• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

woensdag 14 juni 2017

Geert Mak als Graadmeter 3



Teach your children what we have taught our children, that the Earth is our mother. Whatever befalls the Earth befalls the sons of the Earth. If men spit upon the ground, they spit upon themselves.

This we know — the Earth does not belong to man — man belongs to the Earth. This we know. All things are connected like the blood which unites one family. All things are connected.

Whatever befalls the Earth — befalls the sons of the Earth. Man did not weave the web of life — he is merely a strand in it. Whatever he does to the web, he does to himself. 
Chief Seattle. 1854 

Het Europese project is vanaf het allereerste begin gebouwd op de grondbeginselen van de Verlichting, op de rechtsstaat, de democratie en de vrijheid van meningsuiting. 
Geert Mak. 2017 Jaar van de waarheid. 14 februari 2017.

‘Because a thing is going strong now, it need not go strong for ever,’ [Margaret] said. ‘This craze for motion has only set in during the last hundred years. It may be followed by a civilization that won’t be a movement, because it will rest upon the earth.’
E. M. Forster. Howards End. 1910

Allereerst dient men het volgende te weten over Wendell Berry, een wijze 82 jaar oude Amerikaan wiens werk ik bewonder: 

In Washington this past Monday, Wendell delivered the 2012 Jefferson Lecture, the highest honor the federal government has for ‘distinguished intellectual achievement’ in the humanities. He titled the talk ‘It All Turns on Affection.’ 
The New York Times. Wendell Berry, American Hero. 24 april 2012 

De cultuurcriticus, dichter, schrijver, milieu-activist en boer Wendell Berry zette in zijn essay Nature as Measure (1989) uiteen hoe door de agro-industriële ideologie ‘the face of the country is now everywhere marked by the agony of our enterprise of self-destruction,’ waardoor ‘wij’ vandaag de dag ‘have nearly destroyed American farming, and in the process have nearly destroyed our country.’ Het paradoxale feit doet zich voor dat ‘[w]e have been winning, to our inestimable loss, a competition against our own land and our own people,’ doordat ‘all too often we have proceeded to ignore the nature of our places in farming them,’ terwijl ‘if nature does not thrive, farming cannot thrive,’ en wanneer de ecologie niet floreert, ‘we cannot thrive.’ Berry waarschuwde al ruim een kwart eeuw geleden dat de moderne landbouw- en veeteelt-politiek in een permanente staat van oorlog verkeert met de natuur en de mens, omdat zij productiviteit boven al het andere stelt, en daarom weigert rekening te houden met 

the health of all the creatures belonging to a given place, from the creatures of the soil and water to the humans and other creatures of the land surface to the birds of the air. The use of nature as measure proposes an atonement (verzoening. svh) between ourselves and our world, between economy and ecology, between the domestic and the wild. Or it proposes a conscious and careful recognition of the interdependence between ourselves and nature that in fact has always existed and, if we are to live, must always exist. 

Industrial agriculture, built according to the single standard of productivity, has dealt with nature, including human nature, in the manner of a monologist or an orator. It has not asked for anything, or waited to hear any response. It has told nature what it wanted, and in various clever ways has taken what it wanted. And since it proposed no limit on its wants, exhaustion has been its inevitable and foreseeable result. This, clearly, is a dictatorial or totalitarian form of behavior, and it is as totalitarian in its use of people as it is in its use of nature. Its connections to the world and to humans and the other creatures become more and more abstract, as its economy, its authority, and its power become more and more centralized. 

On the other hand, an agriculture using nature, including human nature, as its measure would approach the world in the manner of a conversationalist. It would not impose its vision and its demands upon a world that it conceives of as a stockpile of raw material, inert and indifferent to any use that may be made of it. It would proceed directly and soon to serious thought about our condition and our predicament. On all farms, farmers would undertake to know responsibly where they are and to 'consult the genius of the place.’  They would ask what nature would be doing there it no one were farming there. They would ask what nature would permit them to do there, and what they could do there with the least harm to the place and to their natural and human neighbors. And they would ask what nature would help them to do there. And after each asking, knowing that nature will respond, they would attend carefully to her response. The use of the place would necessarily change, and the response of the place to that use would necessarily change the user. The conversation itself would thus assume kind of creaturely life, binding the place and its inhabitants together, changing and growing to no end, no final accomplishment, that can be conceived or foreseen. 

Deze wijsheid staat lijnrecht tegenover de neoliberale ideologie, gebaseerd op de dogmas’s van eeuwige groei en maximale winsten, zoals die door onder andere de mainstream-opiniemaker Geert Mak worden verkondigd, wanneer hij stelt dat 

de EU een markt [is] van bijna een half miljard mensen met de hoogste gemiddelde levensstandaard ter wereld. Alleen al voor Nederland is de Unie goed voor tweederde van onze totale export, eenvijfde van het nationale product. We hebben nu een open toegang tot die markt,

waardoor 'we,' aldus Mak, de 'deur' naar die 'markt' natuurlijk niet moeten dichtgooien. Hoe desastreus het neoliberale marktdenken ook mag uitwerken, er bestaat volgens de marktdenkers geen alternatief. Bij de gereformeerd opgevoede domineeszoon is sprake van een gedetermineerd mens- en wereldbeeld. 'We' — eveneens valse profeten spreken altijd namens de hele mensheid — kunnen ons absoluut niet onttrekken aan de wetten van de ‘markt,’ ook al veroorzaken hun verwoestende uitwerking tenslotte de ondergang van de menselijke soort. De internationaal vermaarde joods-Duitse sociaal psycholoog en filosoof Erich Fromm analyseerde deze absurde ideologie al in 1955 in zijn, eveneens in het Nederlands vertaalde boek, The Sane Society. Hij wees erop dat de

mens niet alleen vervreemd [is] van zijn werk, van de dingen en het amusement die hij consumeert, maar tevens van de maatschappelijke machten, die onze samenleving en het leven van elk individu bepalen. 

Onze feitelijke hulpeloosheid ten opzichte van de machten die ons regeren, blijkt vooral duidelijk bij de sociale rampen waaraan het tot dusver nooit ontbroken heeft, al worden zij elke keer weer als betreurenswaardige toevalligheden afgedaan, namelijk economische crises en oorlogen. De sociale verschijnselen doen zich voor als natuurrampen terwijl zij in werkelijkheid door de mens zelf, zij het ook zonder opzet en zonder zich ervan bewust te zijn, gecreëerde gebeurtenissen zijn. 

Een dergelijke anonimiteit van de maatschappelijke machten is inherent aan de structuur van de kapitalistische productiewijze. In tegenstelling tot de meeste andere samenlevingsvormen, waarbij de sociale wetten geformuleerd en vastgesteld zijn op basis van politieke macht of traditie, ontbreken deze vastgestelde regels bij het kapitalisme. Dit is immers gebaseerd op het beginsel dat zodra iedereen op de markt op eigen voordeel uit is, alles goed zal komen en er geen anarchie maar orde zal heersen. Uiteraard bestaan er economische wetten die de werking van de markt beheersen, maar dit voltrekt zich achter de rug van het handelend individu zelf, zodat de laatste zich slechts met zijn particuliere belangen hoeft bezig te houden. Hij kan alleen proberen deze marktwetten te raden, zoals een Calvinist in Genève moest gissen of God hem voor de zaligheid had voorbestemd of niet. Maar evenals God's wil, stonden ook de marktwetten boven de macht van zijn wil of invloed. 

De vraag of er nog andere mogelijkheden zijn dan de keuze tussen 'het vrije ondernemerschap' en politieke disciplinering is hier niet aan de orde. Wel moet in dit verband worden opgemerkt dat juist het feit dat wij door wetten worden beheerst die onszelf ontsnappen en die wij niet eens wensen te beheersen, één van de belangrijkste verschijningsvormen van vervreemding is. Wij zijn zelf de scheppers van onze economische en maatschappelijke inrichting en toch weigeren wij tegelijkertijd bewust en zelfs met overgave elke verantwoordelijkheid, en blijven we met hoop of vrees, al naar gelang de omstandigheden, afwachten wat 'de toekomst' ons zal brengen. Onze eigen daden zijn belichaamd in de wetten die ons regeren, maar intussen zijn deze wetten hoog boven ons verheven en zijn wij hun slaven. De reusachtige staat en het gigantisch economische systeem worden niet meer door de mens beheerst. Zij slaan op hol en hun leiders zijn als een ruiter op een op hol geslagen paard, vol trots dat hij nog in het zadel weet te blijven, hoewel hij iedere macht over het paard verloren heeft. 

Vragen wij naar de aard van de relatie waarin de moderne mens tot zijn medemens staat, dan vinden wij een verhouding als tussen twee abstracties, twee levende machines die elkaar wederkerig gebruiken. De werkgever gebruikt zijn werknemers, de verkoper zijn klanten. Iedereen is voor ieder ander een gebruiksvoorwerp dat men met een zekere mate van vriendelijkheid bejegenen moet omdat het, ook wanneer het niet direct van nut is, dit toch wellicht later kan zijn. Men vindt even weinig liefde als haat in de menselijke betrekkingen van onze tijd. Eerder vindt men een oppervlakkige vriendelijkheid, naast een meer dan oppervlakkige 'eerlijkheid,' maar onder die buitenlaag heersen afstand en onverschilligheid. 

