbeeld Bas Heijne? Waar liggen de grenzen van, wat in het propagandajargon, ‘de vrije pers’ heet? Deze kwestie is de afgelopen eeuw door talloze, vooral, Angelsaksische deskundigen onderzocht in uitgebreid gedocumenteerde studies waaruit ik op deze weblog al meer dan een decennium citeer. Ik kies dit keer opnieuw het boek Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media (1988), van de Amerikaanse geleerden Edward S. Herman en Noam Chomsky. De reden van mijn keuze is dat beide hoogleraren als studie-onderwerp het journalistieke werk hebben gekozen van The New York Times, alom beschouwd als het vlaggenschip van de westerse commerciële media. Wat de NYT als het belangrijkste nieuws presenteert, geldt als norm voor de rest van de westerse massamedia. In hun 412 pagina’s tellende boek concluderen Herman en Chomsky dat:

In contrast to the standard conception of the media as cantankerous, obstinate, and ubiquitous in their search for truth and their independence of authority, we have spelled out and applied a propaganda model that indeed sees the media as serving a ‘societal purpose,’ but not that of enabling the public to assert meaningful control over the political process by providing them with the information needed for the intelligent discharge of political responsibilities. On the contrary, a propaganda model suggests that the ‘societal purpose’ of the media is to inculcate and defend the economic, social, and political agenda of privileged groups that dominate the domestic society and the state. The media serve this purpose in many ways: through selection of topics, distribution of concerns, framing of issues, filtering of information, emphasis and tone, and by keeping debate within the bounds of acceptable premises.

Na een lange reeks voorbeelden te hebben gegeven stellen beide auteurs:

As we have stressed throughout this book, the U.S. media do not function in the manner of the propaganda system of a totalitarian state. Rather, they permit -- indeed, encourage -- spirited debate, criticism, and dissent, as long as these remain faithfully within the system of presuppositions and principles that constitute an elite consensus, a system so powerful as to be internalized largely without awareness. No one instructed the media to focus on Cambodia and ignore East Timor. They gravitated naturally to the Khmer Rouge and discussed them freely -- just as they naturally suppressed information on Indonesian atrocities in East Timor and U.S. responsibility for the aggression and massacres. In the process, the media provided neither facts nor analyses that would have enabled the public to understand the issues or the bases of government policies toward Cambodia and Timor, and they thereby assured that the public could not exert any meaningful influence on the decisions that were made. This is quite typical of the actual ‘societal purpose’ of the media on matters that are of significance for established power; not ‘enabling the public to assert meaningful control over the political process,’ but rather averting any such danger. In these cases, as in numerous others, the public was managed and mobilized from above, by means of the media's highly selective messages and evasions. As noted by media analyst W. Lance Bennett: ‘the public is exposed to powerful persuasive messages from above and is unable to communicate meaningfully through the media in response to the messages... Leaders have usurped enormous amounts of political power and reduced popular control over the political system by using the media to generate support, compliance, and just plain confusion among the public.’

Bovendien, zo constateren Herman en Chomsky, 

Given the imperatives of corporate organization and the workings of the various filters, conformity to the needs and interests of privileged sectors is essential to succes. In the media, as in other major institutions, those who do not display the requisite values and perspectives will be regarded as ‘irresponsible,’ ‘ideological,’ or otherwise aberrant, and will tend to fall by the wayside. While there may be a small number of exceptions, the pattern is pervasive, and expected. Those who adapt, perhaps quite honestly, will then be free to express themselves with little managerial control, and they will be able to assert, accurately, that they perceive no pressures to conform. The media are indeed free -- for those who adopt the principles required for ‘societal purpose.’

Dat wat betreft de ideologische achtergrond van The New York Times. Maar ook over de opzet en het functioneren van de commerciële media valt het nodige op te merken. Zo wijzen beide onderzoekers erop dat:

The technical structure of the media virtually compels adherence to conventional thoughts; nothing else can be expressed between two commercials, or in seven hundred words, without the appearance of absurdity that is difficult to avoid when one is challenging familiar doctrine with no opportunity to develop facts or argument... The critic must also be prepared to face a defamation apparatus against which there is little recourse, an inhibiting factor that is not insubstantial... The result is a powerful system of induced conformity to the needs of privilege and power. In sum, the mass media of the United States are effective and powerful ideological institutions that carry out a system-supportive propaganda function by reliance on market forces, internalized assumptions, and self-censorship, and without significant overt coercion. This propaganda system has become even more efficient in recent decades with the rise of the national television networks, greater mass-media concentration, right-wing pressures on public radio and television, and the growth in scope and sophistication of public relations and news management.

Onder de kop 'The New York Times Versus The Civil Society' schreef professor Herman naderhand een vernietigend artikel over 's werelds invloedrijkste krant. Zo wees hij ondermeer op het volgende:

The veteran New York Times reporter John Hess has said that in all 24 years of his service at the paper he ‘never saw a foreign intervention that the Times did not support, never saw a fare increase or a rent increase or a utility rate increase that it did not endorse, never saw it take the side of labor in a strike or lockout, or advocate a raise for underpaid workers. And don’t let me get started on universal health care and Social Security. So why do people think the Times is liberal?’ The paper is an establishment institution and serves establishment ends. As Times historian Harrison Salisbury said about former executive editor Max Frankel, ‘The last thing that would have entered his mind would be to hassle the American Establishment, of which he was so proud to be a part.’

Herman en Chomsky hun boek in 1988, dus voordat het monopolie van de massamedia op de berichtgeving, en daarmee de waarheidsvinding, door internet werd doorbroken. Dit feit heeft de journalistiek onder nog grotere commerciële druk gezet. Het is geenszins overdreven te stellen dat tegenwoordig de belangrijkste taak van de journalist is het maken van winst voor de aandeelhouders. Tegelijkertijd functioneren de massamedia als ‘ideologische instituten,’ waarvan de ‘propaganda functie’ berust op ‘het vertrouwen van de marktwerking, geïnternaliseerde aannames, en zelf-censuur, en zonder een significante openlijke dwang.’ Een treffend voorbeeld hiervan gaf de hoofdredacteur van NRC Handelsblad Peter Vandermeersch op donderdag 5 januari 2017 door zijn lezers te vertellen dat:

Sedert iets meer dan een jaar elke NRC-redacteur ’s ochtends tegen een uur of 10 het overzicht [krijgt] met de leescijfers van onze site. Dat vertelt hoeveel mensen hoelang op de site welk stuk hebben gelezen…

Het meten van wat de lezers lezen is intussen bij veel Europese en Amerikaanse kranten ingeburgerd. Wij inspireerden ons onder meer op de ervaringen bij The Guardian, The Financial Times en The Washington Post.

De cijfers (voor alle helderheid: we kunnen én willen dat alles niet meten per individuele lezer; de cijfers zijn een optelsom van alle pc’s, tablets en smartphones samen) worden dagelijks verzameld, becommentarieerd en verstuurd door de redacteuren van de Lezersdesk. Die mail werd aanvankelijk door sommige collega’s met enige begrijpelijke scepsis gelezen. Want zou NRC nu ook buigen voor kijkcijfer-terreur? […] Intussen is de mail een dagelijkse vaste waarde. De ochtendvergadering van NRC begint met een korte analyse van de inhoud van de mail.

Vandermeersch begon zijn artikel met de vragen: 

Kan je het succes van journalistiek meten? Wat lezen de lezers wel en wat lezen ze niet? Hoe lang blijven ze in een stuk hangen? Moet de redactie wel rekening houden met die leescijfers? Dreigen we dan niet het slachtoffer van kijkcijfers te worden? En gaan we dan nog wel schrijven over minder populaire onderwerpen?

Het antwoord daarop is een volmondig JA, want waarom anders zou de NRC-hoofdredactie elke dag weer een ‘overzicht’ laten samenstellen ‘met de leescijfers,’ en dit prominent laten circuleren op de redactie? Bovendien zal met het oog op de winstverwachting eveneens de directie geïnteresseerd zijn in de cijfers. Het ligt voor de hand dat daardoor tevens de inhoud van de papieren krant in niet geringe mate wordt beïnvloed. Niet voor niets benadrukte Vandermeersch dat ‘Intussen de mail een dagelijkse vaste waarde [is].’ Met andere woorden: de journalistieke ‘waarde’ van een artikel of een column wordt bepaald aan de hand van de ‘leescijfers.’ De ‘waarde’ van het product is ‘het succes’ van een artikel of opinie, en niet langer meer het maatschappelijke, politieke of culturele belang ervan. Omdat alles in de huidige neoliberale werkelijkheid wordt beoordeeld door zijn commerciële ‘waarde,’ worden alle andere waarden vernietigd, van de moraliteit tot aan de cultuur, zoals Gustave Flaubert waarschuwde in een brief aan George Sand, meer dan zes decennia voordat Hitler democratisch aan de macht kwam. Hij wees erop dat

De massa, het getal, altijd dom [is]. Veel overtuigingen heb ik niet, maar dat weet ik zeker. Niettemin moeten we de massa respecteren, hoe dwaas ze ook is, omdat zij de kiemen van een onpeilbare vruchtbaarheid in zich draagt. Geef haar de vrijheid, maar niet de macht… De hele droom van de democratie bestaat uit het verheffen van de proletariër tot het domheidspeil van de burgerman. Die droom is al gedeeltelijk verwezenlijkt. Hij leest dezelfde kranten en heeft dezelfde hartstochten.

Kortom, wanneer de NRC tegenwoordig ‘het getal,’ haar lezers, laat bepalen wat ‘de waarde’ is van een tekst dan zal deze vorm van populisme onvermijdelijk de kwaliteit van het product nog verder aantasten dan momenteel al het geval is. Dat wéét Bas Heijne, aangezien hij in zijn pamflet Onbehagen (2016) met betrekking tot het huidige ‘gereduceerd mensbeeld, dat soms alleen nog maar uit cijfers, tabellen en statistieken lijkt te bestaan,’ Johan Huizinga citeert, die benadrukte dat ‘In het getal het verhaal [bezwijkt].’ En terecht stelt Heijne dat het ‘zonder verhalen niet [gaat].’ Omdat Huizinga’s inzicht van groot belang blijft, citeer ik het fragment waarin dit citaat staat. De historicus schreef:

Iedereen die Amerika enigermate kent, moet getroffen worden door het feit, dat de Amerikaan zoo veel meer dan de gemiddelde Europeaan in cijfers denkt. Dit is overigens een geestelijke habitus die ook in de Oude Wereld voortdurend veld wint, met name bij de beoefenaars der natuurwetenschap en der technologische of economisch-statistische takken van kennis. De moderne wereld dringt nu eenmaal het denken steeds meer in den hoek der kwantitatieve waardering van alle verhoudingen, slechts uitdrukbaar in het getal. In deze verschuiving van de wijze van denken liggen grote gevaren, niet in de laatste plaats voor het geestelijk product dat historie heet. Want ook zij ontkomt er niet aan. Het is haar meer en meer te doen om de analyse van collectieve grootheden, en het getal wordt heer en meester van het begrip. In het getal echter bezwijkt het verhaal en wordt geen beeld geboren.

Hoewel Heijne ‘de grote Nederlandse historicus Johan Huizinga’ citeert, verzwijgt hij het feit dat ook hij als columnist beoordeeld wordt door ‘het getal.’ Bas wordt bij de NRC beoordeeld op hoeveel lezers hij trekt, dus op zijn verkoopwaarde. Onder de kop ‘Waarom NRC meet wat u leest,’ zette hoofdredacteur Peter Vandermeersch uiteen dat:

Hebben die leescijfers, die overigens ook in real-time worden geprojecteerd op een scherm in het midden van de redactie, ons wat geleerd over het leesgedrag van de NRC-lezer? Zeker. Ze vertelden ons het voorbije jaar dat de belangstelling voor dossiers als Trump, Oekraïne en Brexit nog veel groter was dan velen op de redactie vermoedden; ze toonden hoe geliefd een stuk is dat gegoten wordt in een ‘vraagvorm’; ze zetten ons aan om bij groot nieuws een goed ‘liveblog’ te lanceren; ze bewezen dat goede columns (Youp van ’t Hek en Bas Heijne voeren in veel weekends de lijst aan) en opiniestukken erg geliefd zijn bij lezers; ze toonden dat ook NRC-lezers een buitengewoon grote belangstelling aan de dag leggen voor praktische stukken over gezondheid; in augustus bleek uit de cijfers dat de NRC-lezer, meer dan velen dachten, de stukken over de Olympische Spelen massaal las; ze zetten de journalisten aan om niet enkel in tekst maar ook in beeld of grafieken te denken; ze vertellen ons dat een slechte kop en onduidelijke inleiding niet zomaar slecht is voor het bereik van dat stuk, maar ronduit moordend voor het hele verhaal; ze leren ons wanneer een lezer afhaakt in een stuk en hoe we beter kunnen omgaan met grafieken, tussenkoppen en video’s; ze tonen het belang van ons archief wanneer oudere stukken, meestal onder invloed van social media, weer in de lijstjes opduiken.


Elke keer dat Bas Heijne de redactieruimte betreedt, ziet hij ‘de leescijfers’ die ‘ook in real-time worden geprojecteerd op een scherm.’ Het ‘getal’ herinnert hem eraan wat ‘het leesgedrag van de NRC-lezer’ is, en wat van hem als publiekstrekker wordt verwacht. En gezien het feit dat hij op Facebook verheugd liet weten dat op 10 januari 2017 zijn pamflet ‘Onbehagen nog steeds op 1 bij Athenaeum’ op het Spui in Amsterdam stond, kan ervan uit worden gegaan dat ook Bas gevoelig is voor een zo hoog mogelijk klassering, die hij overigens ‘Goed nieuws in slechte tijden’ noemde. Er zijn maar weinig mensen die oorspronkelijk genoeg zijn om niet te zwichten voor het redementsdenken dat niet alleen tot het failliet van het hoger onderwijs heeft geleid, maar tot een algehele ontwrichting van de samenleving, zoals Heijne himself onlangs heeft ontdekt. De ‘leescijfers,’ zo liet zijn hoofdredacteur weten ‘leren ons wanneer een lezer afhaakt in een stuk,’ en dat gaat ten koste van de belangrijkste taak van de redactieleden. In deze neoliberale werkelijkheid bewijzen, volgens de Vandermeersch, ‘dat goede columns (Youp van ’t Hek en Bas Heijne voeren in veel weekends de lijst aan) en opiniestukken erg geliefd zijn bij lezers,’ waarbij hij ‘goede’ direct koppelt aan ‘erg geliefd zijn,’ wat op zich niet vreemd is aangezien de Vlaming er is neergezet om erop toe te zien dat de redactieleden zoveel mogelijk geld genereren, want anders wordt ook hij vervangen. Dat winst de allerbelangrijkste functie is geworden van de mainstream-journalistiek blijkt tevens uit de opmerking van de NRC-ombudsman dat ‘[o]ok deze krant inmiddels voor een aanzienlijk deel [wordt] gemaakt door freelancers, bij de nieuwsdienst, het homepageteam -- de speerpunten in de digitaal eerst-strategie -- bij vormgeving en foto.’ Zondag 28 augustus 2016 augustus 2016 berichtte een freelance-redacteur bij NRC onder de kop ‘Schrijven à 13 cent per woord’:

De flexibele schil bij NRC is de afgelopen jaren in omvang gegroeid. Volgens adjunct-hoofdredacteur Marcella Breedeveld komt dat door de langere openingstijden: de redactie maakt tegenwoordig een ochtend- én een avondblad, en de website moet zeven dagen per week bemand worden…

Rosa Garcia López, secretaris zelfstandigen bij de NVJ, geeft een rekenvoorbeeld. Een journaliste met twintig jaar ervaring vroeg de NVJ of ze akkoord moest gaan met 13 cent per woord. Bij gemiddeld 35 gewerkte uren per week verdiende ze een bruto maandsalaris van 1040 euro: 6,86 euro per uur. Was ze in vaste dienst geweest, dan had ze bruto 40,80 euro gekregen…

Ook Garcia López van de NVJ noemt de positie van de journalist kwetsbaar. Media vinden makkelijk een andere ‘dagloner,’ zegt ze. ‘Er kan nauwelijks onderhandeld worden.’

De angst om niet meer gevraagd te worden is ook te merken aan de spaarzame reacties van freelance journalisten, gevraagd naar hun praktijk. De meesten willen zich niet uitspreken.

Bekend is dat ‘Naast de flexibele schil op de redactie NRC [werkt] met 150 tot 200 freelancers die regelmatig voor de krant schrijven.’ De krant betaalt hen 37 cent per gepubliceerd woord, nog steeds geen vetpot in een tijd waarin men moet scoren om mee te tellen. Daarbij is bovendien sprake van een wisselwerking tussen de journalist/opiniemaker en zijn publiek. Hoe lager het intellectuele niveau van de lezer des te simplistischer het verhaal van de journalist/opiniemaker dient te zijn, zoals ondermeer bleek uit het feit dat Heijne maar liefst twee voorbeelden nodig had om zijn lezerspubliek uit te leggen dat, ik citeer hem, ‘Niet alles wat we willen, ook mogelijk [is] – of in ieder geval niet meteen.’ Het is ook niet verwonderlijker dat de oppervlakkigheden van Heijne hier in de polder doorgaan voor diep filosofisch inzicht. Overal in het kleinburgerlijke Nederland, van hoog tot laag, speelt het populisme een voorname rol, zowel bij de zelfgenoegzame ‘politiek-literaire elite’ als bij het woedende ‘volk.’ Door de naar binnen gekeerde mentaliteit is het journaille alhier zich niet bewust van wat buitenlandse intellectuelen al geruime tijd bezig houdt. Een treffend voorbeeld is wanneer Bas Heijne meldt dat hij Obama bewondert, ondanks het feit dat de kritische Angelsaksische intelligentsia al lange tijd fundamentele kritiek heeft op de ‘eerste zwarte president’ van de VS. Zo schreef Glen Ford, de bekende zwarte Amerikaanse ‘executive editor’ van het Black Agenda Report (BAR) op woensdag 4 januari 2017 onder de kop ‘Locating Fascism on the Home Map’:

In decadence and decline, the U.S. has produced two strong strains of fascism that now vie for supremacy. The First Black President, now outgoing, represents the ‘cosmopolitan, global obsessed’ variety of fascist. Donald Trump hails from an older fascist strain, ‘crude and petty, too ugly for global prime time.’ At this stage in history, the two corporate parties seem incapable of producing anything other than fascists of one kind or the other.

The merciless downsizing of the American worker is a central element of Obama’s legacy.

Barack Obama was a savior — of a drowning ruling class. Under his administration, Wall Street rose from near-death to new heights of speculative frenzy, awash in capital brutally extracted from the vanishing assets and past and future earnings of the vast majority of the population, or gifted in the form of trillions in free money at corporate-only Federal Reserve windows. The Big Casino, reduced to a rubble of its own contradictions in 2008, ushered in the New Year just shy of the once-fantastical 20,000 mark. Analysts credited Donald Trump’s victory for the bankers’ bacchanal, but it was Obama who made the party possible by overseeing the restructuring of the U.S. economy to accommodate and encourage the hyper-consolidation of capital — another way to describe the deliberate deepening of economic (and political) inequality. Having accomplished the mission assigned him by Wall Street in return for record-breaking contributions to his first campaign, Obama is said to be angling for a hot-money squat in Silicon Valley, the super-rich sector that was most supportive of his presidency.

Meanwhile, Hillary Clinton is melting quicker than the Wicked Witch of the West, principally due to the failure of traditionally Democratic working (and out of work) people of all races to turn out on November 8 —- a perfectly understandable response to a party and a system that offers them absolutely nothing but grief, in ever quickening increments. The merciless downsizing of the American worker is a central element of Obama’s legacy. Real wages had been frozen or declining for decades. However, economic restructuring in the Age of Obama demanded that millions of workers be crushed all the way through the floor to a lower level of hell: temporary, contract, not-really-a-job, part-time ‘gig’ employment. If the 1930s squatter shanty-towns called ‘Hoovervilles’ were testaments to President Herbert Hoover’s economic policies, then the maddeningly precarious, no guaranteed hours, no benefits, zero job security, fraction of a shift, arbitrarily scheduled employment of today should be called ObamaJobs. A new study by economists at Princeton and Harvard universities shows that an astounding 94 percent of the 10 million jobs created during the First Black President’s two terms in office were ObamaJobs. This sub-sector of employment increased by almost half under Obama, from 10.7% of the working population to 15.8%.



Deze feiten spelen geen rol in Heijne’s beoordeling van Obama. Het betreft hier immers het anonieme ‘volk’ dat, zodra het zich verzet tegen de failliete politiek van de ‘elite,’ onmiddellijk beschuldigd wordt van ‘populisme.’ Daarentegen schreef Finian Cunningham, die als buitenland-deskundige jarenlang voor de mainstream-media werkte, en wiens artikelen in verschillende talen verschenen, in de digitale krant van de Strategic Culture Foundation van 12 januari 2017 onder de kop ‘Obama’s “Farewell To Arms” As War Presidency Ends’:

Eight straight years of warmongering come to an end as US President Barack Obama bows out with his «farewell to the nation» speech this week, as fawning American media dubbed his valediction.

In reality, Obama’s outgoing address should have been billed as a ‘farewell to arms’ made by arguably one of the most belligerent presidents to ever have occupied the White House.

Only in exceptionally delusional America could such a pernicious paradox be presented as something honorable and sentimental.

Obama, the 44th US president, may have been the first black president and winner of a Nobel peace prize during his first year in office in 2009. But apart from those dubious accolades – championed by supposedly liberal Hollywood celebrities and media pundits —  his actual record in office is one of blood-soaked disgrace. 

Instead of ending American overseas wars as he had promised back in 2008, Obama expanded on his predecessor George W Bush’s criminal foreign interventions. At least seven countries — Iraq, Afghanistan, Pakistan, Libya, Syria, Yemen and Somalia — have been routinely bombed under Obama’s watch as the US Commander-in-Chief. That’s one repugnant record.

Last year alone, the US military reportedly dropped over 26,000 bombs around the world killing countless thousands of people, the exact number buried under official secrecy and American mainstream media indifference. At that rate, American anti-war campaigner Medea Benjamin estimates that US forces deployed three bombs every hour of every day for the whole of 2016. This death from the skies included Obama’s personal ordering of drone assassinations during his weekly Terror Tuesday briefings from Pentagon chiefs, the use of which increased 10-fold under his command, killing thousands of innocent civilians as ‘collateral damage.’

In Yemen, one of the poorest countries on Earth, where Obama fully backs an ongoing Saudi air war, it is reckoned that a child dies every 10 minutes from the American-supplied bombing campaign and blockade. Hardly a word about this US-backed genocide is permitted to intrude into public awareness by the Western corporate-controlled media.

Under the supposed Nobel peace laureate, the United States has sold an all-time record of $115 billion-worth of weaponry to Saudi Arabia – one of the most repressive regimes in the world – which has in turn fueled jihadist terrorism across the Middle East, Central Asia, Africa and Europe.

In Syria, just one of the countries to be afflicted by Obama’s policy of covert collusion with jihadist terrorism for regime-change machinations, the death toll is estimated to be around 400,000, with millions more displaced by the US-led proxy war that began in March 2011.

That war unleashed by the Obama administration to oust President Bashar al-Assad has only been arrested because of Russia’s military intervention at the end of 2015. At every step, Obama and his top diplomat John Kerry have sought to thwart Russia’s efforts to salvage the country from jihadist terror proxies. With warped logic, Obama and his British and French allies — all sponsors of the regime change war in Syria — have tried to paint Russia as a war criminal.

In his final year in office, Obama has overseen a massive escalation in US military special operations around the world. These covert forces are now reported to be operating in 138 countries — 70% of the world — a military deployment that represents a 130% increase on that under George W Bush. Self-declared liberal Americans consider Bush to be a warmongering disaster, yet somehow they hail Obama as some kind of progressive ‘peace president.’

The Nobel prize awarded to Obama surely stands as an egregious offense to humankind’s intelligence and decency. With his typical rhetorical sophistry, Obama talked about abolishing nuclear weapons during his early days in the White House, only to subsequently commit his nation to a trillion-dollar upgrade of its nuclear arsenal. In stark violation of international obligations under the Non-Proliferation Treaty.

Under his watch, the «peace president» has pursued a bellicose collision course with nuclear-armed Russia that threatens a global conflagration. Relations between the US and Russia have sunk to new dangerous depths — never seen since the former Cold War — led largely by the Obama administration’s demonizing of Moscow with a litany of fraudulent charges. Charges amplified by the servile Western mass media of course instead of being debunked as they surely should be.

Rather than dialogue and diplomacy, Obama’s presidency has used subterfuge and relentless propaganda to antagonize Russia. From personal insults against Russian President Vladimir Putin being a ‘Hitler figure’ to vilifying Moscow for regional conflicts that the Western powers have actually stoked, Obama has tempted all-out war through reckless sanctions and expansion of NATO forces on Russia’s borders. The last power to have menaced Russia with such flagrant aggression was Nazi Germany. Yet, Putin is caricatured as Hitler, while Obama is lauded in the Western media as a standard-bearer for world peace.

This week as Obama gave his self-preening farewell to the nation speech, thousands of new US troops and tanks were dispatched to buttress NATO forces already at unprecedented levels in Germany, Poland and the Baltic states. While his country endures economic austerity and social collapse from poverty, the White House has ordered $3.4 billion in extra military spend in Europe to bolster NATO aggression towards Russian. Part of that warmongering extravagance involves supporting a neo-Nazi junta in Kiev to continue its onslaught against the ethnic Russian people of eastern Ukraine, where the death toll has reached at least 10,000 since 2014.

Only in America, the ‘exceptional nation’ as Obama repeatedly proclaims, is a warmongering president feted as a ‘peace leader.’ Whereas his successor, Donald Trump who will be inaugurated next week, is pilloried as a traitor because he has dared to call for restoring better relations with Russia.

Trump is by no means perfect. His reactionary and at times foul-mouthed populism may be deserving of mockery as it was this week at the Golden Globes film-awards ceremony held in Hollywood. Award-winning actress Meryl Streep won plaudits from the supposed liberal media for her rebuke of Trump over his alleged bigoted and bullying behavior.

But where is the appropriate condemnation of Obama for displaying far worse failings — as perhaps the most blood-soaked president to have sat in the ‘highest office of the nation’?

What makes the US the most dangerous nation on Earth to world peace is that so many of its so-called liberal intellectuals, artists and media evidently view Barack Obama as a man of peace and progress. When in reality, the 44th president should be prosecuted for multiple war crimes. Instead of being free to earn millions of dollars in future years giving sonorous speeches on ‘international relations’ to sundry audiences, Obama should be earning time behind bars. (In the ignoble company of other US ex-presidents, it should be added.)
Ook hierover geen woord van de in de polder zo gevierde Bas Heijne. Vanuit de studeerkamer van zijn hoofdstedelijke grachtenpand beweert hij nu, na acht jaar Witte Huis-geweld, unverfroren over ‘de immer onkreukbare Barack Obama’ die ‘zijn afscheidsrede hield over de noodzaak van een minimum aan gemeenschapsgevoel — een gezonde democratie heeft allereerst geloof in democratie nodig.’ De intellectuele corruptie van een mainstream-opiniemaker als Heijne manifesteert zich niet alleen in wat hij allemaal beweert, maar tegelijkertijd in wat hij allemaal juist verzwijgt. Met de pedanterie van de eerste de beste ‘populist’ tracht hij de sentimenten van zijn publiek te mobiliseren, zonder er rekening mee te houden dat zijn hetze tegen bijvoorbeeld ‘Poetin’ natuurlijk niet altijd consequentieloos zal blijven. Op zoek naar een publiek dat hij kan behagen gedraagt Bas Heijne zich als een relnicht met een circusact, die bij gebrek aan rationele argumenten, allerlei ressentimenten bespeelt. Van nature publiciteitsgeil spreekt hij in soundbites als deze: ‘De Russen komen niet. Ze zijn er al.’ In een gelijkgeschakelde consumptiecultuur kunnen de poseur en de media niet zonder elkaar, als parasieten leven ze van elkaar, ze vormen een symbiose in het almaar uitdijende rijk van de kitsch. Terecht stelde Milan Kundera dat 

Op grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die [is] van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal.

Heijne’s houding verraadt talloze elementen van de kitsch. Als columnist gaat hij te werk als een standup comedian, een hit en run-figuur die zich niet bekommert over welke schade hij veroorzaakt. Begin 2002 schreef ik in het tijdschrift De Humanist over de columnist als poseur dat: 

hij als broodschrijver telkens weer een mening over van alles en nog wat moet ophoesten, hetgeen automatisch leidt tot een inflatie van meningen. Om dit te verdoezelen moet elke opinie de kracht van een donderslag krijgen. De minder bekwame columnist pompt zijn vruchteloze woorden op tot ze als reusachtige ballonnen boven hem zweven en met hem aan de haal gaan. Hij gebruikt de taal niet om inzicht te verschaffen maar om te heersen, om te straffen, om iemand in een hoek te dwingen en verbaal af te ranselen. Hij dicht de ander alle denkbare gruwelijkheden toe om zelf buiten schot te blijven. Hoe zwarter de ander wordt afgeschilderd des te onschuldiger hij lijkt. De column is voor hem een techniek, een foefje, een suikerspin van woorden; na vijf minuten is het op en weg, de consument met plakkerige handen achterlatend. Het lijkt allemaal echt, maar is het niet. De woorden zijn te hol, de begrippen potsierlijk, de zinnen drijven in een niet doorleefde werkelijkheid. In zijn hang een maximaal effect te bereiken, vervalt de poseur onder de columnisten onherroepelijk in pathetiek. Hij uit zich in steeds heftigere bewoordingen, zijn toon wordt geëxalteerd, zijn opinies grotesk. Meningen worden door hem uitgemolken en verder aangescherpt tot ze een karikatuur van de werkelijkheid zijn geworden. Een jaar voor zijn dood wees de auteur Frans Kellendonk me op nog een ander fenomeen: 'Het gruwelijke is: zodra je iets opschrijft, verhardt het. Het gevaar is dat je er dan ook in gaat geloven, dat de dingen zijn zoals je zegt dat ze zijn. Wat je moet behouden is een scepsis, een vrijheid, het gevoel van de ongrijpbaarheid van alles. Dat vereist een geweldige krachtsinspanning.' Maar juist aan die scepsis ontbreekt het de poseur onder de columnisten, zijn stukje zou het niet verdragen, het zou dan te duidelijk worden dat er wartaal staat, wat bij close-reading al snel blijkt. De columnist en de schrijver leven in twee gescheiden werelden. Voor een auteur vormt de taal een moreel criterium, hij heeft niets anders. Hij weet dat, zoals de satiricus Karl Kraus schreef: 'Taal de moeder [is] van de gedachte, niet haar dienstmeid.' Die wetenschap ontgaat de meeste columnisten. Voor hen zijn de woorden zelf inhoudsloos geworden, ze hebben slechts propagandistische waarde en kunnen derhalve als dodelijk gif werken.

En dan krijgt men teksten voorgeschoteld als die welke Heijne in zijn NRC-column van vrijdag 13 februari 2017 uit zijn tekstverwerker perste: 

Poetins ideologische aantrekkingskracht is de enige reden dat een leider van een economisch derderangs wereldmacht erin slaagt het in alle opzichten superieure Amerika zo te ontregelen. Zijn macht heeft niks te maken met plasseks in een hotelsuite, die is ideologisch van aard.

Elke week weer in slechts 700 woorden de complexiteit van de wereld moeten reduceren tot hapklare brokken, is natuurlijk een onmogelijke opgave, tenzij men een dichter is, of een groot denker, maar een columnist in een klein benepen kikkerland is daartoe vanzelfsprekend niet in staat. En dus krijgt men de opgewonden waanzin van ‘onze’ Bas opgediend, vergezeld van veel kabaal om het gebrek aan inhoud te verhullen. Hij weet dat zelf ook wel, want nog in december 2016 verklaarde Heijne tegenover de Volkskrant

Ik had het gevoel: ik dreig te vergroeien met de rol die ik speel. Instinctief verzette ik me daartegen. Ik merkte dat die column een korset werd. Ik dacht: ik moet terug naar de wezenlijke dingen. Ik wilde nadenken zonder in dat knellende ritme te zitten.

Maar ja, een maand later moest hij weer aantreden, want van altruïsme alleen kan de polder-columnist niet leven, en dus vergroeit hij weer verder met de propaganda ‘rol’ die hij speelt. En hoewel hij zich ‘verzette’ tegen het feit dat ‘die column een korset werd,’ kan hij mentaal niet zonder een keurslijf, en is hij door ‘dat knellende ritme’ genoodzaakt af te zien van eerst ‘nadenken,’ zoals hijzelf impliciet toegeeft. Heijne mag dan wel stellen dat hij uit is op een ‘publiek debat,’ maar in de praktijk vreest hij een dergelijk ‘debat,’  zodra dit betekent dat zijn flinterdunne meninkjes getoetst worden aan de inzichten van bijvoorbeeld de buitenlandse intellectuelen die ik op deze weblog uitgebreid citeer. Bas wil best met Jan en alleman in discussie, schroomt niet om aan te schuiven aan de tafel van het populistische televisieprogramma met de treffende naam ‘De wereld draait door,’ maar zal het niet in zijn hoofd halen om in te gaan op mijn kritiek. Hij kijkt wel uit. Iemand met een opgeblazen imago heeft alles te verliezen, maar niets te winnen. En daarom kan hij onweerdsproken door zijn peergroup voor wie hij schrijft de volgende groteske nonsens verspreiden:

Voor veel mensen in de VS en Europa, en ook in Nederland, is Poetin de gedroomde sterke man, het tegenwicht tegen het op de idealen van de Verlichting gebaseerde wereldbeeld van Obama. Hier de mensheid, daar de natie. Hier de gemeenschap op basis van gelijkheid, daar de superioriteit van de eigen cultuur. 

Alleen een propagandist kan moeiteloos ‘Poetin’ als ‘tegenwicht’ van ‘Obama’ typeren. Waaruit blijkt de juistheid van Heijne’s bewering dat Obama’s ‘wereldbeeld’ is ‘gebaseerd’ op ‘de idealen van de Verlichting?’ Wel, onder andere door het volgende feiten: 

Looking back at President Obama’s legacy, the Council on Foreign Relation’s Micah Zenko added up the defense department’s data on airstrikes and made a startling revelation: in 2016 alone, the Obama administration dropped at least 26,171 bombs. This means that every day last year, the US military blasted combatants or civilians overseas with 72 bombs; that’s three bombs every hour, 24 hours a day… US bombs also rained down on people in Afghanistan, Libya, Yemen, Somalia and Pakistan. That’s seven majority-Muslim countries.  

Bas Heijne gaat er vanuit dat hoe meer ‘bombs’ Obama inzette, des te verlichter diens ‘wereldbeeld’ was, vooral ook gezien het feit dat Poetin slechts één land bombardeerde en dat ook nog eens op verzoek van de Syrische regering, terwijl zijn held Obama het internationaal recht schond. Ander voorbeeld van Obama’s Verlichtingsidealen:

One bombing technique that President Obama championed is drone strikes. As drone-warrior-in-chief, he spread the use of drones outside the declared battlefields of Afghanistan and Iraq, mainly to Pakistan and Yemen. Obama authorized over 10 times more drone strikes than George W. Bush, and automatically painted all males of military age in these regions as combatants, making them fair game for remote controlled killing. 

Als dit geen overtuigende ‘idealen van de Verlichting’ zijn, wat dan nog wel? Wees eerlijk. Nu moet de omvangrijke groep ‘mensen in de VS en Europa, en ook in Nederland,’ die ‘Poetin’ als ‘de gedroomde sterke man,’ ziet — althans, volgens Bas Heijne — op haar tellen gaan passen, want met het vertrek van ‘Obama,’ als voorvechter van de Verlichting,  ziet de toekomst er zwart uit. Immers,

What does the administration have to show for eight years of fighting on so many fronts? Terrorism has spread, no wars have been ‘won’ and the Middle East is consumed by more chaos and divisions than when candidate Barack Obama declared his opposition to the invasion of Iraq. 


Zo weet het verlichte lezerspubliek van de NRC dat ook het ‘untold numbers of foreign lives have been snuffed out,’ als gevolg van drone-aanvallen, beoordeeld moet worden als een Verlichtingsideaal bij uitstek, vooral ook omdat
We have no idea how many civilians have been killed in the massive bombings in Iraq and Syria, where the US military is often pursuing Isis in the middle of urban neighborhoods. We only sporadically hear about civilian killings in Afghanistan, such as the tragic bombing of the Doctors Without Borders hospital in Kunduz that left 42 dead and 37 wounded. 

Pushed to release information about civilian deaths in drone strikes, in July 2016 the US government made the absurd claim it had killed, at most, 116 civilians in Pakistan, Yemen, Somalia and Libya between 2009 and 2015. Journalists and human rights advocates said the numbers were ridiculously low and unverifiable, given that no names, dates, locations or others details were released. The London-based Bureau of Investigative Journalism, which has tracked drone strikes for years, said the true figure was six times higher. 

Given that drones account for only a small portion of the munitions dropped in the past eight years, the numbers of civilians killed by Obama’s bombs could be in the thousands. But we can’t know for sure as the administration, and the mainstream media, has been virtually silent about the civilian toll of the administration’s failed interventions. 

In May 2013, I interrupted President Obama during his foreign policy address at the National Defense University. I had just returned from visiting the families of innocent people killed by US drone attacks in Yemen and Pakistan, including the Rehman children who saw their grandmother blown to bits while in the field picking okra. 

Speaking out on behalf of grieving families whose losses have never been acknowledged by the US government, I asked President Obama to apologize to them. As I was being dragged out, President Obama said: ‘The voice of that woman is worth paying attention to.’
Too bad he never did.

Inderdaad, en ‘too bad’ dat Bas Heijne hier nooit uitgebreid aandacht aan heeft besteed, maar nu wel beweert dat Obama’s ‘wereldbeeld’ gebaseerd is ‘op de idealen van de Verlichting,’ terwijl in werkelijkheid Obama’s terreur duizenden mensenlevens heeft gekost. Heijne’s propaganda is misdadig, maar wel effectief als destijds de nazi-propaganda. Zijn beweringen demonstreren een onderhuids racisme, want als de slachtoffers onbewapende witte Europese of Amerikaanse vrouwen, kinderen en mannen waren geweest, dan had deze ijdeltuit moord en brand geschreeuwd. Bas Heijne is een voorbeeld van hoe absurd geconditioneerde reflexen, voortkomend uit een manicheïsch  wereldbeeld, in de praktijk uitwerken. 

  
Bas Heijne: het in alle opzichten superieure Amerika


Frank Westerman's Provinciale Schrijverij 50

Bas Heijne: Bijvoorbeeld: ik wil een dure sportauto kopen, maar weet dat ik, wanneer ik daar in één klap al mijn geld aan uitgeef, mijn gezin niet meer zal kunnen onderhouden. Dus stel ik de aanschaf uit, maar blijf ervan dromen — en ga ik ervoor sparen, zodat ik wellicht eens, op een dag.



The media are agents for the unification of the history of the planet.
Milan Kundera. 1986

George Carlin. Back in Town. 1996: continue to elect these rich cocksuckers who don't give a fuck about you. They don't give a fuck about you — they don't give a fuck about you. They don't care about you at all — at all — at all… That's what the owners count on. The fact that Americans will probably remain willfully ignorant of the big red, white, and blue dick that's being jammed up their assholes everyday, because the owners of this country know the truth. It's called the American Dream because you have to be asleep to believe it, but say what you want about Americans, folks. You can say what you want about Americans. You can call them smart, dumb, ignorant, innocent, naive, gullible, easily led, whatever you want, you're going to have to deal with them.

Om zoveel mogelijk reclame te maken voor zijn net verschenen boek Reizen zonder John. Op zoek naar Amerikabeweerde bestsellerauteur Geert Mak in de Volkskrant van woensdag 22 augustus 2012 met grote stelligheid dat ‘Amerika er over een halve eeuw beter voor [staat] dan Europa,’ aangezien ‘[h]et gevoel dat ze uitzonderlijk zijn,’ de Amerikanen ‘voort[drijft]’ en ‘[a]ls je invloed en macht wilt hebben, moet je groots zijn. Dat is iets wat we in Europa van ze kunnen leren.’  

In 2004 concludeerde ‘de populairste geschiedenisleraar van het land’ in zijn bestseller In Europa met evenveel stelligheid dat ‘Europa als vredesproces een eclatant succes [was]. Europa als economische eenheid is ook een eind op weg,’ om zich in juli 2016 verbijsterd af te vragen: 

kan dat Byzantijnse Brussel nog tijdig worden hervormd? En zijn de Europese en nationale politici in staat om hun kiezers ditmaal wel in dat proces mee te nemen? Het zal een politieke monsterklus worden, zoveel is zeker, die zal moeten worden getrokken door een handvol briljante, moedige en charismatische mannen en vrouwen. Op historische momenten zijn die vaak, goddank, aanwezig. Maar soms ook niet.

Dezelfde teloorgang van het naïeve westerse optimisme toont NRC-columnist Bas Heijne nu hij door de actualiteit gedwongen is te constateren dat zijn rotsvast geloof in de vooruitgangsmythe van de Verlichting ‘op een fundamentele manier achterhaald is.’ Hoewel beide opiniemakers vandaag de dag met lege handen staan, weigeren zij hun mond te houden om eerst eens een paar jaar na te denken voordat ze de mensheid in de polder weer vertellen hoe het nu allemaal verder moet. Deze houding demonstreert een onverzadigbare ijdelheid én het feit dat zij typisch Nederlands zijn, zowel dominee als koopman, die met het oog op hun handel niet kunnen stoppen. Ook wat dit betreft is het duo exemplarisch voor het lage intellectuele niveau van de Nederlandse ‘politiek-literaire elite.’ Wat vooral opvalt is de zelfgenoegzaamheid van deze elkaar in stand houdende club, want ondanks alle twijfels blijven de opiniemakers met grote stelligheid van alles en nog wat beweren, zonder diep in te gaan op de fenomenen die zich rondom hen afspelen. Zo signaleert ook Bas Heijne onder het publiek een

afgrondelijke hekel aan de gevestigde politiek. Haagse kliek, partijkartel, baantjesmachine, kiezersbedrog, achter die sleetse beschimpingen gaat een voelbare, bijna fysieke afkeer schuil van het politieke bedrijf.

Heus, er is veel te zeggen voor kritiek op de gevestigde orde als gevestigde orde — we gaan de belangrijkste verkiezingen in tijden in met heel veel afgeleefde lijsttrekkers, weinig elan, veel business as usual, en nauwelijks een gedachte over hoe de breuklijnen in de samenleving te dichten.

Maar triest aan zo veel van wat zich nu aandient als dynamische nieuwe politiek is dat het ontkent dat het politiek wil zijn. Wat willen we eigenlijk: echt zelf overal, dag in, dag uit over beslissen? Echt? Of gewoon betere politici?

En misschien wat minder partijen? De belofte dat wij burgers het verder wel zonder politiek afkunnen, zonder vertegenwoordigers die wij de macht toevertrouwen binnen een democratische orde, is de grootste leugen van allemaal.

Weliswaar tracht Heijne de indruk te vestigen boven de partijen te staan, maar vanuit zijn positie als opiniemaker van een neoliberaal dagblad lukt hem dit niet. Zo is zijn omschrijving ‘sleetse beschimpingen,’ oftewel een ‘bijna versleten smadelijke bejegening,’ kenmerkend voor zijn grote ergernis over de terechte kritiek op het failliet van de parlementaire democratie, zoals die beschreven wordt door zowel Europese als Amerikaanse intellectuelen. Maar omdat Heijne woordvoerder is en blijft van het establishment, zag hij zich verplicht om de weerzin van ‘het volk’ te blijven stigmatiseren als ‘smaad.’ Bas reageert met de venijnige razernij van een bedrogen vrouw. ‘Het volk’ heeft zijn elite bedrogen. Maar om de schijn van onpartijdigheid op te houden is hij tegelijkertijd gedwongen te vermelden dat er ‘[h]eus, veel te zeggen [is] voor kritiek op de gevestigde orde als gevestigde orde.’ Van dezelfde paradox maakt ook Geert Mak gebruik en trouwens alle andere polder-intellectuelen die tegenwoordig hun eigen gecorrumpeerde positie moeten zien veilig te stellen. 

Wat Heijne doet is het depolitiseren van het politieke. Dat gaf hij in feite ook zelf toe toen hij in zijn NRC-column van zaterdag 28 oktober 2016 opmerkte dat ‘het publieke debat geheel in dienst [lijkt] te staan van het vertolken van twee emoties: hoon en verontwaardiging,’ en dat ‘ik zelf ook gevoelig ben voor die emoties en de daarbij horende permanente opwinding.’ Maar dat vergoelijkte Bas onmiddellijk met het argument dat zijn ‘permanente opwinding’ juist ‘laat zien dat ik betrokken ben bij een samenleving waarin veel op het spel staat,’ en dus niets te maken heeft met ‘sleetse beschimpingen,’ waarachter ‘een voelbare, bijna fysieke afkeer schuil[gaat] van het politieke bedrijf.’ In zijn visie blijft dit laatste fenomeen, inclusief de hoon, beperkt tot ‘het volk,’ en wel omdat hij zichzelf beschouwd als onderdeel van de intelligentsia, die in zijn geval onlosmakelijk verbonden is met ‘de gevestigde orde.’ Tot op zekere hoogte heeft Heijne daarin gelijk. Maar dit is meteen ook het grote probleem. De directe en indirecte afhankelijkheid van de financiële, economische en politieke ‘elite’ leidt onvermijdelijk tot corrumpering van de ‘politiek-literaire elite.’ Vandaar dat vandaag de dag de geloofwaardigheid van de westerse mainstream-journalistiek minimaal is. Bas mag dan wel zijn publiek vertellen dat er ‘heus’ wel ‘veel te zeggen [is] voor kritiek op de gevestigde orde als gevestigde orde,’ maar dan niet door ‘het volk,’ dat niet weet ‘welke taal er’moet ‘worden gesproken,’ waardoor een ‘publiek discours’ onmogelijk is gemaakt. Om dat kennelijk op gang te brengen heeft hij een 'oplossing' overgenomen van Mark Thompson, de door jezuïeten geschoolde ‘huidige baas van de New York Times Company.’ De ontsnappingsroute uit de westerse crisis is simpelweg: ‘Ontmasker de retoriek, terug naar de feiten.’ Hierbij is van belang te weten dat Heijne’s bron een uitgesproken representant is van het Angelsaksische establishment en dat in

late 2007, Thompson's directorship at the BBC was criticized. Sir Richard Eyre, former artistic director of the National Theatre, accused the BBC under Thompson's leadership of failing to produce programs 'that inspired viewers to visit galleries, museums or theaters.' He was also criticized by Tony Palmer, a multi-award winning filmmaker. Of the BBC, Palmer stated that ‘[it] has a worldwide reputation which it has abrogated and that's shameful. In the end, the buck stops with Mark Thompson. He is a catastrophe.’ […]

A number of commentators have suggested that Thompson has a pro-Israeli editorial stance, particularly since he supported the controversial decision by the BBC not to broadcast the DEC (Disasters Emergency Committee. svh) Gaza appeal in January 2009. Complaints to the BBC about the decision, numbering nearly 16,000, were directed to a statement by Thompson. In May 2011, Thompson ordered the lyrics 'free Palestine' in a rap on BBC 1 Extra to be censored.

Tam Dean Burn wrote in The Herald: ‘I would argue that this bias has moved on apace since Thompson went to Israel in 2005 and signed a deal with prime minister Ariel Sharon on the BBC's coverage of the conflict.’

Hoewel Thompson zelf censuur toepaste, beweerde hij in een andere affaire, waarbij hij betrokken was, dat ‘If there is a case for censorship, it should be debated and decided in parliament. Political censorship cannot be outsourced to the BBC or anyone else.’ Bovendien is het volgende over hem bekend:

In January 2010, Thompson was criticized over his £834,000 salary. The BBC presenter Stephen Sackur told him ‘there are huge numbers of people in the organization who think your salary is plain wrong and corrosive.’

In October 2012, the fertility expert Robert Winston, who presented the BAFTA award-winning series The Human Body, said: ‘I don't think Mark Thompson has led well from the top. It's not just my perception. Many of the scientific community feel very, very uneasy, and the news people clearly do.’ Winston had previously accused Mark Thompson of ‘cowardice’ and a lack of ‘spine’ in its leadership, over a controversial trailer which included misleading footage of the Queen.

Though Thompson departed the BBC before public exposure of the Savile scandal and is not noted in the BBC chronology of the unfolding coverage, Thompson faced questions about his role in the events around Savile's actions and BBC coverage of them. Per a New York Times review, Thompson has denied knowing of a BBC ‘Newsnight’ program on accusations against Sir Jimmy Savile before the program was dropped soon after Savile's death in October, 2011.

On 14 August 2012, he was named CEO of The New York Times Company, effective November 2012.

In the fall of 2016, Thompson published Enough Said: What's Gone Wrong with the Language of Politics? with sales in both the United States and the United Kingdom reportedly disappointing.

In 2009 Thompson was ranked as the 65th most powerful person in the world by Forbes magazine.


Het zal niemand kunnen verbazen dat Heijne over dit alles zijn kaken stijf op elkaar houdt. Hoewel Mark Thompson door deskundigen beschouwd wordt als een slechte en onbetrouwbare  manager voert ‘onze’ Bas hem als een betrouwbare bron op, als iemand die in staat zou zijn ‘de retoriek’ te ontmaskeren, om ‘het volk’ zodoende ‘terug’te kunnen voeren naar de feiten.’ Dit zijn natuurlijk de neoliberale ‘feiten,’ die ervoor gezorgd hebben dat Thompson ‘CEO of The New York Times Company’ werd en op de 65ste plaats terechtkwam van de wereldranglijst van de meest machtige personen. Even vanzelfsprekend is dat in het neoliberalisme die lijst voornamelijk bestaat uit politici en miljardairs als Obama, Poetin, de Mexicaanse magnaat Carlos Slim, Rupert Murdoch en Mike Duke, de toenmalige 'chief executive officer of Walmart.' Het is op zijn minst twijfelachtig dat een voormalige BBC-bons die censuur pleegde en meer dan een miljoen euro per jaar opstreek om de belangen van de gevestigde orde te beschermen werkelijk in staat zou zijn om onbevangen te kunnen oordelen wat wel of niet gerekend moet worden tot ‘retoriek’ en wat wel of niet ‘de feiten’ zijn. De man die zelf censuur toepaste klaagt nu dat ‘the enemies of free speech are gathering’ en dat ‘intolerance and illiberalism are on the rise almost everywhere,’ zonder daadwerkelijk de culturele oorzaken diepgaand te onderzoeken, en dat de oplossing eenvoudigweg is: ‘Open your ears. Think. Speak. Laugh. Cut through the noise.’ 

Het is niet verbazingwekkend dat de verkoop van Mark Thompson’s boek ‘in zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk naar verluidt teleurstellend’ waren, aangezien de Angelsaksische intelligentsia, in tegenstelling tot de ‘politiek-literaire elite’ in de polder, simplisme niet weet te waarderen. Maar goed, Bas Heijne dus wel, en dat is niet zo vreemd aangezien hij pas betrekkelijk recent tot de ontdekking kwam dat datgene wat hij ‘met de paplepel’ had ‘ingegoten gekregen,’ namelijk de vooruitgangsmythe, niet langer meer houdbaar was. En zijn verblijf in Parijs om te kunnen ‘nadenken’ heeft niet werkelijk meer kennis en inzicht opgeleverd, tenminste, wanneer ik afga op zijn NRC-column van zaterdag 6 januari 2016, getiteld ‘Schoon Schip.’ Daarin legt hij anderen woorden in de mond, zoals 

De belofte dat wij burgers het verder wel zonder politiek afkunnen, zonder vertegenwoordigers die wij de macht toevertrouwen binnen een democratische orde, is de grootste leugen van allemaal.’

Dit is een oude, demagogische truc, net doen alsof je tegenstander geen steekhoudende kritiek heeft, en in wezen niets anders doet dan het verspreiden van ‘de grootste leugen van allemaal.’ Het is opnieuw een kenmerkend voorbeeld van het depolitiseren van het politieke, zonder in te gaan op ‘de feiten.’ Heijne ontmaskert niet ‘de retoriek,’ maar zet — bij gebrek aan argumenten — ‘de retoriek’ een nieuw masker op. Daarnaast blijft zijn betoog, net als dat van de media-zakenman Thompson, flinterdun en blijft steken in politieke uiterlijkheden. Hij slaagt er niet in tot de kern van de westerse culturele crisis door te dringen. Bij beiden gaat het niet verder dan de oppervlakte, het handelt merendeels over populisten, maar niet allereerst en vooral over het populisme als het product van de bewust gecreëerde culturele deprivatie van de westerse massa. In dit opzicht zijn hun oppervlakkigheden niet te vergelijken met de scherpzinnig analyses van vooraanstaande intellectuelen in de wereld. Dat het Westen in oorlog verkeert met zichzelf, is de opiniemakers in de polder niet opgevallen. Dat het neoliberalisme meer dan ooit tevoren de interne tegenstellingen van het kapitalisme blootlegt, is hen niet bekend, en omdat de mainstream-media een echokamer vormen, waarin overleefde platitudes almaar blijven rond zingen en elke dissidente stem eruit is gefilterd, worden lichtgewichten als Mak en Heijne door provincialen al snel gezien als grote lichten. Maar legt men hun teksten naast die van bijvoorbeeld de Noord-Amerikaanse auteur en hoogleraar Henry A. Giroux, dan ontdekt de lezer meteen hoe beschamend onnozel ‘onze’ spraakmakende kletskousen in Nederland zijn. Een proef op de som: een fragment uit Giroux boek America at War with Iself (2016)

Hannah Arendt was right in stating that ‘the aim of totalitarian education has never been to instill convictions but to destroy the capacity to form any,’ suggesting that totalitarianism was as much about the production of thoughtlessness as it was about the imposition of brute force, gaping inequality, corporatism, and the spectacle of violence. Totalitarianism destroys everything that democracy makes possible, and in doing so thrives by stoking mass insecurity, fear, and rage, all of which are marshalled to demonize the Other — the Immigrant, the Black, the Muslim, the Intellectual, the Youth in Revolt. Yet power, however tyrannical, is never without resistance. The dark clouds of authoritarianism are not ahead, they are upon us, but that does not mean that they are here to stay. America at War with Itself is designed to see through the sand storm that authoritarianism is unleashing, and to point toward alternative pathways offered by critical pedagogy, insurrectional democracy, and international solidarity…

Liberals have denounced Trump but have said woefully little about the history of how both major parties have supported unjustified military invasions, racialized tough-on-crime campaigns, and a mass-incarceration state that has decimated communities of color nationwide…

Adding to the chorus of liberal denunciations were the public announcements by a number of corporations that they were cutting their business ties with Trump because of the offensive nature of his remarks. Commentators praised such corporations for taking the high moral ground but most conveniently forgot that these were the same corporations battling unions, polluting the environment, underpaying their workers, and exercising an economic chokehold over the commanding institutions of American life…

In response to all of this fanfare over Trump's remarks, I argue that the widespread focus given to his displays of racism, narcissism, and arrogance misses the point. The real issue that needs to be examined is what kind of society produces a Donald Trump. Why have Americans flocked to his rallies and roared in support for his bigoted epithets and militant intolerance? Given how the legacies of white colonialism, enslavement, and Jim Crow politics have influenced the nation for generations — influences that scholars like Angela Davis, Michelle Alexander, and Mumia Abu-Jamal relentlessly critique — Trump is just the latest manifestation of a social order that has always been dominated by whites and that has always been deeply racist. Trump exemplifies a no-holds-barred form of intolerance that shares the ideology of hate espoused by armed vigilante groups that bomb Planned Parenthood offices, ambush immigrants on the border, and burn mosques. How else to explain that extremists such as Christian nationalists, the Ku Klux Klan, and white militia groups are flocking to support Trump. The national approval ratings that soar following Donald Trump’s most outrageous statements offer clear testimony to the degree to which forces of intolerance are seething just beneath the glittering corporate surface of a democracy in deep decline. In addition, Trump provides a more direct and arrogant frontman for a society operating increasingly as a plutocracy — a society that glorifies money, excess, and celebrity, and that denigrates kindness, community, justice, and equality.

Trump is the symbol of a new authoritarianism, which is to say, the sign of a democracy unable to protect and sustain itself. Trump represents corporate domination set free, a political and economic engine that both fuels and feeds on fear and intolerance. He is also the endpoint of a longstanding political system that is ‘part bread-and-circuses spectacle, part celebrity obsession, and part media money machine. 
(http://www.tomdispatch.com/blog/176120/tomgram%3A
_engelhardt,_don't_blame_it_all_on_donald_trump svh).’ Trump is the symbol of a frightened society that is increasingly seduced to choose the swagger of a vigilante strongman over the processes of collective sovereignty, the gun over diplomacy, and the wall instead of the bridge. Trump's public rants and humiliating snipes make for great TV, and are, as Frank Rich once argued, ‘another symptom of a political virus that can't be quarantined and whose cure is as yet unknown.’ What the American public needs is an ongoing analysis of Trump’s messaging in the context of the historical legacies of white bigotry and intolerance, and an analysis of how right-wing politics have tapped such bigotry to further the self-serving interests of a small economic elite. Such an analysis would situate Trump in the context of the historical racism that has smoldered as a form low-intensity warfare in the United States since its inception, and that has arguably worsened for communities of color since the rise of neo-conservatism in the 1980s. Trump has simply discarded the euphemisms and deploys the ruse of national security to take bigotry, sexism, xenophobia, and political bullying to more aggressive levels. 

Trump's rise indicates the increasing confluence of religious fundamentalists and economic extremists who insist that social, racial, economic, and environmental justice are wrong, lead to big government, and are malignant to the nation. Chris Hedges captures the authoritarian and militaristic nature of the Christian right: 

       The cult of masculinity, as in all fascist movements, pervades the ideology of the Christian right. The movement uses religion to sanctify military and heroic ‘virtues,’ glorify blind obedience and order over reason and conscience, and pander to the euphoria of collective emotions. Feminism and homosexuality, believers are told, have rendered the American male physically and spiritually impotent. Jesus, for the Christian right, is a man of action, casting out demons, battling the Antichrist, attacking hypocrites and ultimately slaying nonbelievers. This cult of masculinity, with its glorification of violence, is appealing to the powerless. It stokes the anger of many Americans, mostly white and economically disadvantaged, and encourages them to lash back at those who, they are told, seek to destroy them. The paranoia about the outside world is fostered by bizarre conspiracy theories, many of which are prominent in the rhetoric of those leading the government shutdown. Believers, especially now, are called to a perpetual state of war with the ‘secular humanist’ state. The march, they believe, is irreversible. Global war, even nuclear war, is the joyful harbinger of the Second Coming. And leading the avenging armies is an angry, violent Messiah who dooms billions of apostates to death.

Giroux beschrijft hier de geest van het huidige fascisme dat overal in het Westen opnieuw zijn kop opsteekt, en dat al in 1919 door William Butler Yeats werd voorvoelt, toen hij het gedicht ‘The Second Coming’ schreef, waarin hij voor de consequenties ervan waarschuwde met de woorden:

    Turning and turning in the widening gyre
    The falcon cannot hear the falconer;
    Things fall apart; the centre cannot hold;
    Mere anarchy is loosed upon the world,
    The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
    The ceremony of innocence is drowned;
    The best lack all conviction, while the worst
    Are full of passionate intensity.

    Surely some revelation is at hand;
    Surely the Second Coming is at hand.
    The Second Coming! Hardly are those words out
    When a vast image out of Spiritus Mundi
    Troubles my sight: a waste of desert sand;
    A shape with lion body and the head of a man,
    A gaze blank and pitiless as the sun,
    Is moving its slow thighs, while all about it
    Wind shadows of the indignant desert birds.

    The darkness drops again but now I know
    That twenty centuries of stony sleep
    Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
    And what rough beast, its hour come round at last,
    Slouches towards Bethlehem to be born?

Hoe pover steekt de beschuldigende toon van Bas Heijne krantenstukjes af tegen zowel het gedicht van Yeats als de analyse van Giroux. In Nederland moet de ‘politiek-literaire elite’ het doen met Heijne’s vertekende voorstelling van zaken, zoals die in zijn column ‘Schoon Schip’ — waarin hij zijn kruit verschiet door zich te richten op lokale fenomenen — die als volgt eindigt: 

Wat willen we eigenlijk: echt zelf overal, dag in, dag uit over beslissen? Echt? Of gewoon betere politici?

En misschien wat minder partijen? De belofte dat wij burgers het verder wel zonder politiek afkunnen, zonder vertegenwoordigers die wij de macht toevertrouwen binnen een democratische orde, is de grootste leugen van allemaal.

Dat Heijne’s beschamende oppervlakkigheid dit jaar wordt beloond met de P.C. Hooft-prijs 2017 omdat, in de ogen van de jury ‘Zijn werk een vernieuwende impuls [geeft] aan wat literatuur in maatschappelijke zin betekenen kan,’ en ‘Hij schrijft als een denker én denkt als een lezer’ demonstreert, net als de opkomst van Wilders, hoe achterlijk en provinciaals Nederland is. Dat blijkt weer wanneer de in 2015, na de aanslagen in Parijs, wakker geschudde Bas de al eerder genoemde Mark Thompson citeert, die met het cliché aankomt dat

wanneer de publieke taal het vermogen om uit te leggen en betrokkenheid te kweken verliest, dan vormt zij een bedreiging voor de band tussen mensen en politici. Ik ben van mening dat dit proces zich vandaag de dag in onze democratieën voltrekt.

Bas, voor wie dit kennelijk een openbaring is — nu hij zijn Verlichtingsgeloof overboord heeft gezet — voegt hieraan toe:

Thompson is er zich gelukkig van bewust dat het wat cru is om al het hedendaagse onbehagen op de verwording van onze publieke taal te gooien. Het is een kip of het ei-kwestie: is ons publieke debat zo losgeslagen omdat de samenleving meer versplintert, of drijft onze heftiger taal, waarin bestaande tegenstellingen worden gedramatiseerd en uitvergroot, ons almaar verder uit elkaar?

En opnieuw reduceert Heijne een uiterst complex cultureel probleem tot een vormkwestie, waardoor de diepere oorzaken in een mist van woorden verdwijnt. Daarom, terug naar het inhoudelijke aspect in Giroux’s America at War with Itself:

Trump is just one boisterous voice speaking for a sector of white America that feels threatened by people of color, Muslims, immigrants, and people of conscience who form communities of solidarity and resistance. The end-time religious wars that many in the Republican Party embrace are not much different than those professed by ISIS and other fanatics. It is also the party of political fundamentalists who hate democracy, attack women's rights, destroy or underfund healthcare programs that benefit the poor,  turn back hard-won voting rights, and believe governance is a tool of the financial elite. 

Trump is simply the most visible and vocal member of a fractured party made up of frightened Americans, religious fundamentalists, and self-serving economic extremists who believe that the market should arbitrate and dominate all aspects of government and society. Trump represents a new form of social disorder — intolerant, authoritarian, and violent — that sees preventable inequality as part of the natural order of things. Guns, walls, laws, surveillance, prisons, media, and wars are there to serve the interest of the wealthy winners, and to keep the rest of the population in check. Bankers who commit theft, fraud, and acts of economic mass destruction never feel the cold steel of handcuffs tighten on their wrists. Corporate suspects never get shot down accidentally in the streets, as do unarmed Blacks, by white cops who feel threatened by skin color. Trump's rise reinforces these injustices and gives anxious whites a boastful businessin and TV celebrity to rule as their strongman. 

More than any other recent politician, Trump speaks to the existential fears and anger of many Americans who have every right to be distressed over their lives and their futures. These are people who live on the edge of financial ruin, people who have few resources for retirement, who are either unemployed or work in dead-end jobs. Not all in Trump's base are racist. Many of them are fed up and angry over establishment political parties whose allegiance is to the rich, not to them, and it shows in the increasing anxiety and despair of middle-aged white Americans who are dying early, and who ‘are committing suicide with guns, drugs and alcohol at shocking levels.’ Trump has tapped into this anger by exposing the class-specific fault lines that dominate the Republican Party while directing it into a discourse of hate, fear-mongering, xenophobia, racism, and violence. 

In de VS heerst een door angst en pijn permanent gemobiliseerde cultuur, waar maar weinigen aan kunnen ontsnappen. De Amerikaanse Droom begon al vier decennia geleden stapsgewijs te veranderen in een nachtmerrie. De negatieve gevolgen hiervan worden ofwel op de Ander geprojecteerd, die als vijand wordt gezien, of slaan naar binnen en vernietigen het individu. Al in de eerste helft van de jaren zeventig, toen de Vietnam-veteranen psychisch en/of lichamelijk gebroken terugkeerden, zag en sprak ik velen van hen in de Bowery op Manhattan, en in het Mid-Westen waar zij zich in gehuchten hadden teruggetrokken, en in de Appalachen, waar ze in verwaarloosde dorpen geboren waren en waar ze na het meedogenloze geweld in Vietnam weer moesten integreren in het benepen, vaak uitzichtloze, dagelijkse leven. Hetzelfde gebeurde weer de afgelopen twee decennia met de veteranen van de oorlogen die de VS in het Midden-Oosten voerde. De wekelijks verschijnende Military Times berichtte op 7 juli 2016 dat:

Roughly 20 veterans a day commit suicide nationwide, according to new data from the Department of Veterans Affairs — a figure that dispels the often quoted, but problematic,  ’22 a day’ estimate yet solidifies the disturbing mental health crisis the number implied.

In 2014, the latest year available, more than 7,400 veterans took their own lives, accounting for 18 percent of all suicides in America. Veterans make up less than 9 percent of the U.S. population.

Intussen woedt in de hele Verenigde Staten al enige tijd een heroïne-epidemie, waarover The New York Times van vrijdag 6 januari 2017, onder de kop ‘Inside a Killer Drug Epidemic: A Look at America’s Opioid Crisis,' het volgende berichtte:

The opioid epidemic killed more than 33,000 people in 2015. What follows are stories of a national affliction that has swept the country, from cities on the West Coast to bedroom communities in the Northeast.

Opioid addiction is America’s 50-state epidemic. It courses along Interstate highways in the form of cheap smuggled heroin, and flows out of ‘pill mill’ clinics where pain medicine is handed out like candy. It has ripped through New England towns, where people overdose in the aisles of dollar stores, and it has ravaged coal country, where addicts speed-dial the sole doctor in town licensed to prescribe a medication.

Public health officials have called the current opioid epidemic the worst drug crisis in American history, killing more than 33,000 people in 2015. Overdose deaths were nearly equal to the number of deaths from car crashes. In 2015, for the first time, deaths from heroin alone surpassed gun homicides.

And there’s no sign it’s letting up, a team of New York Times reporters found as they examined the epidemic on the ground in states across the country. From New England to ‘safe injection’ areas in the Pacific Northwest, communities are searching for a way out of a problem that can feel inescapable.

In 2010 reed ik samen met mijn vrouw door Tennessee en Kentucky en ontdekte al snel dat een aanzienlijk aantal inwoners van deze door werkloosheid en milieuverwoesting getroffen staten verslaafd was aan zware pijnstillers als Oxycontin en Oxycodone. In Harlan County, waar de mijnwerkers van oudsher een grote saamhorigheid kenden, zag ik uiteengevallen gemeenschappen met overal junkies die opiaten gebruikten, of crystal meth. Dinsdag 3 november 2015 meldde The Washington Post onder de kop ‘Nearly 60 percent of Americans — the highest ever — are taking prescription drugs’  dat

‘Nearly 3 in 5 American adults take a prescription drug, up markedly since 2000 because of much higher use of almost every type of medication, including antidepressants and treatments for high cholesterol and diabetes.’

In a study published Tuesday in the Journal of the American Medical Association, researchers found that the prevalence of prescription drug use among people 20 and older had risen to 59 percent in 2012 from 51 percent just a dozen years earlier. During the same period, the percentage of people taking five or more prescription drugs nearly doubled, to 15 percent from 8 percent.

One likely factor driving the increased use: obesity.

Researchers noted that eight of the 10 most commonly used drugs in the United States are for hypertension, heart failure, diabetes and other elements of the ‘cardiometabolic syndrome.’ In addition, another frequently prescribed drug treats gastroesophageal reflux, a widespread condition among the overweight or obese.

Why do drug companies charge so much? Because they can.

Aangezien de Nederlandse journalistiek zelfs niet eens in staat is geweest om de opkomst van Pim Fortuyn te zien, dat zich notabene voor haar ogen voltrok, en eveneens de opkomst van Trump niet voorzag, moet men ook niet verwachten dat zij een waarheidsgetrouw beeld van de VS kan geven. De ideologische kijk op de werkelijkheid weerhoudt de mainstream-journalist ervan om bepaalde feiten op te merken, en al helemaal om die feiten in een bredere context te plaatsen. In Nederland moet de geschoolde consument het doen met de werken van Bas Heijne die in de NRC onder de kop 'Iets kapot maken is lekker' als volgt werd ingeleid:

Bas Heijne leest Freuds ‘Het onbehagen in de cultuur’ en snapt beter waarom boze burgers zo agressief zijn. ‘Als de wereld zich niet aan jouw verlangens aanpast, moet die wereld worden vernietigd.’ 

De columnist legt zijn publiek vervolgens uit: 

In het beroemde, late cultuurkritische essay Das Unbehagen in der Kultur (1930) gaat Sigmund Freud uit van een onoplosbare spanning tussen een individu en de samenleving of cultuur waar hij deel van uitmaakt. Daarin past Freud een aantal basisbegrippen uit zijn psychoanalyse op onze cultuur als geheel toe. De oerdriften in een mens, seksueel en gewelddadig, worden getemd door wat beschaving heet. Die beschaving schept een leefbare orde, stelt regels en geboden en biedt een mens bescherming, maar schept zelf ook weer problemen — de neuroses, remmingen en psychische verdringingen die door de psychoanalyse aan het licht gebracht zouden worden.

De voornaamste oerdrift in de mens, door Freud het ‘lustprincipe’ genoemd, is erop gericht een zo groot mogelijk genot en geluk te beleven – dat is de bewuste en onbewuste motivatie van al ons handelen. We willen het zo goed mogelijk hebben. Maar we zijn ons er tegelijkertijd van bewust dat we niet zomaar al onze verlangens kunnen uitleven, omdat we onszelf – en anderen – daarmee schade toebrengen. Dat lustprincipe wordt zodoende geconditioneerd door wat Freud het ‘realiteitsprincipe’ noemde. Niet alles wat we willen, is ook mogelijk — of in ieder geval niet meteen.

Omdat het huidige, half-geletterde, publiek van NRC Handelsblad, is opgegroeid in ‘the culture of entitlement,’ zag Heijne zich genoodzaakt om de lezers van de ‘kwaliteitskrant’ een voorbeeld te geven van datgene wat vroeger elk kind wist, namelijk dat ‘Niet alles wat we willen, is ook mogelijk – of in ieder geval niet meteen.’ Hij schrijft: 

Bijvoorbeeld: ik wil een dure sportauto kopen, maar weet dat ik, wanneer ik daar in één klap al mijn geld aan uitgeef, mijn gezin niet meer zal kunnen onderhouden. Dus stel ik de aanschaf uit, maar blijf ervan dromen — en ga ik ervoor sparen, zodat ik wellicht eens, op een dag.

Maar omdat de zo geprezen Bas weet dat hij bij de NRC te maken heeft onwetenden, gaf hij nog een voorbeeld, namelijk

Ik droom van grootscheepse orgieën waarin iedereen het met iedereen doet, maar besef dat mijn relatie op het spel komt te staan wanneer ik aan dat verlangen toegeef, dus zie ik er (voorlopig) vanaf. Ik wil een wereldreis maken, alles achter laten, al mijn schepen achter mij verbranden, maar weet dat zo’n reis bakken met geld kost, ik zal er dus eerst voor moeten werken en sparen; de droom laat zich niet zomaar verwezenlijken.

Alleen al het feit dat de NRC-opiniemaker kennelijk twee voorbeelden nodig heeft (auto en sex) om een volwassen publiek van een ‘kwaliteitskrant’ datgene duidelijk te maken wat nog geen halve eeuw geleden elk kind wist, toont aan hoe diep de westerse cultuur is gezonken. Dit is des te opmerkelijker aangezien al twee millennia geleden de Romein Cicero het begrip 'entitlement' als volgt heeft omschreven: ‘dat wat begint met dankbaarheid wordt al snel afhankelijkheid en eindigt als het recht hebben op.' Het meest absurde is hier dat Heijne, zonder het zelf te beseffen, aantoont dat ook het publiek van de zogeheten ‘politiek-literaire elite’ door precies dezelfde geconditioneerde reflexen wordt beheerst als het publiek van de ‘populisten.’ Bovendien gebruikt 'onze' Basdezelfde rancunes en angsten als de populisten, dezelfde oerdriften om zijn lezers te mobiliseren tegen de Ander, in de overtuiging dat ‘de Ander een bedreiging vormt, dat hij een vijand is, dat hij hun vermoeide frustraties en angsten veroorzaakt,’ zoals de Poolse journalist/auteur Ryszard Kapuściński schreef in zijn laatste essaybundel de ander (2008). Zo jut Heijne zonder enige directe aanleiding zijn lezers op tegen   

Vladimir Poetins manier van politiek bedrijven — het onderhands aanmoedigen van agressie tegen de krachten die jou je autonomie hebben afgenomen, die jouw eigenheid willen wegvagen,

en blijft hij druk doende zijn eigen lezers, met hun kinderlijke geest, mentaal rijp te maken voor zijn  ‘dieper liggende boodschap,’ dat op zijn eigen specifieke manier ‘Freuds realiteitsprincipe’ vernietigt. Het simplisme van Heijne’s ‘populisme’ verschilt niet wezenlijk van dat van de populisten. Hij heeft alleen een andere vijand uitgepikt, en andere helden gekozen. Dit is niet verwonderlijk, aangezien ook zijn publiek, niet beseffend dat ‘de droom zich niet zomaar [laat] verwezenlijken,’ op dezelfde impulsen reageert als het publiek van de populisten.                       


Intussen voltrekt zich achter de door Heijne beschreven façade iets fundamenteels, namelijk de relatief snelle ineenstorting van de hegemonie van de witte man. Ooit veroverde hij vanuit het Avondland met genocidaal geweld de wereld, maar aan die fase is een definitief eind gekomen. Kapuściński:

Gedurende vijf eeuwen heeft Europa de wereld gedomineerd. Niet alleen op het politieke en economische, maar ook op het culturele vlak. Europa legde de godsdienst op, bepaalde de wetten, normen en waarden, gedragspatronen en talen. Onze betrekkingen met de Anderen waren altijd al asymmetrisch. Van onze kant waren deze betrekkingen onveranderlijk heerszuchtig, apodictisch en paternalistisch van aard. Zo'n vijfhonderd jaar van ongelijke en oneerlijke ordening leidde ertoe dat de betrokkenen veel sterke gewoonten ontwikkelden. 

Halverwege de twintigste eeuw begint echter het proces van dekolonisatie, waardoor tweederde van de wereldbevolking, althans in naam, de status van vrije burgers krijgt. Ze reiken dan terug naar hun wortels en laten hun culturen herrijzen. Met trots beginnen ze op het belang ervan te wijzen, er hun kracht uit te putten. Europa, nog steeds gesloten en verstaand in zijn eurocentrisme, lijkt niet te merken — of wil liever niet merken — dat verscheidene buiten-Europese beschavingen op onze planeet aan belang winnen, dat ze dynamischer en levendiger worden, beschavingen die steeds nadrukkelijker en vastberadener hun plaats aan de wereldtafel opeisen. Het is een moment van grote uitdaging voor Europa.  Europa moet voor zichzelf een nieuwe plek aan die tafel zien te vinden; het zal nooit meer aan die tafel aanschuiven op grond van het principe van exclusiviteit — door niemand bedreigd en almachtig zoals vroeger.

Op dat moment eindigt de Koude Oorlog, er komt een einde aan de verdeling van de planeet in twee blokken  die tegenover elkaar staan, er ontstaat een nieuwe wereld, die mobieler en opener is dan ooit tevoren.

Op hetzelfde ogenblik evenwel eiste de VS die de Koude Oorlog meende te hebben gewonnen, de absolute alleenheerschappij over de hele wereld. Volgens sommige invloedrijke westerse intellectuelen had de overwinning van het neoliberale kapitalisme zelfs ‘het einde van de geschiedenis’ ingeluid. Als ‘unipolaire’ macht zou de zwaarst bewapende natie op aarde soevereine staten voortaan met grootscheeps geweld kunnen dwingen de hegemonie van de VS te accepteren, zonder een reactie te hoeven verwachten van het inmiddels kapitalistische Rusland. Neoconservatieve beleidsbepalers in zowel de regering van Bush-junior als die van Obama streefden naar 'maintaining US pre-eminence, thwarting rival powers and shaping the global security system according to US interests.’ De Canadese auteur en oud-diplomaat Peter Dale Scott concludeerde dat de neoconservatieve ideologie, zoals die al in 2000 was verwoord in het rapport ‘Rebuilding America’s Defenses,’ een pleidooi was voor ‘a global Pax Americana unrestrained by international law.’ Vastbesloten een Amerikaans wereldimperium af fte dwingen begrepen de neoconservatieven dat dit ‘process of transformation, even if it brings revolutionary change, is likely to be a long one,’ tenzij ‘some catastrophic and catalyzing event — like a new Pearl Harbor,’ zou plaatsvinden die de gewenste ontwikkeling zou versnellen. Op 11 september 2001 werden zij als het ware op hun wenken bediend, en kon de Amerikaanse elite in Washington en op Wall Street onmiddellijk met haar shock and awe beginnen, door allereerst Afghanistan aan te vallen. Maar dit was slechts het begin. In 2007 verklaarde de vier sterren generaal Wesley Clark en voormalige ‘Supreme Allied Commander Europe of NATO’ het volgende:

About ten days after 9/11, I went through the Pentagon and I saw Secretary Rumsfeld and Deputy Secretary Wolfowitz. I went downstairs just to say hello to some of the people on the Joint Staff who used to work for me, and one of the generals called me in. He said, ‘Sir, you’ve got to come in and talk to me a second.’ I said, ‘Well, you’re too busy.’ He said, ‘No, no.’ He says, ‘We’ve made the decision we’re going to war with Iraq.’ This was on or about the 20th of September. I said, ‘We’re going to war with Iraq? Why?’ He said, ‘I don’t know.’ He said, ‘I guess they don’t know what else to do.’ So I said, ‘Well, did they find some information connecting Saddam to al-Qaeda?’ He said, ‘No, no.’ He said, ‘There’s nothing new that way. They just made the decision to go to war with Iraq.’ He said, ‘I guess it’s like we don’t know what to do about terrorists, but we’ve got a good military and we can take down governments.’ And he said, ‘I guess if the only tool you have is a hammer, every problem has to look like a nail.’



De pro-Israel neoconservatieve ideoloog Robert Kagan, één van de meest prominente voorstanders van de agressie-oorlog tegen Irak, wiens echtgenote Europa heeft opgezadeld met het Oekraïne-probleem. 



Ook onder president Obama was sprake van een agressieve Amerikaanse expansiepolitiek, nadat minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton er ondermeer in slaagde de neoconservatieve Victoria Nuland aan te stellen tot haar staatsecretaris, verantwoordelijk voor Europa en Eurazië. Over Nuland en haar echtgenoot, de neoconservatieve ideoloog Robert Kagan, één van de meest prominente voorstanders van de illegale inval in Irak, schreef de befaamde Amerikaanse onderzoeksjournalist Robert Parry in maart 2015:

Neoconservative pundit Robert Kagan and his wife, Assistant Secretary of State Victoria Nuland, run a remarkable family business: she has sparked a hot war in Ukraine and helped launch Cold War II with Russia – and he steps in to demand that Congress jack up military spending so America can meet these new security threats.

This extraordinary husband-and-wife duo makes quite a one-two punch for the Military-Industrial Complex, an inside-outside team that creates the need for more military spending, applies political pressure to ensure higher appropriations, and watches as thankful weapons manufacturers lavish grants on like-minded hawkish Washington think tanks…

if it weren’t for Nuland’s efforts as Assistant Secretary of State for European Affairs, the Ukraine crisis might not exist. A neocon holdover who advised Vice President Dick Cheney, Nuland gained promotions under former Secretary of State Hillary Clinton and received backing, too, from current Secretary of State John Kerry.

Assistant Secretary of State for European Affairs Victoria Nuland, speaking to Ukrainian and other business leaders at the National Press Club in Washington on Dec. 13, 2013, at a meeting sponsored by Chevron.

Confirmed to her present job in September 2013, Nuland soon undertook an extraordinary effort to promote ‘regime change’ in Ukraine. She personally urged on business leaders and political activists to challenge elected President Viktor Yanukovych. She reminded corporate executives that the United States had invested $5 billion in their ‘European aspirations,’ and she literally passed out cookies to anti-government protesters in Kiev’s Maidan square.

Working with other key neocons, including National Endowment for Democracy President Carl Gershman and Sen. John McCain, Nuland made clear that the United States would back a ‘regime change’ against Yanukovych, which grew more likely as neo-Nazi and other right-wing militias poured into Kiev from western Ukraine.

In early February 2014, Nuland discussed U.S.-desired changes with U.S. Ambassador to Ukraine Geoffrey Pyatt (himself a veteran of a ‘regime change’ operation at the International Atomic Energy Agency, helping to install U.S. yes man Yukiya Amano as the director-general in 2009).

Nuland treated her proposed new line-up of Ukrainian officials as if she were trading baseball cards, casting aside some while valuing others. ‘Yats is the guy,’ she said of her favorite Arseniy Yatsenyuk.

Disparaging the less aggressive European Union, she uttered ‘Fuck the EU’ – and brainstormed how she would ‘glue this thing’ as Pyatt pondered how to ‘mid-wife this thing.’ Their unsecure phone call was intercepted and leaked.


Als woordvoerder van het kleinburgerlijke establishment in de polder spreekt het voor zich dat Bas Heijne al deze informatie verzwijgt zodra hij schrijft over ‘Vladimir Poetins manier van politiek bedrijven.’ Voor een opiniemaker in een klein taalgebied die van zijn pen moet leven, en een huis moet bekostigen ‘aan een van de mooiste stukjes van de Amsterdamse grachtengordel,’ is de vrijheid van meningsuiting natuurlijk beperkt. Wat Heijne verder verzwijgt is dat president ‘Obama,’ die hij, volgens eigen zeggen, ‘hoog’ heeft ‘zitten,’ een groot bewonderaar is van het neoconservatieve gedachtengoed van Nuland’s echtgenoot Robert Kagan, een ‘co-founder of the Project for the New American Century. More recently, his book The World America Made has been publicly endorsed by US President Barack Obama, and its theme was referenced in his 2012 State of the Union Address.' 

In een recensie van Robert Kagan’s 149 pagina’s tellende boek The World America Made (2012) schreef de bekende New York Times-recensente Michiko Kakutani in haar krant van 14 februari 2012: 

One thing Barack Obama and Mitt Romney seem to have in common these days is an appreciation for the neoconservative historian Robert Kagan.

The Romney campaign has retained Mr. Kagan as a foreign-policy adviser, and according to news reports, President Obama has read and been influenced by a recent Kagan essay in The New Republic, which addresses 'the myth of American decline' and underscores the importance of the United States’ maintaining its 'global responsibilities.'

Mr. Kagan’s sometimes shaky reasoning is combined with a failure to grapple convincingly with crucial problems facing America today, the very problems that observers who worry about American decline have cited as clear and present dangers, including political gridlock at home, falling education scores, lowered social mobility and most important, a ballooning deficit. […]

Mr. Kagan hops and skips around such issues, placing way more emphasis on the military aspects of power as a measure of a country’s health and global sway. For instance, of the burgeoning financial clout of China — which already holds more than $1 trillion in United States debt — Mr. Kagan asserts that it has implications for American power in the future 'only insofar as the Chinese translate enough of their growing economic strength into military strength.' […]

This volume is peppered with vague lines like 'many believe that wars among the great powers are no longer possible,' or 'it is a common perception today that the international free market system is simply a natural stage in the evolution of the global economy.' 

Ook andere besprekers waren uiterst negatief over de door president Obama bewonderde Robert Kagan. Zo stelde de recensent van The National Review, dat Kagan ‘prefer[red] to stick to big-picture generalizations, as if nervous his argument [wouldn't] withstand close contact with specifics,’ en voegde hieraan toe dat ‘Kagan never defines terms.’  Bovendien vroeg hij zich af wat Kagan’s definitie van ‘democratie’ is, en merkte op dat hij gaandeweg ‘had a strong urge [...] to toss the book out of the window and back my truck over it.’ Op zijn beurt beschreef

Christopher A. Preble, a Fellow at the Cato Institute, a libertarian think tank, the book as ‘a cri de coeur directed at a foreign — policy establishment beset by doubts and a wider public harboring even deeper ones.’ He added that Kagan's ideas were ‘shortsighted at best, harmful at worst.’ Instead, he argued, ‘The world is both more complicated and more durable than Kagan imagines,’ lamenting Kagan's ‘flawed analysis.’ However, he went on to admit, ‘His ideas represent something close to the reigning orthodoxy in Washington today and for the past two decades.’ He concluded by saying that the book was unconvincing and paralleled an essay Kagan co-wrote in 1996 with Bill Kristol entitled, Toward a Neo-Reaganite Foreign Policy, adding, ‘He didn't prove [his] case before, and he doesn’t now.’

In een poging de NAVO-bases nog verder oostwaarts te laten oprukken, creëerde staatssecretaris Victoria Nuland, de echtgenote van de neoconservatieve godfather Robert Kagan, in Europa het levensgevaarlijke probleem met de Oekraïne. Juist daarom bleef de door Bas Heijne zo bewonderde president Obama, samen met zijn toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton, de neoconservatieve doelstellingen in Oost-Europa steunen. 

Ondanks Heijne's stellingname blijft hij zich presenteren als een onafhankelijke en kritische intellectueel die open staat voor een ‘publiek debat’ over de fundamenten van de westerse ‘beschaving.’ In wezen demonstreert daarmee hoe smal de marges van de neoliberale ‘democratie’ zijn. Telkens als ik een stukje van hem lees, moet ik denken aan de auteur Frans Kellendonk, die in zijn lezing Idolen (1986) op een scherpzinnige manier de dwaasheid van de westerse journalistiek aan de kaak stelde. Hij wees erop dat

Het realisme een weerspiegeling van de werkelijkheid [veinst] te zijn, maar stiekem gaat het afbeelden precies andersom: aan de werkelijkheid wordt door het realisme een beeld opgedrongen.

Dat is des te gevaarlijker omdat dit vertekend 'realisme,' aldus Kellendonk 'oppermachtig heerst' in 

de journalistiek. Die geeft zich zonder voorbehoud uit voor naakte werkelijkheid… Niets is zo levend, of deze geestdodende vervreemdingsmachine weet het onverwijld op maat te snijden.

Meer over Bas Heijne als poseur de volgende keer. 


Bas Heijne: Voorbeeld 2: Ik droom van grootscheepse orgieën waarin iedereen het met iedereen doet, maar besef dat mijn relatie op het spel komt te staan wanneer ik aan dat verlangen toegeef, dus zie ik er (voorlopig) vanaf. Ik wil een wereldreis maken, alles achter laten, al mijn schepen achter mij verbranden, maar weet dat zo’n reis bakken met geld kost, ik zal er dus eerst voor moeten werken en sparen; de droom laat zich niet zomaar verwezenlijken.