• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

maandag 2 januari 2017

Frank Westerman's Provinciale Schrijverij 48

Het is niet zo dat met de dominantie van de lage cultuur de hoge cultuur ten dode is opgeschreven, zoals cultuurpessimisten denken. Wat je juist ziet is dat de traditionele contexten van kunst steeds minder strikt worden. Toen Het Kruidvat Bach-cd's ging verkopen, liep dat als een trein. Als je Wagner in het Muziektheater programmeert heb je misschien een volle zaal, maar de keren dat er twee videoschermen in het Oosterpark werden neergezet waarop Wagner werd uitgezonden, zaten er tweeduizend man te kijken. In die nieuwe dynamiek kunnen dingen hun weg vinden.

Kijk, als je beweert dat hoge kunst zo veel belangrijker is dan populaire kunst is dat soms niet veel meer dan snobisme. Maar omgekeerd geldt dat ook. Ook uit Hollywood komt soms een meesterwerk. Er speelt een totale verbetenheid jegens alles wat moeilijk of complex zou zijn. Om daar de angel uit te halen zouden we een breder cultuurbegrip moeten hebben, waarin kunst wordt gezien als een uiting van cultuur. De Joop van den Ende Foundation doet dat heel goed; die steunt zowel die ene goochelaar als die ene experimentele dansgroep. Zo laat je zien: het kan allemaal naast elkaar bestaan.
Bas Heijne. De Groene Amsterdammer. 23 februari 2011

Van werkelijk belang zijn niet de verkoopcijfers van ‘Bach-cd’s’ bij de winkelketen ‘Het Kruitvat,’ maar is de bescherming van het authentieke in een alles en iedereen gelijkschakelende consumptiecultuur. De verkoop als culturele graadmeter verraadt slechts de mentaliteit van een handelaar die zich voordoet als kunstminnend. De commerciële werkelijkheid vernietigt namelijk per definitie het oorspronkelijke. Niets kan nog in zijn eigen taal met ons spreken. Dit is wat de Britse schrijver John Berger schreef over het degenen die de macht in de wereld bezitten: 

they now have the world in their pocket. They have. But to maintain their confidence they have to change the meaning of all the words used in languages to explain or praise or give value to life... And so they have become dumb. Or, rather, they can no longer speak any truth. Their language is too withered for that. As a consequence they have also lost the faculty of memory. A loss which one day will be fatal.

Aan de hand van Bild Zeitung liet de Duitse auteur Hans Magnus Enzensberger al enkele decennia geleden zien dat de ‘boodschap’ van de massamedia domweg was dat ‘er geen voorstelbare boodschap meer bestaat; haar enige inhoud is de liquidatie van alle inhoud.’ De krant is, zo stelt hij ‘the total work of art, which liquidates all the dreams of the avant-garde movements, from the dissolution of the distinction between life and art to collective production, by fulfilling them,’ waardoor 

het duidelijk is dat slavernij en cosmetica voor mannen, militaire propaganda en deodorant roller, de atoombom en wegwerpluier, massamoord en kattenvoer elkaar’s equivalenten zijn geworden. Het ene ding heeft dezelfde waarde als de andere, day wil zeggen alles betekent niets meer.  

Het kan geen verbazing wekken dat de krant van opiniemaker Bas Heijne zowel heeft opgeroepen tot het massaal schenden van het internationaal recht als tot waakzaamheid opdat het recht in eigen land niet geschonden zou worden. Niemand van de redactie, ook Bas niet, en niemand van de NRC-lezers, die zijn stem hiertegen verheft, en wel omdat elke dag weer een nieuwe waarheid brengt, waardoor tenslotte niets meer waar is, en iedereen zwijgt. Het getuigt daarom van een niet geringe pedanterie wanneer Heijne met grote stelligheid beweert dat ‘[h]et niet zo [is] dat met de dominantie van de lage cultuur de hoge cultuur ten dode is opgeschreven, zoals cultuurpessimisten denken,’ terwijl notabene hijzelf en zijn krant illustrerende voorbeelden zijn van hoe de ‘lage cultuur de hoge cultuur’ verplettert, met andere woorden hoe juist de ‘politiek-literaire elite’ alhier gedachteloos de beschaving weet uit te hollen. Een ander onthullend voorbeeld is de zwijgzaamheid van de Nederlandse opiniemakers zodra het Israel betreft. Zo wordt een land van slechts 5 miljoen zionisten met financiële, politieke, economische en zelfs militaire steun van het Westen in staat gesteld door te gaan met het stelen van land op de Westbank om daarmee te voorkomen dat op het grondgebied van de Palestijnse bevolking een eigen staat komt. De Europese Unie is door een Associatieverdrag de grootste handelspartner van de zionistische staat, maar desondanks houdt ‘de populairste geschiedenisleraar’ van Nederland zijn kaken stijf op elkaar, terwijl hij toch als EU-propagandist beweert dat er ‘Geen Jorwert zonder Brussel’ mogelijk is. Hij en zijn collega’s tonen daarmee akkoord te gaan met de steun aan het Israelisch terrorisme. En geen enkele polder-intellectueel die hem ter verantwoording roept, omdat de door het Westen gefinancierde terreur gesanctioneerd wordt door de woordvoerders van de financiële en politieke ‘elite.’ Het belang van Jorwert overstijgt voor de ‘politiek-literaire elite’ de geclaimde normen en waarden van de westerse beschaving. 


Alleen de dissident weet nog in een taal te spreken die niet als dienstmeid wordt gebruikt, maar als moeder van de gedachte, zo stelde Karl Kraus al tijdens het stervende Habsburgse rijk. De dissident wordt overal en altijd gehaat door de gevestigde orde, omdat de andersdenkende is ontsnapt aan de eisen van het ‘cultureel apparaat.’ Hij weigert zich aan te sluiten bij de gecorrumpeerde intelligentsia, omdat het authentieke in hem geen ruimte biedt zich te conformeren aan de grootste gemene deler. Maar waarom precies weet ook hijzelf niet. Misschien is het een genetische kwestie, misschien een esthetische, misschien is het de natuur die altijd blijft experimenteren door afwijkingen te creëren, zodat de soort niet bij de eerste de beste desastreuze gebeurtenis uitsterft. De dissident is als fenomeen oneindig veel belangrijker voor de evolutie dan de massamens. Zodra iemand de oorzaak van zijn afwijking weet, is het moment aangebroken dat het fascisme voorgoed de macht in handen krijgt, want de ‘enige waarheden zijn die welke gedefinieerd worden door een of ander cultureel apparaat,’ met de commerciële, ideologische massamedia voorop. Niet voor niets wees C. Wright Mills erop dat ‘uiteindelijk datgene wat is vastgelegd de definities zijn van de werkelijkheid, waardeoordelen,’ en ‘de voor iedereen geldende smaak en esthetiek.’ In die maatschappij 

spelen [vandaag de dag] over de hele wereld enkele intellectuelen een vooraanstaande rol in het politieke leven van hun land. Anderen bemoeien zich volstrekt niet met de politiek; zij zijn politiek inactief en iedere politieke oriëntatie schijnt hen te ontbreken. Enkele kunstenaars trappen enthousiast nationale en politieke heilige huisjes om; anderen zetten ze, ongetwijfeld met evenveel enthousiasme, weer ijverig overeind. Enkele wetenschappers schijnen er prijs op te stellen vaste stellingen te betrekken in het militaire apparaat van hun land.’ Wie bepaalt wat de waarheid is, bezit de macht, en daarom zijn de opiniemakers van de ‘elite’ van doorslaggevend belang voor het behoud van haar macht, vooral nu, zoals Mills benadrukt,  

[h]et terrein dat intellectuelen en kunstenaars met hun politieke arbeid kunnen bestrijken, van dezelfde omvang [is] als dat van de politiek in het algemeen; alleen door projectie, hoop of fantasie neemt dat terrein veel grotere omvang aan dan dat van praktische politicus. 

Ter verduidelijking zette C. Wright Mills uit dat: 

[a]lhoewel lang niet alle intellectuelen en kunstenaars zich met politiek bezighouden, hun werk van steeds groter politiek belang [wordt] — voor vraagstukken van oorlog en vrede, voor nationalisme en nationalistische concurrentie en eigenlijk voor de hele manier van leven. Het heeft geen zin om alleen de de individuele kunstenaar of intellectueel en zijn keuzen onder de loep te nemen: het culturele apparaat wordt in zijn totaliteit in stand gehouden en gebruikt door de bestaande instellingen van de macht. Veel intellectuelen en kunstenaars die met dat apparaat opgegroeid zijn, erdoor opgevoed zijn en er hun werk in hebben, voelen nooit de noodzaak om politieke keuzen te maken, zij hebben die keuzen eigenlijk al gemaakt voor ze de leeftijd bereikten dat ze naar de stembus mochten.

Met andere woorden: cultuur en de macht vallen samen in een massamaatschappij waar de macht heerst via de disciplinering van de massa door de commerciële media. Mills schreef in dit verband dat door ‘de overlapping van cultuur en macht’ het ‘culturele werk van intellectuelen en kunstenaars’ wordt gebruikt ‘ter legitimatie van macht en ter rechtvaardiging van politieke besluiten,’ zoals op het moment dat ik dit schrijf opnieuw bewezen wordt nu wereldnieuws is geworden dat ‘In de afgelopen weken druk [werd] gespeculeerd welke sterren zich zouden laten overhalen om voor de nieuwe president te zingen. Het lijstje bevatte echter weinig namen omdat Trump niet erg populair is in Hollywood. Barack Obama wist vier jaar geleden nog Beyoncé en Kelly Clarkson te strikken.’ Het weekblad Elsevier wist zelfs het grote nieuws te brengen dat ‘De Britse zanger Elton John geen optreden [zal] verzorgen om de inauguratie van de gekozen Amerikaanse president Donald Tromp op te luisteren.’ Degene die veel entertainers kan aantrekken, legitimeert voor het grote publiek zijn macht. Daar tegenover staat dat de kunstenaars zelf er ook beter van worden, wat betreft ‘geld, carrière, privileges, en boven alles prestige,’ aldus Mills. Tegelijkertijd verleent 

[c]ultureel prestige de machthebbers ‘gewicht.’ Ideologieën mogen dan wel expliciet rechtvaardigen, maar het is prestige dat ware roem verschaft. Eén van de beste middelen waardoor besluiten van de macht gepresenteerd kunnen worden als onderdeel van een onwrikbaar gezag ligt nu juist in het prestige van de cultuur. Dat is de reden waarom het culturele apparaat, welke vrijheden het intern ook toe mag staan, in ieder land wel het aanhangsel van de nationale macht moet worden, en waarom het ’t voornaamste instrument van nationalistische propaganda is. 

Voor de kunstenaar geldt dat het prestige, ontleend aan zijn band met de macht, meer waardigheid verstrekt aan zijn werk, en aan hemzelf. Het maakt hem tot een nationaal referentiepunt voor de hiërarchie van het culturele werk en van kunstenaars. Wat zo losjesweg de ‘publieke opinie’ wordt genoemd, slaat nu juist op dit nationale referentiekader voor producenten, consumenten en producten van het culturele werk; het slaat, kortom, op die mensen die bepalen wat mode is in de culturele en politieke opinie, en die zowel privé als formeel anderen, hun werk en hun smaak erkennen. 

Het is dit nauw begrensde domein van de gevestigde orde, waarin de opinies van NRC-columnist Bas Heijne rondzingen, en verordonneren wat op een bepaald moment de juiste voorstelling van de werkelijkheid is, met welke waarde-oordelen en esthetiek. Dit verklaart tevens waarom een opiniemaker als Geert Mak moeiteloos met de stroom kon meedrijven toen de hervormingen van de jaren zestig en begin jaren zeventig moesten wijken voor de vereisten van de neoliberale ideologie, zoals die in de tweede helft van de jaren zeventig en jaren tachtig steeds manifester werden. De dominantie van een commerciële cultuur bepaalt onmiddellijk de culturele speelruimte, de verwarring, banaliteit, opwinding en steriliteit, aldus Mills, en hij voegde hieraan toe dat in:

deze overontwikkelde maatschappij massa-productie, massa-verkoop en massaconsumptie het fetisj van arbeid en vrije tijd [zijn] geworden. De indringende marktmechanismen hebben werkelijk iedere sfeer van het bestaan bereikt — kunst, wetenschap en onderwijs incluis: alles wordt gemeten met de maat van het geld. Men kan in het kort zeggen dat het proces dat de arbeid in het algemeen de laatste twee eeuwen heeft ondergaan, zich nu ook met grote snelheid voortzet in het artistieke, wetenschappelijke en intellectuele kamp: ook dit wordt nu deel van een maatschappij die door een aantal bureaucratieën beheerst wordt en op weg is één grote verkoophal te worden. 

Een actueel voorbeeld van de dienende taak van westerse mainstream-opiniemakers is Geert Mak’s betoog dat ‘de EU een markt [is] van bijna een half miljard mensen met de hoogste gemiddelde levensstandaard ter wereld. Alleen al voor Nederland is de Unie goed voor tweederde van onze totale export, eenvijfde van het nationale product. We hebben nu een open toegang tot die markt,’ en dat 'we' daarom de 'deur' naar die 'markt' niet kunnen dichtgooien, hoe desastreus het neoliberale marktdenken ook mag uitwerken voor mens en natuur. De conclusie die het ‘intellectuele kamp’ daaraan verbindt is, in de woorden van Mak, ‘Geen Jorwert zonder  Brussel,’ oftewel niets kan meer bestaan zonder de zegen van een bureaucratisch bolwerk, aangezien de ‘maatschappij’ is vervangen door ‘één  grote verkoophal,’ waarin de ‘intellectueel,’ zo stelde Mills, 

vrijwel geen controle [heeft] over de distributiekanalen waarvan hij deel gaat uitmaken. De man aan de top bepaalt de markt — samen met de marktonderzoekers die in zijn dienst staan — en hij monopoliseert de rechten op die markt. Vervolgens kondigt hij aan dat ‘hij wel weet wat de mensen willen.’  De opdrachten die hij geeft, ook aan mensen die free-lance werken, worden explicieter en meer gedetailleerd. De prijs die hij betaalt, kan redelijk hoog zijn — té hoog, zal hij waarschijnlijk al gauw gaan denken en misschien heeft hij wel gelijk. Dus gaat hij er toe over een aantal intellectuelen in vaste dienst te nemen; in mindere of meerdere mate zullen ook die gemanipuleerd worden. Mensen die toestaan dat er zo met ze gemanipuleerd wordt, kunnen wel bekwame vaklieden worden  — daarop zijn ze geselecteerd en zo worden ze in de loop van de tijd gevormd — maar ze hebben geen extra kwaliteiten. Dus wordt de speurtocht naar 'nieuwe ideeën,’ naar opwindende uitvindingen en nog aantrekkelijkere modellen voortgezet; kortom: algemene jacht op creativiteit. Maar ondertussen worden in talloze studio's, laboratoria, researchbureaus en schrijversfabrieken enorme aantallen producenten gemanipuleerd, producenten die de lagere regionen maar eveneens de vaste kern van het commercieel verankerde culturele apparaat vertegenwoordigen. 

Hoe dit proces uiteindelijk in intellectuele corrumpering eindigt, demonstreerde Geert Mak, toen de zogeheten ‘godfather’ van de ‘literaire journalistiek’ in de polder, publiekelijk verklaarde te betwijfelen dat ‘wij, chroniqueurs van het heden en verleden, onze taak, het “uitbannen van onwaarheid”’ wel ‘serieus genoeg’ nemen, terwijl toch, volgens hem, ‘[o]p dit moment op Europees en mondiaal niveau een misvorming van de werkelijkheid plaats[vindt] die grote consequenties heeft.’ De ‘chroniqueur van Amsterdam, Nederland, Europa en de VS,’ weet dat ook hij als ‘populairste geschiedenisleraar van het land’ de grenzen van de ‘officiële versie van de werkelijkheid’ niet kan schenden, omdat het dan afgelopen is met zijn populariteit. Vanzelfsprekend moet hij, net als Bas Heijne, zowel zijn publiek als het establishment behagen. Dit is nu eenmaal de belangrijkste functie van ‘het commercieel verankerde culturele apparaat.’ Bas Heijne mag dan wel doen voorkomen alsof Mill’s beschrijving niet bestaat of nonsens is, en dat hij geheel vrij is in zijn denken en geheel vrij wordt gelaten door de eigenaren van de  commerciële krant waar hij op de loonlijst staat, maar in werkelijkheid dient ook hij het commerciële populisme, zoals Bas als NRC-columnist al op 21 juli 2014 demonstreerde toen hij op hoge toon liet weten dat[d]e terreurdaad met het vliegtuig van Malaysia Airlines het moment [is] voor Nederland om eens te stoppen met zijn knuffelhouding tegenover Rusland,’ terwijl hij vier dagen na de tragedie over geen enkel bewijs beschikte wie de daders waren. Maar omdat de hetze tegen ‘Poetin’ in de Nederlandse mainstream-media al ruimschoots vóór het neerstorten van de MH17 was begonnen, blies ook Heijne braaf zijn partijtje mee, en eiste hij als opiniemaker op martiale toon dat hier ogenblikkelijk stappen tegen Rusland zouden moeten worden genomen. Zonder enige rationele distantie bespeelde hij in een staat van grote opwinding de anti-Russische sentimenten door te stellen: 

Nederland is een klein land, dus de afschuwelijke dood van 193 landgenoten bij de aanslag op vlucht MH17 zal jarenlang zijn weerslag hebben in de Nederlandse samenleving, misschien wel heel veel jaren. Zo veel mensen staan in een directe relatie met de slachtoffers of hun familieleden; een aantal vrienden van mij hebben een goede vriend of kennis verloren. De afgelopen dagen vulden de sociale media zich met uitroepen van ongeloof, rauw verdriet en hartverscheurende getuigenissen van verlies, vriendschap en liefde. Dit is een nationale tragedie.

Toch klonk de eerste reactie van de regering op deze terreurdaad erg voorzichtig of zelfs vreemd gedempt. De minister-president weigerde zich te laten verleiden tot speculaties over de daders en sprak slechts van een reusachtige ‘ramp.’ Eerst moesten alle feiten bekend zijn, sprak hij — in zijn geval een bekend refrein.

Wat blijft erover van de ratio van de zelfbenoemde ‘politiek-literaire elite’ in de polder zodra zij meent door onrecht te zijn getroffen? Niets. Zero. Heijne had ineens elke distantie verloren en reageerde als de eerste de beste razende populist. Het was de hoogste ‘[t]ijd dat Nederland stopt met het knuffelen van Rusland,’ zo luidde de opdracht boven zijn column. Wie knuffelde, wanneer en waar, werd niet duidelijk maar overduidelijk was voor Bas in elk geval dat ‘de afschuwelijke dood van 193 landgenoten bij de aanslag op vlucht MH17 zal jarenlang zijn weerslag hebben in de Nederlandse samenleving, misschien wel heel veel jaren,’ en zeker bij Heijne thuis, aangezien ‘en aantal vrienden van mij een goede vriend of kennis [hebben] verloren.’ Nu het tragische zo dichtbij was gekomen, eiste hij dat woorden onmiddellijk werden vervangen door daden. De nucleaire grootmacht moest worden aangepakt. Zonder over enig bewijs te beschikken sprak de opiniemaker uit het kleine handelsland bij de zee meteen van een ‘terreurdaad,’ begaan in opdracht van het door Nederland beknuffelde ‘Rusland.’ Hoe absurd, pathetisch en bovenal gevaarlijk de NRC-columnist reageerde blijkt tevens uit zijn volgende kritiek: 

De minister-president weigerde zich te laten verleiden tot speculaties over de daders en sprak slechts van een reusachtige ‘ramp.’ Eerst moesten alle feiten bekend zijn, sprak hij — in zijn geval een bekend refrein.

Als onafhankelijke waarnemer, die destijds ook nog eens in Italië verbleef, liet ik mij niet meeslepen met de nationale hysterie die in het vaderland was uitgebroken. Ik beschouwde dan ook de reactie van premier Rutte als juist. Zonder enig juridisch houdbaar bewijs kan een ‘minister-president’ van een ‘democratische rechtstaat’ en NATO-lid vanzelfsprekend niet gaan speculeren ‘over de daders.’ Zou hij dit wel doen dan waren de politieke -en misschien zelfs militaire consequenties niet te overzien. Even lachwekkend was Heijne’s stelling dat premier Rutte slechts [sprak] van een reusachtige “ramp.”’ De NRC-columnist besefte niet dat een ‘minister-president’ op dat moment onmogelijk kon spreken van een ‘terreurdaad.’ Ook als ‘de daders’ worden veroordeeld, dan nog hoeft dit niet op grond van een ‘terreurdaad,’ een juridisch begrip, maar vanwege een gruwelijke vergissing als gevolg van de 'fog of war' tijdens een burgeroorlog. Vanzelfsprekend moeten eerst ‘alle feiten bekend zijn,’ voordat iemand ‘de daders’ kan aanwijzen. Dit geldt niet alleen voor de premier van Nederland, maar zelfs voor opiniemaker Bas Heijne, die als een geflipte populist in zijn ‘kwaliteitskrant’ te keer ging. In dezelfde krant dus, die 11 jaar eerder het Nederlandse kabinet had opgeroepen deel te nemen aan de grootschalig Shock and Awe-terreur tegen Irak, zonder dat Heijne zich onmiddellijk hiervan publiekelijk distantieerde. Sterker nog, zonder dat Bas van zijn vooruitgangsgeloof viel, en zonder dat hij Nederland’ opriep ‘om eens te stoppen met zijn knuffelhouding tegenover’ de Verenigde Staten, terwijl notabene de bewijzen van Amerikaanse ‘terreurdaden’ allang door Amerikaanse soldaten en intellectuelen waren aangedragen. Desondanks blijft Heijne pretenderen dat hij een volledig onafhankelijke vrijdenker is, die zowel de elite als de bevolking tot de orde roept. In werkelijkheid geldt voor hem hetzelfde wat Noam Chomsky tegenover BBC-journalist Andrew Marr opmerkte: 'I don't say you're self-censoring — I'm sure you believe everything you're saying; but what I'm saying is, if you believed something different, you wouldn't be sitting where you're sitting.’ 

Het probleem is evenwel dat dit niet aan Heijne’s verstand te brengen is, juist doordat hij, kijkend vanuit het ‘Het Culturele Apparaat,’ dat zo helder is beschreven door C. Wright Mills, hetzelfde 'Culturele Apparaat’ niet kan zien. Zoals bekend, kan de mens niet meer zien dan hij weet. Het is voor een gehersenspoelde onmogelijk zelfstandig uit de hersenspoeling te stappen. Alleen Baron von Münchhausen wist zichzelf aan zijn vlecht uit het moeras te trekken, maar dat is dan ook een sterk verhaal. En toch geloven Bas en zijn aanhang dat hij vrij kan blijven denken in het moeras van de massamedia. Zo koestert elk tijdperk zijn eigen specifieke mythes. Zaterdag 31 december 2015, verscheen in NRC Handelsblad een nieuwe boodschap van Heijne met als kop ‘Er is alleen nog maar toon, geen debat,’ een feit dat al veel eerder uitgebreid is gesignaleerd en geanalyseerd door kritische websites en boeken van al even kritische intellectuelen in de gehele wereld. Eindelijk dringt nu ook in de polder door dat de mainstream-media de afgelopen decennia ernstig tekort zijn geschoten. Het probleem nu is dat alleen al de korte samenvatting door de NRC van Heijne’s ‘essay’ van een beschamend simplisme is. Er staat:

Om als vrije burgers in een democratie echt te kunnen debatteren, moeten we het debat terugveroveren op het geschreeuw en de spin, betoogt Bas Heijne. Voorwaarde is dat iedereen zich gezien weet, ook als opvattingen radicaal van elkaar verschillen.

Kennelijk meent Heijne en zijn krant nog steeds dat van de neoliberale consumptiemaatschappij ‘een democratie’ kan worden gemaakt, waarin consumenten ‘als vrije burgers’ met elkaar ‘kunnen debatteren.’ Om dit mogelijk te maken ‘moeten we’ slechts ‘het debat terugveroveren op het geschreeuw en de spin.’ Het is allemaal dus een kwestie van vorm, want ‘[v]oorwaarde is dat iedereen zich gezien weet, ook als opvattingen radicaal van elkaar verschillen.’ Met enig ouderwets decorum en het verwijderen van zowel politici met hun ‘spin’ als het ‘geschreeuw’ van het plebs zullen de maatschappelijke krachten weer gezamenlijk optrekken. Het is alsof alle grote denkers vanaf de negentiende eeuw nooit bestaan hebben, of dat hun scherpzinnige inzichten nooit geschreven zijn, en alsof de werkelijkheid niet veel complexer is dan de ééndimensionale beschrijving van de mainstream-opiniemakers. Als Heijne’s ‘essay’ ook maar iets duidelijk maakt, is het dat de Nederlandse intelligentsia voortdurend geslapen heeft, dat zij zich nooit op de hoogte heeft gesteld van datgene wat onder buitenlandse intellectuelen al heel lang gemeengoed is. Het gevolg  is de volgende tekst van de man die ‘[v]oor zijn beschouwingen deze maand de P.C. Hooftprijs 2017 [kreeg] toegekend’:  

In de dagen na de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten maakte grote verwarring zich van Nederland meester — of tenminste van de Nederlandse media. Vertwijfeld vroeg men zich af of men niet alleen een vitale dynamiek-van-onderop in de VS over het hoofd had gezien, maar ook of men niet blind was geweest voor gelijksoortige tendensen in Nederland.

In veel opzichten was het een herhaling van de publieke paniek na de opkomst van en de moord op Pim Fortuyn in 2002.

Niets nieuws onder de zon. Zelfs zijn hoofdredacteur, de Vlaming Peter Vandermeersch, had zich gedwongen gezien om op 13 november 2016 het volgende op te merken:

Samen met zowat alle Amerikaanse media hadden we de verkiezingsoverwinning van Donald Trump niet zien aankomen. Op Amerikaanse media regent het nu mea culpa’s.

Sterker nog. Ik had een déjà vu-gevoel, want ook bij de Brexit en het Oekraïnereferendum geloofden velen op de redactie van deze krant dat de bevolking wel een ‘verstandige’ stem zou uitbrengen…

Heb ik dan het gevoel dat wij bij NRC onze journalistieke plicht niet naar behoren vervulden? Ik zit er dubbel in. Ik ben blij met de evaluatie die onze onafhankelijke ombudsman maakte. Maar blijf me afvragen of we toch nog een slag meer hadden moeten en kunnen maken. Het is een vraag die we ons vooral moeten stellen met het oog op de naderende verkiezingen in Nederland.

Inderdaad, de mainstream-media blijken keer op keer niet te willen weten wat er in de samenleving leeft. De enige verklaring voor deze weigering is dat zij propagandisten zijn van de economische en politieke elite. Vandaar ook dat de vooraanstaande BBC-journalist Jeremy Paxman in 2009 moest toegeven dat hij in het geval van Irak door de Amerikaanse en Britse ‘elite’ was ‘misleid,’ om daaraan toe te voegen ‘Yes, clearly we were,’ daarmee verwijzend naar de westerse zogeheten ‘vrije pers,’  die op straffe van uitstoting niet buiten de officiële versie van de werkelijkheid durft te treden. Nu deze corrupte mentaliteit niet langer meer verdoezeld kan worden, blijven de mainstream-journalisten met lege handen achter, en voelt een opiniemaker als Bas Heijne zich gedwongen om met een simplistische voorstelling van zaken een ‘oplossing’ te bieden, die natuurlijk geen oplossing kan zijn. Het gaat hier namelijk niet om een vormkwestie, die met enkele eenvoudige handgrepen verholpen kan worden, maar — zoals ondermeer de analyse van C. Wright Mills duidelijk maakt — handelt het hier om een inhoudelijk probleem, te weten de diepe culturele crisis in het Westen. Hoe diep blijkt tevens uit het ironische feit dat de intelligentsia in Nederland Bas Heijne beloont met de P.C. Hooft-prijs, de belangrijkste literaire onderscheiding in de polder. Begin jaren zestig van de vorige eeuw wees Mills erop dat er ‘[n]atuurlijk nog wel wat intellectuelen en kunstenaars [zijn] die onafhankelijk zijn gebleven.’ Maar 

in het algemeen vernietigt het systeem dat ‘sterren’ nodig heeft de mogelijkheden ook intellectueel en artistiek waardevol en onafhankelijk werk te leveren. Je bent een paradepaardje of je bent een mislukking, je levert een best-seller of je hoort tot de broodschrijvers en mislukkelingen: je bent alles of niks.

Dit is daarom ook de voornaamste reden dat een bestsellerauteur als Geert Mak op vele gebieden, ook al is hij gebrekkig geïnformeerd, zijn zegje mag doen en in Nederland beschouwd wordt als de ‘chroniqueur’ van een groot deel van de westerse wereld. In een consumptiecultuur is niet de kwaliteit doorslaggevend maar de kwantiteit. Het getal geldt als de waarheid. De hoogste waarden in het neoliberale kapitalisme zijn ‘nut en efficiëntie’ de ‘waarden’ die de grootste winsten opleveren. De verkoopcijfers zijn doorslaggevend en niets anders. Mills stelde dat al vanaf het begin van de twintigste eeuw:

[z]elfs de meest onafhankelijke cultuurcritici deze waarden hoog in hun vaandel [hadden] geschreven; ook de belangrijkste criticus die de VS gekend heeft in de tijd waarin in Amerika de meest fundamentele kritiek geleverd werd geleverd — Thorstein Veblen (invloedrijke Amerikaanse econoom en socioloog. svh) ten tijde van de Progressives — heeft deze waarden nooit in twijfel getrokken. Hij verzette zich tegen de macht van het zakenleven, maar juist omdat hij geloofde dat de zakenlieden deze waarden niet werkelijk dienden, dat zij verspilling en leegloperij in de hand werkten.

Hij wees er rond 1960 tenslotte op dat ‘ook in Europa steeds meer de  tendensen merkbaar [worden] waaraan alle culturele establishments’ blootstaan, en dat ‘het type establishment dat daar bestond, snel aan het verdwijnen’ was. Gezien Bas Heijne’s uitspraken, moet ik ervan uitgaan dat hij onwetend is over deze historische ontwikkeling en de diepte van de culturele crisis, waar zijn simplistische ‘oplossingen’ zelfs niet eens het begin van een oplossing bieden. Wanneer ik de teksten lees van de mainstream-opiniemakers dan valt me telkens op hoe actueel de aanklacht van de Franse filosoof Julien Benda opnieuw is. In La Trahison des Clercs (1927) verzette hij zich tegen het verraad van wat de zo bewonderde opiniemaker Henk Hofland de 'politiek-literaire elite’ betitelde, waar, volgens, hem geen ‘natie zonder’ kon. Benda bekritiserende het collaboreren van de mainstream-intellectuelen met de macht, en vooral hun gebrek aan rationalisme en kosmopolitisme. Opnieuw verzaken vandaag de dag de intellectuele spraakmakers in de polder ‘the ideal of disinterested judgement and faith in the universality of truth,’ zoals de Amerikaanse cultuurcriticus Roger Kimball het samenvat in de inleiding van de Engelse vertaling van Benda's betoog. De intellectuelen, zo merkte Benda op, ‘desire to abase the values of knowledge before the values of action.’ Zij zijn gebiologeerd door ‘the cult of success’ en gaan er vanuit dat 'politics decides morality,’ zoals ook Heijne liet zien toen hij van kunstenaars eiste dat zij Rusland zouden boycottenBenda benadrukte dat

It is true indeed that these new 'clerks' declare that they do not know what is meant by justice, truth, and other 'metaphysical fogs,' that for them the true is determined by the useful, the just by circumstances.


Voor de hedendaagse ‘klerken’ van de commerciële massamedia en hun aanhang, reikt de waarheid niet verder dan de waan van de dag. Precies 85 jaar voordat Mak in 2012 bekende te betwijfelen of hij en zijn collega's de 'onwaarheid' in de praktijk van alledag 'uitbannen,' begreep Benda ‘that the stakes were high, the treason of intellectuals signaled not simply the corruption of a bunch of scribblers but a fundamental betrayal of culture,’ zoals Kimbal benadrukte. Naar aanleiding van dit fundamentele verraad van letterknechten, die in een massamaatschappij zo dicht mogelijk tegen de macht willen aanschurken en haar willen behagen met het oog op hun eigen imago en inkomen, schreef Benda:

[i]t is impossible to exaggerate the importance of a movement whereby those for twenty centuries taught Man that the criterion of the morality of an act is its disinterestedness, that good is a decree of his reason insofar as it is universal, that his will is only moral if it seeks its law outside its objects, should begin to teach him that the moral act is the act whereby he secures his existence against an environment which disputes it, that his will is moral insofar as it is a will ‘to power,’ that the part of his soul which determines what is good is its ‘will to live’ wherein it is most ‘hostile to all reason,’ that the morality of an act is measured by its adaptation to its end, and that the only morality is the morality of circumstances. The educators of the human mind now take sides with Callicles (een sofist die betoogde dat het natuurlijk en rechtvaardig is dat de sterkste de zwakkere domineert. svh) against Socrates, a revolution which I dare to say seems to me more important than all political upheavals.

Het feit dat ook Nederlandse opiniemakers telkens weer bereid zijn propaganda te maken voor elke nieuwe NAVO-geweldsuitbarsting die landen in totale chaos storten, demonstreert hun nauwelijks verholen opvatting dat ‘het natuurlijk en rechtvaardig is dat de sterkste de zwakkere domineert.’ De hieraan ten grondslag liggende gedachte is dat de witte westerling het recht bezit om onder het mom van ‘humanitair ingrijpen’ of ‘responsibility to protect,’ met geweld te kunnen dwingen om in werkelijkheid de westerse belangen veilig te dienen. Uiteindelijk berust deze terreur op niets anders dan de nazi-ideologie van de ‘übermensch.’  Zoals Julien Benda in het interbellum schreef:

Our age is indeed the age of the intellectual organization of political hatreds. It will be one of its chief claims to notice in the moral history of humanity… All these passions of today… have discovered a ‘historical law,’ according to which their movement is merely carrying out the spirit of history and must therefore necessarily triumph, while the opposing party is running counter to this spirit and can enjoy only a transitory triumph. That is merely the old desire to have Fate on one’s side, but it is put forth in a scientific shape. And this brings us to the second novelty: Today all political ideologies claim to be founded on science, to be the result of a ‘precise observation of facts.’ We all know what self-assurance, what rigidity, what inhumanity… are given to these passions today by this claim.

To summarize: Today political passions show a degree of universality, of coherence, of homogeneousness, of precision, of continuity, of preponderance, in relation to other passions, unknown until our times. They have become conscious of themselves to an extent never seen before. Some of them, hitherto scarcely avowed, have awakened to consciousness and have joined the old passions. Others have become more purely passionate than ever, possess men’s hearts in moral regions they never before reached, and have acquired a mystic character which had disappeared for centuries. All are furnished with an apparatus of ideology whereby, in the name of science, they proclaim the supreme value of their action and its historical necessity. On the surface and in the depths, in spatial values and in inner strength, political passions have today reached a point of perfection never before known in history. The present age is essentially the age of politics.

De juistheid van Benda’s observatie dat het ‘huidige tijdperk’ nog steeds ‘in wezen het tijdperk van de politiek’ is, werd nog eens onderstreept door Bas Heijne’s oproep aan kunstenaars om Rusland te boycotten. Alles moet in de postmoderne tijd in dienst staan van het neoliberale ‘ideologische apparaat waarbij, uit naam van de wetenschap, de hoogste waarde wordt toegekend’ aan massaal geweld en zijn ‘historische noodzaak,’ zoals ook de nazi’s deden en de sovjets, met dezelfde meedogenloze consequenties als nu. Een voorbeeld: de mentaliteit van Madeleine Albright — door Heijne opgevoerd als een beschaafde politica —verschilt in niets wezenlijks van die van Maria Mandl, SS-assistent in Auschwitz-Birkenau, betrokken bij de dood van — naar wordt aangenomen — meer dan 500.000 vrouwelijke gevangenen. Uit verhoren door het Amerikaanse leger bleek dat Mandl ‘buitengewoon intelligent was en bijzonder toegewijd aan haar werk.’ Ook in dit opzicht leek zij op Madeleine Albright, die verklaarde dat een half miljoen dode Iraakse kinderen onder de vijf jaar ‘de prijs waard’ was geweest voor het verwezenlijken van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Nog een voorbeeld: opnieuw tonen zowel Geert Mak als Bas Heijne, net als de rest van de mainstream-pers, dat hun hetze tegen Rusland niets anders is dan ‘de intellectuele organisatie van politieke haat,’ waarvan de uiterste consequentie Auschwitz of Hiroshima ‘een bagatel’ zal maken, ‘een herinnering uit de goede oude tijd,’ zoals Mulisch met een forse dosis ironie in zijn boek De Zaak 40/61 stelde. Desondanks verdringen de Nederlandse mainstream-opiniemakers elkaar om deel te kunnen nemen aan de politieke waan van de dag. Niets bezit nog eeuwigheidswaarde, zelfs de kunst niet, en daarom moeten, naar het oordeel van Heijne, kunstenaars zich voegen naar de eisen van het ‘Culturele Apparaat,’ dat bepaalt wat ‘de enige waarheden’ zijn. En één van de huidige ‘waarheden’ is dat de Koude Oorlog weer nieuw leven moet worden ingeblazen. Vandaar Bas Heijne’s collaboratie met de krankzinnig geworden consumptiecultuur die, volgens hem, tot voor kort streefde naar ‘universalisme,’ ‘gelijkheidsdenken’ en ‘gezamenlijkheid.’ Zijn bewering staat diametraal tegenover de scherpzinnige beschouwingen van grote denkers in de afgelopen anderhalve eeuw. Wanneer de NRC-columnist beweert dat het nu gaat om een strijd tussen ‘universalisme tegenover nationalisme, gelijkheidsdenken tegenover groepsdenken, het streven naar gezamenlijkheid tegenover identitaire eigenheid,’ dan beseft hij niet dat dit slechts uiterlijkheden zijn van iets veel fundamentelers, namelijk de massale vervreemding in het Westen en de totale verlies aan waardigheid en zelfrespect van het individu. Hij ziet weliswaar symptomen, maar niet de ziekte. Na kennelijk jaren geestelijke stilstand tracht Bas Heijne nu vergeefs de processen te bevatten, die al tijdens de Industriële Revolutie’ in gang werden gezet. Het wordt niet voor niets ‘Revolutie’ genoemd, want die ‘Revolutie’ beperkte zich niet tot de techniek, maar strekte zich uit over de hele cultuur, die op elk niveau een revolutionaire verandering onderging. Elke ingrijpende technologische vernieuwing verandert de cultuur op een wezenlijke manier. Maar ondanks de vervreemding en het verlies aan waardigheid van het individu schrijft Heijne nu:  

Het gaat om visies die steeds vijandiger tegenover elkaar staan — en er is nauwelijks debat. Alle debat, alle strijd, krijgt hier onmiddellijk de trekken van een afrekening in het milieu. Wie er deugt — en vooral wie er niet deugt.

Wat hier debat genoemd wordt is in wezen niets anders dan een eindeloze reeks zelfuitingen, in naam van een narcistische overtuiging dat het er om gaat gehoord te worden. Het lijkt niet eens de bedoeling dat de verschillende standpunten helder tegenover elkaar komen te staan.

Het is geen Nederlands verschijnsel; overal wordt de teloorgang van het publieke debat betreurd. 

Qua stijl en inhoud bouwt Heijne zijn betoog op zoals de in de polder zo bewonderde Henk Hofland dit altijd deed. Hij begint ergens in het midden van een proces, en verbindt daar van alles en nog wat aan. Door niet aan het verleden te refereren hoeft hij ook niet naar de diepere historische oorzaken te zoeken, hij kan zich blijven beperken tot uiterlijke, doorgaans actuele aanleidingen. En zodra  hij vanzelfsprekend op die manier er niet uitkomt verwijst hij naar, ik citeer, ‘[d]e populaire Amerikaanse politiek filosoof Michael Sandel, die aan Harvard doceert,’ en die 

in zijn bundel opstellen Politiek en moraal twee redenen [geeft] voor de teloorgang van het publieke debat. De eerste is het marktdenken: ‘Het geloof dat markten en marktwerking de voornaamste instrumenten zijn voor het definiëren van het algemeen belang.’

Let op het adjectief ‘populaire,’ om aan te geven dat de NRC-consument hier te maken heeft met een ‘filosoof’ van formaat, met wiens gedachten men juist daarom rekening moet houden. Was hij niet ‘populair’ geweest, dan had ook Heijne hem naar alle waarschijnlijkheid niet gekend, want Michael Sandel zegt niets wat niet al veel eerder door talloze intellectuelen uit grote cultuurlanden veel scherpzinniger en uitgebreider is behandeld, zoals de regelmatige lezer van mijn weblog zal weten. Sterker nog, de veronderstelling dat er werkelijk ooit sprake is geweest van ‘het publieke debat,’ is een mythe waaraan onder andere Bas zich blijft vastklampen. De intellectuelen, politici en de economisch macht, die in het begin van  de twintigste eeuw vorm gaven aan de moderne massamaatschappij deden er alles aan om juist ‘het publieke debat’ te vermijden. De macht en haar woordvoerders in de commerciële massamedia stonden vanaf het begin net zo  negatief tegenover ‘het publieke debat,’ als de huidige ‘politiek-literaire elite’ in de polder. De reden is vrij simpel: door de grootscheepse culturele deprivatie van een groot deel van de lagere en middenklasse, vertrouwt de elite ‘het volk’ niet. Al een eeuw geleden verklaarde Robert Lansing, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken onder president Wilson, dat de massa  ‘onwetend en geestelijk onvolwaardig’ was en daarom via de pers in de juiste richting gemanipuleerd moest worden. Ook Reinhold Niebuhr, hoogleraar Praktische Theologie uit New York, de ‘officiële theoloog van het establishment,’ waarschuwde voor ‘de domheid van de gemiddelde mens… het proletariaat,’ die niet de rede zou volgen maar het geloof en daarom door de media gevoed moest worden met ‘emotioneel krachtige oversimplificaties,’ die dienden om de ‘noodzakelijke illusie,’ in stand te houden. De ‘illusie’ dat de VS een echte democratie was, waarbij iedere burger in alle vrijheid de politieke koers van zijn land bepaalde, en de pers 'onafhankelijk' was. Dezelfde illusie dus die ook Heijne en Mak impliciet dan wel expliciet tegen beter weten in, blijven verspreiden. De culturele deprivatie is niet vanuit het niets ontstaan, maar door de macht in het kapitalistische Westen bewust gecreëerd.

Volgens Niebuhr moest de elite ‘de verantwoordelijkheden van de macht onder ogen zien,’ zodat de ‘noodzakelijke illusie’ kon blijven bestaan. Zonder illusies kon de economische en politieke elite niet ongestoord haar macht uitoefenen, wat in de praktijk neerkwam op het uitbuiten en onderdrukken van het wereldwijde ‘proletariaat’ dat ‘onwetend en geestelijk onvolwaardig’ was. Het volk moest door de media gedisciplineerd worden en gedirigeerd, anders zou de westerse beschaving ten onder gaan, zo vreesde Niebuhr. Het resultaat van deze strategie is niet uitgebleven, want ondanks of beter nog dankzij de overvloed aan massamedia is de constatering van de Britse auteur John Berger correct dat ‘er grote delen van de… arbeiders en middenklasse bestaan die zich niet helder kunnen uitdrukken als gevolg van de grootscheepse culturele deprivatie. De middelen om datgene wat ze weten te vertalen in gedachten is hen ontnomen… Ze bezitten geen voorbeelden die ze kunnen volgen, waarbij woorden ervaringen duidelijk maken.’ Na een avondje televisie kijken of het lezen van de mainstream-kranten weet men wat Berger bedoelt. ‘Wat kan er, uitgezonderd halve waarheden, grove simplificaties of onbenulligheden, overgebracht worden aan dat half-geletterde massale gehoor, dat… overal de voorstelling mag bijwonen?’ zo schreef de emeritus hoogleraar George Steiner. Dit fenomeen blijft niet beperkt tot de Angelsaksische wereld. De voormalige hoofdredacteur van Trouw en Vrij Nederland, Frits van Exter, verwoordde het eens treffend toen hij onder de kop: 'De conditionering van de kudde' uiteenzette dat ‘Lezers wantrouwend [horen] te zijn tegenover de media,’ omdat ‘De aandacht van de media natuurlijk voor een belangrijk deel wordt gestuurd’ door allereerst en vooral ‘de politieke machten,’ en ‘Dat geldt voor de nationale politiek, maar natuurlijk ook voor de internationale politiek.’ Volgens hem ‘heeft [het] voor een deel te maken met de vluchtigheid van het medium. Deels ook volgen de media elkaar, sommige zijn dominanter, en andere lijden aan kuddegedrag.’ Dit laatste

betekent dat als een autoriteit, of iemand die gekozen is om een bepaald gezag uit te oefenen, zegt ‘ik vind dit een belangrijk onderwerp, daar gaan we nou es wat aan doen,’ dat je dat ook bekijkt. De dingen waar hij het niet over heeft, die volg je dus minder.

En dit mechanisme ‘werkt voor een deel reflexmatig. Reflexen zijn het, je bent daar geconditioneerd in.’ Op die manier wordt nagenoeg elke dissidente opvatting weg filtert, en wel omdat, zoals de Amerikaanse socioloog C.Wright Mills opmerkte:  

het doel van de opinie-organisatoren [is] om de bevolking in een voortdurende staat van emotionele onderworpenheid te houden... Immers, als het maar eenmaal gelukt is om een mentaliteit van volgzaamheid en gehoorzaamheid te kweken, is het niet moeilijk meer om de mensen te doen geloven en te doen voelen wat men maar wil... hun opinies zijn parallel omdat ze alle uit één bron afkomstig zijn: die van de media.


De reden waarom mainstream-journalisten als Frits van Exter, Bas Heijne en Geert Mak, om slechts drie van mijn collega’s te noemen, zich bewust dan wel onbewust door de macht ‘reflexmatig’ laten ‘conditioneren,’ omdat zij koste wat kost carrière willen maken. En daarom gaan zij akkoord met de veronderstelling dat 'the engineering of consent the very essence of the democratic proces,’ oftewel 'the freedom to persuade and suggest,’ zoals Edward Bernays, de grondlegger van de public relations-industrie, al in 1928 duidelijk maakte. Volgens hem is

The conscious and intelligent manipulation of the organized habits and opinions of the masses an important element in democratic society. Those who manipulate this unseen mechanism of society constitute an invisible government which is the true ruling power of our country.

In 1984 concludeerde de Amerikaanse historicus Marvin Olasky dat Bernays, in het begin van de twintigste eeuw 'één van de eersten' was geweest 

to realize fully that American 20th Century liberalism would be increasingly based on social control posing as democracy, and would be desperate to learn all the opportunities for social control that it could. 

Op zijn beurt kwam de Amerikaanse historicus, professor Stewart Ewen, in zijn studie PR! A Social History of Spin (1996) tot de slotsom dat al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw 

the mass media, dominated by commercial interests, would provide subservient channels through which as broad public might be schooled to a corporate point of view.

In zijn boek Crystallizing Public Opinion schreef Bernays in 1923 over en voor zijn rijke opdrachtgevers: 

The minority has discovered a powerful help in influencing majorities. It has been possible so to mould the mind of the masses that they will throw their newly gained strength in the desired direction. Propaganda is the executive arm of the invisible government.

In 1933, het jaar dat Hitler democratisch aan de macht kwam, schreef de invloedrijke Amerikaanse hoogleraar Harold Lasswell in de Encyclopedia of the Social Sciences dat aangezien de 'masses are still captive to ignorance and superstition' de komst van de democratie 'compelled the development of a whole new technique of control, largely through propaganda.' Want, zo stelde Lasswell, propaganda is 'the one means of mass mobilization which is cheaper than violence, bribery or other possible control techniques.' Om een geavanceerde, technologische massamaatschappij zo efficient mogelijk te laten draaien is propaganda de goedkoopste en veiligste manier voor de elite om de massa in het gareel te houden. Let wel, Lasswell was geen marginale figuur met afwijkende standpunten. Hij werd en wordt nog steeds alom gerespecteerd. Dit is wat bijvoorbeeld de Nederlandse versie van Wikipedia over hem meldt:

Lasswell was één van de meest creatieve en invloedrijke wetenschappers van zijn tijd. Door gebruik te maken van een scala van psychologische en sociologische methoden in een discipline die tot dan toe alleen gebruik maakte van historische, juridische en filosofische methoden werd Harold Lasswell de grondlegger van de hedendaagse politieke wetenschap en met name de politieke psychologie. Ook op het gebied van de communicatiewetenschappen heeft hij met zijn communicatiemodel een grote invloed gehad. Op het gebied van beleidsstudies was het Harold Lasswell die de richting aangaf met de omschrijving waaraan deze (toen) nieuwe discipline moest voldoen (multi-disciplinair, probleem oplossend, expliciet normatief).

Als één van de belangrijkste adviseurs van de politieke en economische elite verklaarde Lasswell dat propaganda onmisbaar was in een democratie omdat 'men are often poor judges of their own interests' en dus bewerkt moeten worden om zaken te steunen die ze normaal niet zouden steunen. De commerciële massamedia spelen in dit proces een doorslaggevende rol, dat was en is nog steeds de algemene opvatting van de toonaangevende 'politiek-literaire elite' en haar opdrachtgevers. Ook de invloedrijke Walter Lippmann wantrouwde een ware democratie in een moderne samenleving. Het gewone volk kon zijn eigen belangen niet zomaar zelf gaan formuleren, want dan zou het een chaos worden. Het publiek mocht tijdens verkiezingen zijn stem geven aan — door coöptatie samengestelde – beleidsbepalers en verder niets. Om dit proces mogelijk te maken en zo glad mogelijk te laten verlopen, moest de ‘vrije pers’ worden ingezet. Zij was verantwoordelijk voor ‘het fabriceren van consensus,’ hetgeen neerkwam op ‘een zelfbewuste vaardigheid en standaard instrument van een regeringen die namens het volk besturen.’ Keer op keer onderstreepte Lippmann het belang dat journalisten de juiste ‘reflexen’ ontwikkelden en voldoende ‘geconditioneerd’ zouden worden waardoor, in de woorden van Van Exter, ’de aandacht van de media natuurlijk voor een belangrijk deel gestuurd’ kon worden ‘door de politieke machten.’ Anno 1922 stelde Walter Lippmann, de meest invloedrijke publicist van de VS tijdens een groot deel van de twintigste eeuw, in zijn standaardwerk Public Opinion dat

public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press... Without some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable... Though it is itself an irrational force the power of public opinion might be placed at the disposal of those who stood for workable law against brute assertion.

Voor degenen die Walter Lippmann niet kennen: 

Lippmann was an informal adviser to several presidents. On September 14, 1964, President Lyndon Johnson presented Lippmann with the Presidential Medal of Freedom. He later had a rather famous feud with Johnson over his handling of the Vietnam War, of which Lippmann had become highly critical.

He won a special Pulitzer Prize for journalism in 1958, as nationally syndicated columnist, citing 'the wisdom, perception and high sense of responsibility with which he has commented for many years on national and international affairs.' Four years later he won the annual Pulitzer Prize for International Reporting citing 'his 1961 interview with Soviet Premier Khrushchev, as illustrative of Lippmann's long and distinguished contribution to American journalism.'

Kortom, ‘we’ hebben hier te maken met een veel beter ingevoerde Amerikaanse intelligentsia dan in Nederland, waar praatjesmakers als bijvoorbeeld Geert Mak furore maken met uitspraken als deze: 

De ‘Nixontapes ‘bijvoorbeeld, de letterlijk uitgeschreven gesprekken uit het Witte Huis in de Nixon-tijd, tarten niet alleen de reguliere geschiedschrijving, maar vormen ook een probleem voor andere non-fictieschrijvers: Nixon bleek namelijk in werkelijkheid zo gek te zijn, dat geen lezer dat meer zou geloven.

Dit zegt alles over de naïviteit van een buitenstaander als mijn oude vriend Mak, maar niets over de kennis van grote Amerikaanse intellectuelen die van binnenuit weten waarover zij spreken. Ook Bas Heijne's veronderstelling dat het neoliberale bestel en haar ‘cultureel apparaat,’ waarvan hij een onmisbaar schakeltje is, zou willen streven naar een werkelijk ‘publiek debat’ is niet alleen naïef, maar tevens stupide, én bovenal misleidend. Het betekent dat hij niets begrijpt van het feit dat elk systeem ertoe neigt totalitair te worden. De Amerikaanse geleerde Noam Chomsky wees in dit verband op het volgende toen hij over de verlichtingsfilosoof David Hume schreef:

In considering the First Principles of Government, Hume found 'nothing more surprising' than 'to see the easiness with which the many are governed by the few; and to observe the implicit submission with which men resign their own sentiments and passions to those of their rulers. When we enquire by what means this wonder is brought about, we shall find, that as Force is always on the side of the governed, the governors have nothing to support them but opinion. Tis therefore, on opinion only that government is founded; and this maxim extends to the most despotic and most military governments, as well as to the most free and most popular.'

Hume was an astute observer, and his paradox of government is much to the point. His insight explains why elites are so dedicated to indoctrination and thought control, a major and largely neglected theme of modern history. 'The public must be put in its place,' Walter Lippmann wrote, so that we may 'live free of the trampling and the roar of a bewildered herd,' whose 'function' is to be 'interested spectators of action,' not participants. And if the state lacks the force to coerce and the voice of the people can be heard, it is necessary to ensure that that voice says the right thing, as respected intellectuals have been advising for many years.


Hoe slecht geïnformeerd daarentegen Bas Heijne is, blijkt uit zijn nieuwe NRC-‘essay’ met de verontwaardigde kop ‘Er is alleen nog maar toon, geen debat,’ waarin hij beweert:

Sandel benoemt een aspect van het marktdenken dat zelden wordt bekritiseerd — dat het niet alleen ons idee van gemeenschap heeft aangetast door allerlei, inmiddels uitentreuren bekritiseerde economische ontwikkelingen. Het heeft ons, zo leek het tenminste een lange tijd, van de verplichting ontslagen in morele termen over onze samenleving na te denken. Het is immers zoveel gemakkelijker om een discussie in bedragen en cijfers te voeren, dan om met elkaar over waarden te debatteren.

Als gerespecteerd lid van wat de Amerikaanse auteur Ross Douthat in The New York Times betitelt als ‘the whole liberal media-political-academic-entertainment complex' schaamt Bas Heijne zich geenszins om publiekelijk te demonstreren hoe weinig hij weet van wat al decennialang buiten Nederland wordt gepubliceerd. Doordat hij geen contacten heeft met vooraanstaande kritische intellectuelen in de wereld meent hij werkelijk dat ‘Sandel een aspect van het marktdenken [benoemt] dat zelden wordt bekritiseerd.’ Het enige dat ook deze NRC-opiniemaker duidelijk maakt is hoe achterlijk Henk Hoflands zelfbenoemde ‘politiek-literaire elite’ in de polder is. Nog steeds meent de spraakmakende gemeente hier dat het ‘populisme’ het probleem bij uitstek is, in plaats van de ‘elite’ die als eerste verantwoordelijk is voor het culturele crisis in het Westen. Meer over haar later. 


Bas Heijne: 'Sandel benoemt een aspect van het marktdenken dat zelden wordt bekritiseerd — dat het niet alleen ons idee van gemeenschap heeft aangetast door allerlei, inmiddels uitentreuren bekritiseerde economische ontwikkelingen.'


En de Nederlandse zogeheten intelligentsia snurkt gewoon door.





1 opmerking:

  1. Geen enkel woord op af te dingen

    Ach ja, de hogepriester van de misplaatste haat Heijne.

    Zijn 'gelijkheidsdenken' is met-de-grond-gelijkheidsdenken naar Amerikaanse snit.
    Wie niet wil -- zijn deel zal haat, bedreiging en moord zijn.

    Heijne denkt dat Universalisme op afroep zal komen. Hij beseft niet dat als dat al
    gewenst wordt door velen, dat het noodzakelijk voorafgegaan zal moeten worden door
    een vernietiging van het idee van de uitstoting, van verdeel-en-heers, van ieder-
    voor-zich, en van de oorzaken daar weer van, kortom van alles waar de huidige
    massamedia en de huidige overwegende cultuur, waarvan Heijne zelf een verzadigde
    exponent is, zich gelukzalig in wentelen.

    Dat Heijne met de raarste filosofen schermt verraadt dat wat er gaande is: iemand
    die om den brode ook af en toe leuk diepzinnig wil lijken. Inderdaad is het gemis
    aan historiciteit ook bij hem opmerkelijk. Het zal wel een Nederlands trekje zijn.

    Heijne beklaagt zich weliswaar halflollig over 'afrekeningen in het milieu', maar
    dat de wederzijde van die opmerking, het goede voorbeeld geven, door bijvoorbeeld
    al was het maar nu en dan laat ons zeggen een korte reactie op deze site hier, niet
    eens in het hoofdje opkomt.

    Heijne is een poseur. Natuurlijk is hij niet werkelijk geinteresseerd in debat en
    feiten. Stemmingen, daar tiert hij op, in de vele betekenissen van het woord. De
    feiten, daar krabbelt een ander maar naar.

    Het is allemaal vrijblijvende woordendiarree om de vorm, inhoudsloos. Heijne's
    klachten zijn dan ook hooguit fijn-gevoel-verschaffer, met als mogelijk bijkomstig
    effect het zichzelf in de 'slachtoffer-rol' presenteren.

    Godverdomme, Heijne is geen slachtoffer. Heijne is dader, draaier van de grootste
    gore eenheidsworst.

    Overigens een goed Nieuwjaar!

    BeantwoordenVerwijderen