Het is juist Mak's 'afstand en onverschilligheid' die hem in staat stellen moeiteloos te beweren dat de VS na 1945 'decennialang als ordebewaker en politieagent' op aarde 'fungeerde,' terwijl in werkelijkheid het imperium 'a legacy of ashes' in de hele wereld achterliet. Mijn oude vriend is zo vervreemd van de werkelijkheid geraakt dat hij niet meer bij machte is die te zien. Deze geestesgesteldheid maakt het hem mogelijk als bestseller-auteur te functioneren die zich telkens weer aanpast aan de smaak van de markt. Hij functioneert als een grootgrutter wiens producten een gat in de markt vullen. Erich Fromm:

Wat is de relatie van de mens tot zichzelf? Ik heb elders deze verhouding beschreven als 'markt-gericht.' Bij deze instelling ervaart de mens zichzelf als een zaak, die men met succes op de markt moet brengen, niet als oorsprong van handelen en drager van menselijke vermogens. Hij is van deze vermogens juist vervreemd. Zijn doel is slechts zich te verkopen en zijn ik-besef vloeit niet voort uit zijn activiteit als een liefhebbend en denkend individu maar uit zijn sociaal-economische rol. Konden dingen spreken, dan zou een schrijfmachine de vraag 'Wie ben je?' beantwoorden met 'Ik ben een schrijfmachine,' een automobiel met 'Ik ben een automobiel,' of meer specificerend met 'Ik ben een Ford, een Buick of een Cadillac.' Vraagt men een man 'Wie ben je?' dan luidt zijn antwoord 'Ik ben een winkelier' of 'Ik ben een kantoorbediende, een arts, een getrouwde man, de vader van twee kinderen,' enzovoorts, en zijn antwoord heeft vrijwel dezelfde betekenis als in het geval van de 'sprekende' dingen. Zo is de wijze waarop hij zichzelf ervaart, niet als een man met liefde, vrees, overtuigingen, of twijfel, maar als de van zijn ware natuur vervreemde abstractie, die een bepaalde functie in het sociale systeem vervult. Zijn waardebesef is van zijn succes afhankelijk. Zijn lichaam, geest en ziel vormen zijn kapitaal, dat hij in zijn leven zo goed mogelijk moet beleggen om winst uit zichzelf te halen. Menselijke eigenschappen zoals vriendelijkheid, hoffelijkheid en kameraadschap veranderen in gebruiksvoorwerpen, onderdelen van zijn uitrusting aan 'persoonlijkheid.' Weet hij zichzelf niet winstgevend te beleggen, dan is hij in zijn gevoel een mislukking en omgekeerd. Evenals dit bij met verlies verkochte koopwaar het geval is, komt het op zijn intrinsieke gebruikswaarde niet aan. 

Deze mentaliteit verklaart tevens de Makkiaanse Paradoxen, waarbij Mak zichzelf telkens weet tegen te spreken zonder dit te beseffen. Zo kan hij als mainstream-opiniemaker enerzijds waarschuwen voor wat hij het 'grootkapitaal' betitelt 'waar je niks tegen kunt doen,' om anderzijds met evenveel stelligheid te pleiten voor blijvende steun aan het 'grootkapitaal,' aangezien in zijn ogen 'Jorwert' zonder het neoliberale bolwerk ‘Brussel' volstrekt ondenkbaar is. Hij ziet hierin geen onoverkomelijke tegenstrijdigheid. In zijn gelijkgeschakeld bewustzijn bestaan geen tegenstrijdigheden. Omdat deze stoornis wijdverspreid is, bedreigt zij het voortbestaan van de mensheid. Zodra namelijk alles even waar is, bestaat er geen 'waarheid' meer en is alles gepermitteerd. Lucebert had gelijk toen hij stelde: 'Alles van waarde is weerloos,' en wel omdat het waardevolle geen stem heeft temidden van het helse kabaal van de commerciële massamedia, een milieu waarin een poseur als Mak zich als een vis in het water voelt. De diepe vervreemding wordt momenteel, ironisch genoeg, op de spits gedreven door de komst van berooide vluchtelingen, waarvoor de van zichzelf en zijn omgeving vervreemde massamens geen ruimte heeft voor empathie omdat hij zich voortdurend van alle kanten bedreigd voelt. Daarom functioneren Mak's beweringen als een graadmeter van de onderhuidse ressentimenten, en dient men bezweringen als ‘[h]et Europese project is vanaf het allereerste begin gebouwd op de grondbeginselen van de Verlichting, op de rechtsstaat, de democratie en de vrijheid van meningsuiting,’ met een korreltje te nemen. Even onbenullig waren zijn andere uitspraken in februari 2017 toen hij tijdens een lezing de volgende stelligheden proclameerde: 

Er is, ondanks alles, nog altijd reden tot optimisme. Nog altijd trekt Europa, wil men erbij horen, wendt niemand zich ervan af… Deze maanden zal opnieuw het uiterste gevraagd worden van de Europese leiders, met name van hun improvisatievermogen en hun flexibiliteit, nu de Europese instituties zo gebrekkig zijn opgetuigd voor wat er gaat komen. Goedkope stunts en prestigeconflicten kunnen we ons niet meer permitteren. We zullen het nodige moeten slikken. Het zij zo, als het maar in het Europese belang is. En vooral als wij, Europese burgers, het gevoel en de overtuiging herwinnen dat dit alles ook in ons gezamenlijke belang is. Dan zijn we tot veel bereid.

Kenmerkend aan zijn woorden is het gevaarlijk gebrek aan wijsheid. Daarover de volgende keer.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen