• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

dinsdag 25 oktober 2016

Frank Westerman's Provinciale Schrijverij 29


In zijn meest verkochte bestseller De eeuw van mijn vader (1999) stelt Geert Mak:

Wat het Nederlandse en speciaal het gereformeerde anti-semitisme betreft, hierbij speelde vermoedelijk ook het verzuilde denken een rol: wat de joden overkwam, viel buiten de eigen wereld. Het was erg, maar het waren de anderen. Op 19 augustus 1935  berichtte De Sumatra Post uitvoerig over nieuwe antisemitische uitbarstingen in Duitsland, over het huwelijksverbod tussen ariërs en niet-ariërs en de jongste haatcampagne van Julius Streicher  voor een stampvol en jubelend Berlijns Sportpalast. Een week later schreef mijn vader over de ‘ariër-politiek’ van Hitler; hij zag er wel een aanval op de Kerk in maar sloot de ogen voor het anti-semitisme dat erachter lag. ‘Op staatsterrein tolerabel’ — en dat terwijl hij nooit anders dan met eerbied sprak over het ‘uitverkoren volk Gods.’ 

Naar aanleiding van het ‘gereformeerde anti-semitisme,’  merkt Mak junior bovendien op dat zijn vader, dominee Catrinus, ‘niet verschilde van de overgrote meerderheid,’ die ‘Hitlers jodenvervolging’ allereerst ‘als een probleem van de joodse gemeenschap zelf,’ beschouwde. 

Hoewel de situatie in Duitsland steeds dreigender werd en aan de Nederlandse grenzen de wanhoop zich opstapelde, liet de regering jaarlijks niet meer dan zevenduizend joodse vluchtelingen toe. Nederland, met nog geen tien miljoen inwoners, zou anders ‘te vol worden,’ zo verklaarde premier Colijn (gereformeerde miljonair, bekend vanwege zijn rigoreuze bezuinigingspolitiek. svh). Bovendien zou het ook niet in het belang zijn van de joden zelf, zo meende hij. Als er te veel joodse vluchtelingen zouden binnenstromen, ‘zou de stemming van ons volk ten opzichte van de Joden een ongunstige wending nemen.’ 

Het beleid leidde tot mensonterende taferelen. Geweigerd werden blijkens een brochure van het Comité van Waakzaamheid uit 1938: ‘Een man die ernstig mishandeld was en die om aan verder gevaar te ontsnappen, te voet gedurende veertien dagen door Duitsland had gezworven, werd niet toegelaten omdat hij geen bewijs kon leveren van de hem toegebrachte verwondingen.’ ‘Een statenloze vrouw, jodin, die na twaalf dagen lopen meer dood dan levend de Nederlandse grens bereikte, werd onverwijld weder uitgeleid.’ ‘Een man die om tien uur ’s morgens per trein was gearriveerd, mocht op Nederlands grondgebied niet wachten op de telegrafisch gevraagde bevestiging van zijn vooruitzicht op een werkkring in Engeland, maar werd na enige uren oponthoud onverbiddelijk over de grens gezet. Bij zijn uitleiding verzekerde hij, onder aanroeping van God, dat zijn terugkeer in Duitsland zijn dood betekende. Omtrent zijn lot is ons niets bekend.

Voor de vluchtelingen die wel werden toegelaten, werd een een speciaal kamp gebouwd. Plannen om dat kamp ergens bij Ermelo neer te zetten werden getorpedeerd door de ANWB — die de Veluwe graag in vakantiestemming wilde houden — en door koningin Wilhelmina, die zo’n vluchtelingenkampen, zoals ze schreef, niet graag in de buurt van haar zomerverblijf zag verrijzen. Uiteindelijk werd achter in Drenthe een plaats gevonden, ver van de grote bevolkingscentra, niet ver van de oostgrens: Westerbork. Er waren een paar christelijke hulpcomité’s, maar de meeste kosten werden betaald door de Nederlandse joodse gemeenschap. De niet-joodse belastingbetaler zou er geen last van hebben. 

Kortom, niets nieuws onder de zon, want ook de postmoderne kleinburger vertoont momenteel zwijgzaam dan wel luidkeels dezelfde intolerante en onverschillige houding, maar nu ten aanzien van islamitische vluchtelingen uit landen die door gewelddadige westerse interventies in chaos zijn veranderd. Het Nederlands anti-semitisme richt zich niet langer meer tegen joden, maar tegen een andere semitische bevolkingsgroep, de Arabieren. Een voorbeeld: ondanks het feit dat de Europese Unie de belangrijkste handelspartner is van Israel weigert Brussel het Associatieverdrag met de zionistische staat op te schorten, nu het Joods-Israelisch regime doorgaat met het stelen en bezetten van Palestijns land en het onderdrukken van de Palestijnse bevolking. Desondanks weigert opiniemaker Geert Mak (en de rest van de Nederlandse ‘politiek-literaire elite’) zich publiekelijk uit te spreken tegen dit EU-beleid. Sterker nog, Mak junior roept de Nederlander met klem op de EU te steunen, aangezien er ‘Geen Jorwert zonder Brussel’ mogelijk zou zijn. Zodoende maakt hij in wezen dezelfde historische fout als zijn vader in het interbellum, ook zoon Geert weigert nu zijn  verantwoordelijkheid te accepteren voor het ontstane onrecht, en verraadt zijn geclaimde respect voor democratie en mensenrechten. Hij negeert het feit dat Israel de prijs is die Europa het Palestijnse volk liet betalen voor het eeuwenoude christelijke anti-semitisme, dat onvermijdelijk in de holocaust eindigde. In de hoop en verwachting dat het daarmee zijn schuld had ingelost, laat de Nederlandse spraakmakende gemeente de Palestijnen aan hun lot over. Zo berichtte de Amerikaanse hoogleraar Sandy Tolan op 18 oktober 2016 over ‘The Death of the Two-State Solution’:

Washington has finally thrown in the towel on its long, tortured efforts to establish peace between Israel and the Palestinians. You won’t find any acknowledgement of this in the official record. Formally, the U.S. still supports a two-state solution to the conflict. But the Obama administration’s recent 10-year, $38-billion pledge to renew Israel’s arsenal of weaponry, while still ostensibly pursuing “peace,” makes clear just how bankrupt that policy is. 

For two decades, Israeli leaders and their neoconservative backers in this country, hell-bent on building and expanding settlements on Palestinian land, have worked to undermine America’s stated efforts -- and paid no price. Now, with that record weapons package, the U.S. has made it all too clear that they won’t have to. Ever.

Geen woord daarover van de -- volgens eigen zeggen wedergeboren christen -- Geert Mak, die in september 2005 tegenover het vrouwentijdschrift Opzij openbaarde te geloven 

in een genadige God. Dat is heel belangrijk: een milde, liefdevolle God. En dat je die genade overbrengt op je medemensen, dat je deel uitmaakt van een gemeenschap die de hele wereld omvat, dat er lijnen lopen tussen andere mensen en jou en tussen jou en God. Dat geeft soms troost, soms ordening, soms een gevoel van verantwoording. Het geeft lijn aan je handel en wandel. Als je vraagt wat mijn godsbeeld is: een vriendelijke, vaderlijke God, een milde man, die mensen doorziet in hun zwakheid.


De feiten spreken voor zich, maar de Nederlandse spraakmakende gemeente zwijgt hierover in alle talen.


De geschiedenis herhaalt zich, en Mak, die zichzelf graag historicus noemt, weet dit. Vandaar dat hij over de zionistische terreur muisstil is. Onthullend in dit verband is dat mijn oude vriend Geert over het ‘gereformeerde anti-semitisme’ schreef:

Soms vraag ik me af: heeft bij de mannenbroeders van voor de oorlog, die zich zelf zo graag ‘de kinderen Gods’ noemden, wellicht ook een uitgesproken jaloezie meegespeeld? Jegens de enige echte ‘kinderen Israëls’? Joden pasten immers niet in het beeld van de ideaalstaat uit de zeventiende eeuw die de mannenbroeders altijd voor ogen hadden.
  
Het onthullende is niet alleen dat deze vraag allang door westerse intellectuelen uitvoerig is behandeld en beantwoord, maar dat Mak junior tevens moet beseffen dat ook nu allerlei oneigenlijke ressentimenten en machiavellistische drijfveren meespelen in de meedogenloze onverschilligheid ten aanzien van de Palestijnse bevolking en daarnaast de vluchtelingen uit bijvoorbeeld Syrië, Irak en Afghanistan. Over het onderhuids anti-semitisme zette Geert Mak hij uiteen:

Mijn moeder meldde dat een bepaalde film heel mooi was, ‘een beetje pro-joodsch, maar wel erg de moeite waard om te zien,’ en zo ging het voort. Het probleem was niet dat in Nederland opeens een fel anti-semitisme oplaaide. Maar er was wel sprake van een gevaarlijke voorfase, die op dat moment vrijwel niemand zag: de aanwezigheid van de joodse bevolkingsgroep, die eeuwenlang door iedereen als een vanzelfsprekendheid was beleefd, werd in die jaren dertig voorwerp van het publieke debat, ook in Nederland.

Voor zowel zijn ouders als hun zoon blijft ‘de Jood,’ evenals ‘de Islamiet,’ de Ander. Diep in het bewustzijn van de christen lag en ligt nog steeds de overtuiging verborgen dat ‘De Joden een afzonderlijke natie [zijn], die als gasten wonen te midden van ons volk… van onze natie maken zij geen deel uit,’ aldus citeert Mak de ‘schoolmeester-journalist Hendrik Algra.’ Vandaar ook dat de ‘chroniqueur van Europa’ de ‘Joodse natie’ niet publiekelijk zal bekritiseren. Onder de christenen is sprake van een combinatie van enerzijds schuldbesef tegenover ‘de Joden’ en het judaïsme, terwijl anderzijds onverschilligheid en haat ten aanzien van ‘de Arabieren’ en de islam kenmerkend zijn. In beide gevallen ligt hieraan het Europese superioriteitsgevoel ten grondslag. Zowel in De eeuw van mijn vader (1999) als in zijn publieke optredens durft Mak die werkelijkheid niet te beschrijven. Hij vergoelijkt de anti-semitische sentimenten van zijn ouders -- die model staan voor de Nederlandse petite bourgeoisie -- als een voortdurend ‘zoeken naar een houding in deze wereld,’ want

[m]ijn ouders wisten nu eenmaal niet, zoals niemand dat weet, op welke plek ze zich bevonden in de geschiedenis. En met name wisten ze één ding niet: dat hun leven zich afspeelde tussen een voorbije wereldoorlog en een komende,

net zo min als hun zoon, Geert, getuige zijn uitspraken, zich vandaag de dag realiseert dat ook hij tussen twee wereldoorlogen leeft. Wat dit betreft heeft hij niets geleerd van de eeuw van zijn vader, en van zijn eigen familiegeschiedenis. Het verwerpelijke aan zijn vergoelijking is dat hij daardoor impliciet anti-semitische sentimenten rechtvaardigt. Immers, zijn ouders wisten niet op welke plek ze zich bevonden in de geschiedenis’ en ‘dat hun leven zich afspeelde tussen een voorbije wereldoorlog en een komende,’ die zou uitmonden in ondermeer de holocaust. De ‘chroniqueur van Europa’ doorziet nog steeds niet dat ieder mens zijn verantwoordelijkheid dient te aanvaarden door een moreel standpunt in te nemen. In dit verband getuigt Mak’s opmerking in het programma College Tour dat ‘het probleem is dat de wereld héél slecht leert van de geschiedenis’ van een diep cynisme. Door te zwijgen over de Israelische koloniale terreur tegen de Palestijnse bevolking maakt hij dezelfde fout als zijn vader, die over de koloniale overheersing in ‘Nederlandsch Indië’ aan

het eind van zijn leven schreef dat hij zich nog altijd afvroeg hoe de vrijheidslievende Nederlanders — hemzelf inbegrepen — ‘jaren en jaren lang zonder hartzeer deze koloniale toestanden hebben geaccepteerd, vrijheidsstrijders als misdadige opstandelingen onschadelijk hebben gemaakt, veroveraars geëerd en kalmweg gesproken hebben van óns Indië. En zelfs de eerste legitieme tekenen van “merdeka” hebben we niet onderkend, laat staan erkend.

De geschiedenis is voor Geert Mak geen spiegel, maar een rechtvaardiging van het eigen verraad. Dominee Catrinus Mak verraadde niet alleen het ‘uitverkoren volk’ van zijn gereformeerde God, maar daardoor tevens ‘de leer die de kerk onder beroep op het Woord van God als normatief laat gelden,’ en derhalve verraadde hij zelfs het bestaan van zijn God, van wie hij als zielenherder een werkzaam leven lang de normatieve boodschap verspreidde. Dat kon kennelijk niet anders, aangezien volgens Mak junior de mentaliteit van zijn ouders en de meeste andere christelijke ‘Europeanen’ als het ware was gedetermineerd, omdat

[d]e kern van hun denken van hun denken bleef uitgaan van de absolute superioriteit van de blanke Hollanders, hoe dom, dik, agressief, geldzuchtig, kortzichtig en stompzinnig velen ook waren.

Op dit punt aangekomen rijst onontkoombaar de vraag hoe Mak als geprezen ‘Amerika-deskundige’ de door hem zo bekritiseerde ‘absolute superioriteit’ in het huidige westerse denken beoordeelt. En aangezien, volgens onder andere zijn boek Reizen zonder John (2012), de VS nog steeds ‘de kracht’ bezit ‘om het debat naar zich toe te trekken, om de agenda van de wereldpolitiek te bepalen,’ en 'de Amerikanen’ ook nog eens ‘hele optimistische mensen [zijn] vergeleken met ons fatalistische Europeanen,' waardoor Amerika er over een halve eeuw beter voor[staat] dan Europa,’ zie ik me genoodzaakt Mak’s houding te onderzoeken ten opzichte van het land, waarvoor hij, volgens eigen zeggen, al vanaf zijn prille jeugd een ‘geheime liefde’ koestert. Hij gaat er zelfs vanuit datAls je invloed en macht wilt hebben, je groots [moet] zijn,’ en dat dit ‘iets [is] wat we in Europa van ze kunnen leren.’ Kenmerkend is zijn bewering uit 2012, voorafgaand aan de herverkiezing van de man die als ‘eerste zwarte president’ juichend werd binnengehaald in de infantiele verwachting dat hij zijn verkiezingsbelofte ‘change we can believe in’ zou gaan waarmaken. Mak zei toen dat ‘het beter voor Nederland en de internationale gemeenschap [is] dat Obama de verkiezingen wint.’ Met evenveel stelligheid verklaarde het orakel van Bartlehiem in dezelfde periode dat 'De Amerikaanse politiek voor een groot deel niet meer [wordt] bepaald door wat mensen willen en nodig hebben. Zetels, invloed, het is tot op grote hoogte te koop. Het is corrupt.’ Ook Obama? Ook Obama, want:

[w]ij maken Obama heilig. Maar er is best veel op hem aan te merken. Hij heeft de grote fout gemaakt door toen hij net president was, niet in te grijpen in de bankensector. Dat kwam natuurlijk omdat Wallstreet een van zijn grote financiers was. Maar toch, hij heeft dezelfde groep mensen die de crisis hebben veroorzaakt, aan het bewind gelaten. En op het gebied van oorlogsvoering. Doodvonnissen uitdelen door onbemande vliegtuigjes op pad te sturen; het is vanuit het oogpunt van een rechtsstaat buitengewoon schadelijk. Obama doet het gewoon. Ook hij heeft vuile handen.

Kort samengevat meent Mak dus dat ‘het beter voor Nederland en de internationale gemeenschap’ is dat de man die dankzij de financiële steun van de corrupte elite van ‘Wall Street’ de machtigste politicus op aarde kon worden, om vervolgens te verzuimen ‘in te grijpen in de bankensector’ aangezien hij ‘dezelfde groep mensen die de crisis hebben veroorzaakt, aan het bewind’ liet, en dus ‘vuile handen’ heeft. Ook bij herlezing van deze paradoxale quatsch zal de lezer niet aan de indruk kunnen ontkomen dat mijn oude vriend wartaal uitslaat, overigens zonder dat de ‘polderpers’ dit opvalt, want ook zij is even opportunistisch als Mak zelf. Opportunisme en conformisme zijn per definitie de overlevingsstrategieën van de mainstream. De kleinburger zit vol met angst en voelt zich genoodzaakt met elke wind mee te waaien, hetgeen het succes verklaart van Mak als ‘de populairste geschiedenisleraar van het land,’ zoals de even behaagzieke opportunist Twain Huijs, hem noemde in het televisieprogramma voor witte mensen met de veel belovende naam: College Tour. Mak is in staat om twee aan elkaar tegenstrijdige boodschappen tegelijk de wereld in te sturen zonder dat de overgrote meerderheid van de polderpers dit opvalt. Dat is knap, héél erg knap. Er zijn maar weinig mensen die dit kunnen. Helaas is het niet alleen héél erg knap, maar tevens héél erg gevaarlijk, aangezien de postmoderne mens qua informatie volledig afhankelijk is van de mainstream-media. 

Laat ik voor de duidelijkheid twee Geert Makken introduceren, Mak 1 en Mak 2. Als Mak 1 spreekt of schrijft volgt Mak 2 hem als een schaduw. Mak 1 koos in 2012 zonder enige enige intellectuele reserve voor Barack Obama, omdat dit beter zou zijn voor de hele wereld, inclusief zijn geliefde Jorwert, het Friese dorp dat hem landelijke bekendheid verschafte. (Overigens is het ironische hieraan dat hij, vanwege teveel rumoer van de — door de EUgesteunde — buurboer, het dorp is ontvlucht.) Welnu, zoals bekend steunt president Obama, hoewel zwart, gehoorzaam de vooral witte macht in Washington en op Wall Street. Dat is natuurlijk gebruikelijk. In een neoliberale ‘democratie’ ziet de financiële en economische macht erop toe dat er geen ‘excess of democracy’ optreedt, een gevaar waar de founding fathers al bijna tweeënhalve eeuw geleden voor waarschuwden. Dit is de voornaamste reden waarom ‘Wall Street’ één van Obama’s ‘grote financiers’ is, want voor wat hoort wat. Biljoenen dollars om precies te zijn. En dat Obama de boodschap goed had begrepen bleek toen hij in mei 2014 afgestudeerde cadetten van de U.S. Military Academy te West Point verzekerde dat: 

Here’s my bottom line: America must always lead on the world stage he said elsewhere during his address. If we don’t, no one else will. The military that you have joined is, and always will be, the backbone of that leadership.

Oftewel, ‘de ruggegraat’ van de Amerikaanse hegemonie is het dreigen of toepassen van geweld. Now, go out and Kill. En met welk recht denkt Obama dat hij de hele wereld het spiegelbeeld van de VS mag maken? Dat is simpel: ‘I believe in American exceptionalism with every fiber of my being.’ Obama waarschuwde de cadetten ‘never bet against the United States of America… [because] the United States has been, and will always be, the one indispensable nation in world affairs.’  


Met andere woorden, de Amerikaanse bevolking is als geen ander volk op aarde. Zij is ‘exceptionalistisch,’ dat wil zeggen: 

American exceptionalism is the distinct belief that the United States is unique, if not superior, when compared to other nations. Champions of American exceptionalism hold that because of its national credo, historical evolution, and unique origins, America is a special nation with a special role — possibly ordained by God — to play in human history. The belief in American exceptionalism is a fundamental aspect of U.S. cultural capital and national identity. It is an essential part of America’s political, cultural, and social DNA,

aldus de introductie van de essaybundel The Rhetoric of American Exceptionalism (2011), geschreven door de Amerikaanse academici David Weiss en Jason A. Edwards. Zij wijzen erop dat

To believers in American exceptionalism, the United States continues to move in constant upward pattern, remaining the beacon of light in the darkness and the defender of the rights of man as long as the nation exists. Moreover, America and Americans are exceptional because they are charged with saving the world from itself; at the same time, America and Americans must maintain a high level of devotion to this destiny. Ultimately, champions of American exceptionalism argue that American exceptionalism functions to order Americans’ universe and define their place in it.

The rhetoric of American exceptionalism permeates every period of American history… American exceptionalism has been fundamental to political rhetoric, serving as the foundation for the doctrine of Manifest Destiny, which was used to justify the Mexican, Spanish–American, and Vietnam wars as well as the westward expansion of U.S. sovereignty across the American continent,

en, zo voeg ik er onmiddellijk aan toe, rechtvaardigt in de ogen van de Amerikanen en haar supporters de verder uitbreiding van de NAVO-bases, zodat nu de Russische Federatie geheel is omsingeld. Het zal voor een rationeel denkend mens duidelijk zijn dat de ‘superioriteitsgedachte’ kenmerkend is voor elk expansionistisch imperium, dus ook de VS. Daarbij geldt in de praktijk van alledag vanzelfsprekend geen enkel moreel of rationeel argument. De enige ‘rechtvaardiging’ is uiteindelijk ‘might is right,’ de macht van de sterkste. Afgaande op Geert Mak’s felle kritiek op ‘de absolute superioriteit van de blanke Hollanders, hoe dom, dik, agressief, geldzuchtig, kortzichtig en stompzinnig velen ook waren,’ zou men mogen verwachten dat hij in het geval van de opperbevelhebber van de Amerikaanse Strijdkrachten veel sceptischer was geweest in zijn enthousiasme voor Obama. Maar omdat hij niet rationeel kan nadenken, is hij in staat om datgene wat hij net met grote zekerheid heeft verkondigd onmiddellijk weer tegen te spreken. Ziehier hoe Mak 1 en zijn afsplitsing, Mak 2, telkens weer gezamenlijk optrekken. Het voordeel van deze schizofrene houding is dat hij, of beter nog, zij beiden iedereen te vriend kunnen houden in een land waar het poldermodel een eufemisme is voor een corrupte levenshouding. Ander voorbeeld: even paradoxaal is Mak’s oproep om op Hillary Clinton te stemmen en niet op Trump omdat die lijdt aan ‘een enorm temperament’ en hij 

echt iemand [is] die vanwege een vervelende tweet in razernij kan uitbarsten. Zo iemand moet je niet als opperbevelhebber hebben. Wat Hillary Clinton zei is ook terecht: ‘hij is ongeschikt,’ en dat is zelden gezegd.

Volgens het orakel van Bartlehiem is ‘Trump,’ in tegenstelling tot mevrouw Clinton, ‘echt een gigantisch gevaar voor ons allemaal… Als zo’n man met zijn vingers aan de atoomknop gaat zitten, zijn we niet jarig,’ waarna mijn oude vriend zijn jeugdig publiek de schrik op het lijf probeerde te jagen door te verklaren: ‘Je wilt niet weten wat er gebeurt als de grote kladderatsj komt.’  Drie dagen nadat Mak, in navolging van Hillary Clinton, had gewaarschuwd dat Trump ‘ongeschikt’ is voor het presidentschap, stelde een Amerikaanse insider, de voormalige staatssecretaris van Financiën onder Reagan, dr. Paul Craig Roberts, een vraag die de Bartlehiemse bestseller-auteur domweg bewust had verzwegen, te weten: ‘Does Hillary Clinton Have The Temperament To Have Her ‘Finger On The Nuclear Button’? Die vraag is gerechtvaardigd, aangezien mevrouw Clinton’s plotselinge aanvallen van razernij algemeen bekend zijn. Zo ontplofte zij opnieuw na een televisie-uitzending van NBC op 8 september 2016 waarin zij enkele kritische vragen kreeg gesteld door de bekende Amerikaanse televisie-journalist Matt Lauer. Na de uitzending gebeurde het volgende:

Hillary’s meltdown (woede-aanval. svh) included throwing a water glass at a staffer- narrowly missing her head, and demanding Matt Lauer be fired!  She was overheard threatening executives at NBC saying ‘If I lose, we all go down and that Fascist Fuck will have us swinging from nooses! What the fuck is wrong with you idiots?’

It is reported Hillary then screamed at everyone for close to an hour and staffers felt like she was having a ‘Hitler-like rage down.’

Calls were made to New York Times, Washington Post and Huffington post and Twitter executives with orders to ‘Crush Matt Lauer.’ As you can easily see with all the headlines from these puppet MSM sources, they are completely bought and paid for.

 Hillary also screamed that she wanted Matt taken off the October debate…  Let’s see if that command is met.  My bet is that it will be.

Staffers at HRC campaign report that they scared of her, and one described Hillary as ‘an out of control psychopath.’

Since Hillary does not allow any staff to have cell phones when she is there, no footage is available, but Hillary is in full frenzy now.  She has made it clear that she wants Matt Lauer to be ‘persona non grata for the rest of his days on earth.’  

Donna Brazile was singled out by Hillary during the rant.  Donna was told ‘You stare at the wall like a brain dead buffalo, while letting fucking Lauer get away with this betrayal?  Get the fuck to work janitoring this mess — do I make myself clear???’

After the one-hour tirade, Hillary needed to rest in a dark room, with a compress to her head.

We’ve all heard stories of Hillary’s rampages.  I would certainly never want to be the object of one of her psychotic episodes.  I almost feel sorry for her staff.

Christina Reynolds, Deputy Communications Director for the Clinton campaign, and Donna Brazile, chair of the campaign, received scathing rebukes from Hillary after Matt Lauer went ‘Rogue’ on her.

According to inside sources, after the town hall with Matt, Hillary went ballistic, throwing a huge tantrum, with personal calls to Comcast executives, the parent company of NBC Universal.  I guess they got the message with all of the ridiculous headlines to follow over the next couple of days.

Here are a few exerts from some news sources this morning:

As he learned, Clinton had been given all of the questions in advance but was tripped up by Lauer asking her something she hadn’t been given, throwing her completely off her game and script. The topic was a tricky one for Clinton, her use of an illegal home server for the storing, receiving and transmitting of government secret documents. One of those working the event for Comcast described her as visibly beginning to boil with the asking of that question.

Her outburst began immediately after she left the stage, with her first throwing a full glass of water into the face of her assistant, with manic, uncontrolled screaming beginning at that point. The source described Clinton as the ‘most foul-mouthed woman I’ve ever heard, and that voice at screech level — awful.’

She also had some racist condescending comments for the black DNC chairman, Brazile, including suggestions that she was better qualified to be the campaign’s janitor.

One female NBC executive is quoted as saying that Brazile’s stoic response to the unhinged Clinton only served to enrage her more. She described it saying, ‘It was the most awful and terrible… and racist display — such a profane meltdown I have ever witnessed from anyone, and I will never forget it.’

Maar dit alles verzweeg Mak tijdens zijn verkiezingsadvies aan de Amerikanen. Wat tevens opvallend blijft, is het gegeven dat Hillary Clinton, net als Geert Mak, geen kritiek wil uiten op Israel. Mak vreest dat anders zijn reputatie en inkomsten een gevoelige knauw zullen krijgen. Zijn devies is  koste wat kost elke controverse uit de weg gaan, een bestseller-auteur dient zijn publiek te behagen en het niet tegen de haren in strijken. De motivering van mevrouw Clinton is al even simpel, namelijk haar nauwe banden met de rijke en machtige zionistische lobby in de VS én haar niet aflatende steun aan het militair-industrieel complex. Begin 2016 concludeerde de Amerikaanse hoogleraar Stephen Zunes in The Cairo Review of Global Affairs, een uitgave van The American University in Cairo onder de kop ‘Hillary the Hawk’:

Despite Hillary Clinton’s reputation as a liberal, the record suggests her presidency would push America toward a more militaristic approach to the Middle East.

Professor Zunes, die politieke wetenschappen doceert en daarnaast ‘program director of Middle Eastern studies’ is aan de Universiteit van San Francisco, wordt algemeen beschouwd als een buitengewoon goed geïnformeerde bro. Daarom heb ik hieronder een langer fragment uit zijn analyse overgenomen, zodat de geïnteresseerde kan zien hoe onnozel Geert Mak’s oproep is. Zunes stelt over Hillary Clinton:

Her hawkish views go well beyond her strident support for the U.S. invasion of Iraq in 2003 and subsequent occupation and counter-insurgency war. From Afghanistan to Western Sahara, she has advocated for military solutions to complex political problems, backed authoritarian allies and occupying armies, dismissed war crimes, and opposed political involvement by the United Nations and its agencies. TIME magazine’s Michael Crowley aptly summed up her State Department record in 2014:

‘As Secretary of State, Clinton backed a bold escalation of the Afghanistan war. She pressed Obama to arm the Syrian rebels, and later endorsed airstrikes against the Assad regime. She backed intervention in Libya, and her State Department helped enable Obama’s expansion of lethal drone strikes. In fact, Clinton may have been the administration’s most reliable advocate for military action. On at least three crucial issues — Afghanistan, Libya, and the bin Laden raid—Clinton took a more aggressive line than [Secretary of Defense Robert] Gates, a Bush-appointed Republican.’

Her even more hawkish record during her eight years in the Senate, when she was not constrained by President Barack Obama’s more cautious foreign policy, led to strong criticism from progressive Democrats and played a major role in her unexpected defeat in the 2008 Democratic presidential primaries.

After stepping down from the helm of the State Department in early 2013, she made a concerted effort to distance herself from Obama’s Middle East policies, which — despite including the bombing of no less than seven countries in the greater region — she argues have not been aggressive enough. It is not surprising, therefore, that the prominent neoconservative Robert Kagan, in examining the prospects of her becoming commander-in-chief, exclaimed to the New York Times in 2014, ‘I feel comfortable with her on foreign policy.’ He elaborated by noting that ‘if she pursues a policy which we think she will pursue, it’s something that might have been called neocon, but clearly her supporters are not going to call it that. They are going to call it something else.’ The same New York Times article noted how neoconservatives are ‘aligning themselves with Hillary Rodham Clinton and her nascent presidential campaign, in a bid to return to the driver’s seat of American foreign policy.’

Ter verduidelijking: opvallend veel neoconservatieven van het kaliber Robert Kagan manifesteren zich als fervente zionisten die de Israelische schendingen van het internationaal recht door dik en dun verdedigen. Robert Kagan, echtgenoot van de Amerikaanse staatssecretaris Buitenlandse Zaken Victoria ‘Fuck the EU’ Nuland, ‘was a co-founder of the Project for the New American Century (PNAC. svh). More recently, his book The World America Made has been publicly endorsed by US President Barack Obama, and its theme was referenced in his 2012 State of the Union Address'


Hillary Clinton zorgde ervoor dat de neoconservatieve Victoria Nuland in de regering Obama werd opgenomen als staatssecretaris voor buitenlandse zaken, verantwoordelijk voor Europa en Eurazië. 


Als één van de PNAC-oprichters was Kagan een felle voorstander van de illegale inval in Irak, en hij wordt gezien als medeverantwoordelijk voor één van de meest desastreuze oorlogen in de geschiedenis van de VS. Vandaar ook dat de ter zake kundige academicus Stephen Zunes erop wijst dat:

[i]f Clinton wins the American presidency in 2016, she will be confronted with the same momentous regional issues she handled without distinction as Obama’s first secretary of state: among them, the civil war and regional proxy war in Syria; the Syrian conflict’s massive refugee crisis; civil conflict in Yemen and Libya; political fragility in Iraq and Afghanistan; Iran’s regional ambitions; the Israel-Palestine conflict; and deteriorating relations with longstanding allies Israel, Egypt, and Saudi Arabia. There are disagreements as to whether Clinton truly embraces a neoconservative or other strong ideological commitment to hardline policies or whether it is part of a political calculation to protect herself from criticism from Republicans who hold positions even further to the right. But considering that the Democratic Party base is shifting more to the left, that she represented the relatively liberal state of New York in the Senate, and that her 2008 presidential hopes were derailed in large part by her support for the Iraq war, it would probably be a mistake to assume her positions have been based primarily on political expediency. Regardless of her motivations, however, a look at the positions she has taken on a number of the key Middle East policy issues suggest that her presidency would shift America to a still more militaristic and interventionist policy that further marginalizes concerns for human rights or international law.

Voting for War in Iraq

Hillary Clinton was among the minority of congressional Democrats who supported Republican President George W. Bush’s request for authorization to invade and occupy Iraq, a vote she says she cast ‘with conviction.’ As arms control specialists, former United Nations weapons inspectors, investigative journalists, and others began raising questions regarding the Bush administration’s claims about Iraq having reconstituted its chemical, biological, and nuclear weapons programs and its chemical and biological weapons arsenals, Clinton sought to discredit those questioning the administration’s alarmist rhetoric by insisting that Iraq’s possession of such weapons and weapons programs were not in doubt. She said that ‘if left unchecked, Saddam Hussein will continue to increase his capacity to wage biological and chemical warfare, and will keep trying to develop nuclear weapons.’ She insisted that there was a risk that, despite the absence of the necessary delivery systems, Saddam Hussein would somehow, according to the 2002 resolution, ‘employ those weapons to launch a surprise attack against the United States,’ which therefore justifies ‘action by the United States to defend itself’ through invading and occupying the country.

As a number of prominent arms control analysts had informed her beforehand, absolutely none of those charges were true. The pattern continued when then-Secretary of State Colin Powell in a widely ridiculed speech told the United Nations that Iraq had close ties with Al-Qaeda, still had major stockpiles of chemical and biological weapons, and active nuclear, chemical, and biological weapons programs. Powell himself later admitted his speech was misleading and filled with errors, yet Clinton insisted that it was nevertheless ‘compelling.’

In an apparent effort to convince her New York constituents, still stung by the September 11 attack thirteen months earlier, of the necessity of war, she was the only Democratic U.S. senator who made the false claim that Saddam Hussein had ‘given aid, comfort, and sanctuary’ to Al-Qaeda, an accusation that even many fervent supporters of the invasion recognized as ludicrous. Indeed, top strategic analysts had informed her that there were no apparent links between Saddam Hussein’s secular nationalist regime and the radical jihadist Al-Qaeda. Indeed, doubts over such claims appeared in the U.S. National Intelligence Estimates made available to her and in a definitive report by the Department of Defense after the invasion. These reports not only confirmed that no such link existed, but that no such link could have been reasonably suggested based upon the evidence available at that time.

Clinton’s defenders insist she was misled by faulty intelligence. She admitted that she did not review the National Intelligence Estimate that was made available to members of Congress prior to the vote that was far more nuanced in their assessments than the Bush administration claimed. (She claimed that the authors of the report, including officials from the State Department, Central Intelligence Agency, and Department of Defense, had briefed her: ‘I felt very well briefed.’) She also apparently ignored the plethora of information provided by academics, independent strategic analysts, former UN inspectors, and others, which challenged the Bush administration’s claims and correctly noted that Iraq had likely achieved at least qualitative disarmament. Furthermore, even if Iraq had been one of the dozens of countries in the world that still had stockpiles of chemical and/or biological weapons and/or a nuclear program, the invasion was still illegal under the UN Charter, according to a consensus of international law experts as well as then-UN Secretary General Kofi Annan; it was also arguably unnecessary, given the deterrence capability of the United States and well-armed Middle Eastern states.

Despite wording in the Congressional resolution providing Bush with an open-ended authority to invade Iraq, Clinton later insisted that she voted for the resolution simply because ‘we needed to put inspectors in.’ In reality, at the time of vote, the Iraqis had already agreed in principle to a return of the weapons inspectors and were negotiating with the United Nations Monitoring and Verification Commission on the details which were formally institutionalized a few weeks later. (Indeed, it would have likely been resolved earlier had the United States not repeatedly postponed the UN Security Council resolution in the hopes of inserting language which would have allowed the United States to unilaterally interpret the level of compliance.) In addition, she voted against the substitute amendment by Democratic Senator Carl Levin of Michigan, which would have also granted President Bush authority to use force, but only if Iraq defied subsequent UN demands regarding the inspections process. Instead, Clinton voted for the Republican-sponsored resolution to give President Bush the authority to invade Iraq at the time and circumstances of his own choosing regardless of whether inspectors returned. Unfettered large-scale weapons inspections had been going on in Iraq for nearly four months with no signs of any proscribed weapons or weapons facilities at the time the Bush administration launched the March 2003 attack, yet she still argued that the invasion was necessary and lawful. Despite warnings by scholars, retired diplomats, and others familiar with the region that a U.S. invasion of Iraq would prove harmful to the United States, she insisted that at U.S.-led takeover of Iraq was ‘in the best interests of our nation.’



Rather than being a misguided overreaction to the 9/11 tragedy driven by the trauma that America had experienced, Clinton’s militaristic stance on Iraq predated her support for Bush’s invasion. For example, in defending her husband President Bill Clinton’s four-day bombing campaign against Iraq in December 1998, she claimed that ‘the so-called presidential palaces… in reality were huge compounds well suited to hold weapons labs, stocks, and records which Saddam Hussein was required by the UN to turn over. When Saddam blocked the inspection process, the inspectors left.’ In reality, there were no weapons labs, stocks of weapons, or missing records in these presidential palaces. In addition, Saddam was still allowing for virtually all inspections to go forward. The inspectors were ordered to depart by her husband a couple days beforehand to avoid being harmed in the incipient bombings. Ironically, in justifying her support for invading Iraq years later, she would claim that it was Saddam who had ‘thrown out’ the UN inspectors. She also bragged that it was during her husband’s administration that the United States ‘changed its underlying policy toward Iraq from containment to regime change.’

What distinguishes Clinton from some of the other Democrats who crossed the aisle to support the Republican administration’s war plans is that she continued to defend her vote even when the rationales behind it had been disproven. For example, in a speech at the Council on Foreign Relations in New York in December 2003, in which she underscored her support for a ‘tough-minded, muscular foreign and defense policy,’ she declared, ‘I was one who supported giving President Bush the authority, if necessary, to use force against Saddam Hussein. I believe that that was the right vote’ and was one that ‘I stand by.’ Similarly, in an interview on CNN’s Larry King Live in April 2004, when asked about her vote in favor of war authorization, she said, ‘I don’t regret giving the president authority.’

As it became increasingly apparent that her rationales for supporting the war were false, U.S. casualties mounted, the United States was dragged into a long counter-insurgency war, and the ongoing U.S. military presence was exacerbating sectarian violence and the threat from extremists rather than curbing it, Clinton came under increasing pressure from her constituents to call for a withdrawal of U.S. forces. She initially rejected these demands, however, insisting U.S. troops were needed to keep fighting in order to suppress the insurgency, terrorism, and sectarian divisions the invasion had spawned, urging ‘patience’ and expressing her concern about the lack of will among some Americans ‘to stay the course.’ She insisted that ‘failure is not an option’ in Iraq, so therefore, ‘We have no option but to stay involved and committed.’ In 2005, she insisted that it ‘would be a mistake’ to withdraw U.S. troops soon or simply set a timetable for withdrawal. She argued that the prospects for a ‘failed state’ made possible by the invasion she supported made it in the ‘national security interest’ of the United States to remain fighting in that country. When Democratic Congressman John Murtha of Pennsylvania made his first call for the withdrawal of U.S. forces from Iraq in November of that year, she denounced his effort, calling it a ‘a big mistake’ and declared, ‘I reject a rigid timetable that the terrorists can exploit.’ Using a similar rationale as was used in the latter years of the Vietnam War, she declared, ‘My bottom line is that I don’t want their sons to die in vain,’ insisting that, ‘I don’t think it’s the right time to withdraw’ and that, ‘I don’t believe it’s smart to set a date for withdrawal.’ In 2006, when Democratic Senator John Kerry of Massachusetts (her eventual successor as secretary of state) sponsored an amendment that would have required the redeployment of U.S. forces from Iraq by the middle of 2007 in order to advance a political solution to the growing sectarian strife, she voted against it. Similarly, on Meet the Press in 2005, she emphasized, ‘We don’t want to send a signal to insurgents, to the terrorists, that we are going to be out of here at some, you know, date certain.’

Two years after the invasion, as the consensus was growing that the situation in Iraq was rapidly deteriorating, Clinton still defended the war effort. When she visited Iraq in February 2005 as a U.S. senator, the security situation had gotten so bad that the four-lane divided highway on flat open terrain connecting the airport with the capital could not be secured at the time of her arrival, requiring a helicopter to transport her to the Green Zone, but she nevertheless insisted that the U.S. occupation was ‘functioning quite well.’ When fifty-five Iraqis and one American soldier were killed during her twenty-four-hour visit, she insisted that the rise in suicide bombings was somehow evidence that the insurgency was failing. As the chaos worsened in subsequent months, she continued to defend the invasion, insisting, ‘We have given the Iraqis the precious gift of freedom,’ claiming that whatever problems they were subsequently experiencing was their fault, since, ‘The Iraqis have not stepped up and taken responsibility, as we had hoped.’


Over de oorlogszuchtigheid van Hillary Clinton zwijgt Mak als het graf, terwijl toch bijvoorbeeld de Shock and Awe-inval in Irak in strijd was met het internationaal recht, en in feite een zogeheten 'agressie-oorlog' was, op grond waarvan na 1945 de nazi-top ter dood werd veroordeeld, en waarover de Amerikaanse hoofdaanklager, Robert H. Jackson, tijdens de Neurenberger Processen verklaarde:

If certain acts and violations of treaties are crimes, they are crimes whether the United States does them or whether Germany does them. We are not prepared to lay down a rule of criminal conduct against others which we would not be willing to have invoked against us.

Maar deze feiten waren voor Geert Mak geen reden af te zien van de oproep om vooral toch op een oorlogsmisdadigster te stemmen. Hoewel hij van 1972 tot 1975 Staatsrecht en Vreemdelingenrecht doceerde aan de Universiteit van Utrecht, toont hij als opiniemaker weinig respect voor het recht zodra dit voor hem politiek opportuun is, zonder dat dit zijn ‘sterk ontwikkeld schuldgevoel’ enigszins belast, hetgeen wonderlijk is aangezien ook zijn echtgenote, Mietsie Mak, in College Tour, zijn ‘schuldgevoelens’ benadrukte. Zij beweerde dat haar Geert ‘een gereformeerde jongen [blijft] met schuldgevoelens,’ waardoor in haar ogen hij ‘altijd aardig en lief voor iedereen’ is. Behalve dan voor de slachtoffers van zijn overtuigingen en adviezen, maar die moeten kennelijk gezien worden als 'collateral damage.' Dichter bij de waarheid was haar opmerking dat haar ‘Geert een goeie verhalenverteller,’ is ‘omdat zijn vader dominee’ was, en het daarom ‘in zijn genen zit.’ Dit laatste kan tevens een verklaring zijn van zowel zijn opportunisme als zijn op weinig kennis gebaseerde betweterij, én niet te vergeten zijn verraad aan Geert's met de mond beleden principes. Het zogeheten ‘lief’ zijn ‘voor iedereen,’ is, voor zover ik dit de afgelopen 35 jaar heb kunnen vaststellen, een manifestatie van gebrek aan karakter, een gemis aan diep doorleefde overtuigingen en gevoelens, waaraan ook zijn vader leed. Net als Hillary Clinton, die, afgaande op Alan Greenspan’s woorden dat 'I am saddened that it is politically inconvenient to acknowledge what everyone knows: the Iraq war is largely about oil,’ heeft mijn oude vriend Geert geen zichtbare moeite om makkelijk aantoonbare leugens te verspreiden. Als ik zijn echtgenote goed heb begrepen dan zit dit kennelijk ‘in zijn genen.’  In dit opzicht geldt voor het publiek de oude wijsheid dat ‘wie de dominee wil blijven eren, moet niet te nauw met hem verkeren.’ De schrijnende ironie hier is dat de journalist/opiniemaker Geert Mak, die leeft van het verstrekken van informatie, zelf feitelijke informatie niet kan opnemen, zodra die in strijd is met zijn conformistische levenshouding. In verband met de lengte stop ik hier. Volgende keer meer over Mak en mevrouw Clinton.


De Makjes tijdens het boekenbal in representatieve kledij gestoken. 


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen