• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

zaterdag 31 oktober 2015

Vluchtelingenstroom 13


Het is karakteristiek voor Rusland en iets wat het zeer beslist van het Westen onderscheidt dat men daar nooit een belangrijke invloedrijke bourgeois-ideologie heeft aangetroffen, welke ideologie er ook nooit zou komen. De Russische gedachte van de negentiende eeuw zou altijd sociaal getint zijn. 

Voor het Russische volk en de intelligentsia is het collectief altijd belangrijker geweest dan het individu, dat in het westerse denken centraal staat. In zijn boek Het Russische Denken in de Negentiende en Twintigste Eeuw, in 1947 in een Nederlandse vertaling verschenen, wees de Russische filosoof Nicolai Berdjajew erop dat 

[t]oen bij ons in de tweede helft van de negentiende eeuw de linkse intelligentsia haar definitieve vorm kreeg, zij tevens karaktertrekken [verkreeg] die sterk herinneren aan die van een monnikenorde. Hier openbaarde zich die diepe, rechtgelovige grondtrek van de Russische ziel: bevrijding uit de wereld die in het kwaads ondergedompeld, ascese, bereidheid, bereidheid tot het offer en tot het aanvaarden van ondraaglijk leed. Zij beschermde zich door een intolerantie, door een zich scherp afgrenzen van de rest van de wereld. Psychologisch gesproken is zijn een erfgename van het schisma. Slechts daardoor kon zij alle vervolgingen overleven. 

Het was Dostojewski die deze intellectuelen 'de vagebonden van de Peterburgse periode van de Russische geschiedenis' betitelde, die volgens Berdjajew, de 'neiging' hadden 'tot afscheiding, tot versplintering,' de 'geest' bezaten van 'een zwerver, een vagebond,' en 'innerlijk' niet in staat waren 'om zich te verzoenen met het heden.' Kenmerkend aan de Russische intelligentsia was 'een onstuimig verlangen naar komende, betere, rechtvaardiger levensvormen.' Berdjajew maakte duidelijk dat, in tegenstelling tot de westerlingen,

Russen in hun scheppingsdrang [zoeken] naar een volmaakt leven en niet enkele naar volmaakte producten. Zelfs de Russische romantiek streeft niet naar het uitzonderlijke, maar naar een betere werkelijkheid. De Russen zochten in de Westerse gedachtenwereld vooral naar krachten ter verandering, ter radicale verbetering van hun eigen rauwe werkelijkheid; zij zochten met name een uitweg uit het heden.

Hier komt nog een belangrijk element bij, net als bij Amerikanen alle energie opging aan het de Westwaartse verovering van de ruimte, bleven ook de Russen eeuwenlang gemobiliseerd door almaar Oostwaarts te trekken, daar waar ooit de grote bedreiging van de Mongools horden vandaan was gekomen. Al die energie kon niet, zoals in Europa, worden besteed aan de opbouw van een burgerlijke orde, 'a civil society.' In dit verband is het volgende veelbetekenend: in 1948 schreef George Kennan, de ideoloog van de Amerikaanse containment-politiek die tot de ineenstorting van de Sovjet-Unie de hoeksteen is gebleven van Washington's buitenlandse politiek, als Hoofd van het Planningsbureau van het State Department in een toen nog geheim memorandum:

Wij hebben ongeveer 50 procent van de rijkdommen in de wereld, maar slechts 6,3 procent van haar bevolking… In deze omstandigheden zullen we niet in staat zijn te voorkomen dat wij het voorwerp worden van jaloezie en haat. Onze werkelijke taak in het komende tijdperk is om een netwerk van betrekkingen op te bouwen die ons in staat stelt deze positie van ongelijkheid te handhaven… Daartoe zullen wij alle sentimentaliteit en dagdromen opzij moeten zetten en dient onze aandacht overal geconcentreerd te zijn op onze directe nationale doelstellingen… We moeten ophouden te spreken over vage en… imaginaire doelstellingen als mensenrechten, het verhogen van de levensstandaard, en democratisering. De dag is niet veraf dat we in pure machtsconcepten moeten handelen. Hoe minder we daarbij gehinderd worden door idealistische slogans, des te beter het is.

Kennan's advies aan de politieke elite in de VS was niet vreemd. Net als elk imperium in de geschiedenis streefde ook de macht in Washington en op Wall Street naar de hegemonie, zodat de grondstoffen en markten in de wereld veroverd konden worden.  Maar door zowel de technologische vooruitgang als de wereldwijde bevolkingsexplosie kon een dergelijk overwicht slechts kort duren. En dit empirisch eenvoudig te constateren gegeven, besefte  George Kennan al snel na de interne publicatie van zijn invloedrijke nota. In een interview met mij verklaarde Anders Stephanson, hoogleraar Geschiedenis aan de Columbia University en auteur van Kennan and The Art of Foreign Policy (1992) dat de beleidsbepalers van de Amerikaanse buitenlandse politiek onvoldoende oog hadden voor de werkelijkheid en dat dit de belangrijkste reden was waarom Kennan voortdurend scherpe kritiek op hen bleef uitoefenen. In zijn boek schreef Stephanson:

To be realistic in these circumstances was in a way to understand the inherent limits of things, the futility (indeed blasphemy) of extending radically beyond the existing, the real. At different moments Kennan thus criticized the Sovjet Union and the United States alike for being unrealistic in this sense of not acknowledging given limits... he was aware by the end of the 1940s that the United States was embarking on a course of potentially open-ended commitments around the world, and this he could not but find dangerous and unnatural.

Na een vele decennia getuige te zijn geweest van de desastreuze machiavellistische politiek van de VS, schreef Kennan een gedesillusioneerde terugblik op zijn tijdperk. Aan het slot van zijn Sketches From A Lif(1989) stelde hij somber vast:

Ik beschouw de Verenigde Staten van deze laatste jaren van de twintigste eeuw als een in wezen tragisch land, begiftigd met uitstekende natuurlijke hulpbronnen die het snel aan het verkwisten en uitputten is, en met een intellectuele en artistieke intelligentsia van groot talent en originaliteit. Voor deze intelligentsia hebben de dominante politieke machten in het land weinig begrip of respect. Haar stem wordt doorgaans tot zwijgen gebracht of overschreeuwd door de commerciële media. Het is waarschijnlijk veroordeeld om, net als de Russische intelligentsia in de negentiende eeuw, voorgoed een hulpeloze toeschouwer te blijven van de verontrustende koers in het leven van de natie.

Die vergelijking tussen de geïsoleerde en machteloze positie van de 'Russische intelligentsia' van de negentiende eeuw en die van de huidige Amerikaanse intellectuelen is opmerkelijk, maar niet vreemd, en zou door de Europese intelligentsia serieus moeten worden genomen. In zijn studie over de continuïteit in het Russische denken citeert Berdjajew uitgebreid de westers georiënteerde Russische filosoof Pjotr Tsjaadajev (1794-1856). 'De gedachten over de Russische geschiedenis' van deze tegenstander van de 'slavofielen' waren, net als die van Kennan, 'de uitdrukking van een diep leed, het zijn de wanhoopskreten van een man, die zijn vaderland lief heeft,' aldus Berdjajew, om vervolgens Tsjaadajev aldus te citeren:

Wij behoren niet tot een van de verheven families van het menselijk geslacht, wij behoren noch tot het Westen, noch tot het Oosten, en wij hebben geen tradities, noch van het ene noch van het andere. Als het ware buiten de tijd staande, zijn wij onbeïnvloed gebleven door de zich over de hele wereld uitstrekkende opvoeding van het menselijk geslacht. Wij bewegen ons zo vreemd in de tijd dat bij iedere stap die wij voorwaarts afleggen, de daaraan voorafgaande stap voor ons onherroepelijk verdwijnt. Dit is het natuurlijke resultaat van een cultuur, die geheel en al gegrondvest is op ontlening en imitatie. Wij hebben totaal geen innerlijke ontwikkeling, wij missen ieder natuurlijk proces, elk idee van ons doet de oude spoorloos verdwijnen. Wij behoren tot een soort naties, die als het ware geheel niet opgaan in het geheel van de mensheid, maar die alleen bestaan om de wereld de een of andere belangrijke les te geven.

De laatste opvatting sluit naadloos aan bij de Amerikaanse doctrine van het 'exceptionalisme,'  die in oktober 2013 door David Bromwich, hoogleraar Engels aan de Harvard University, aldus werd getypeerd:

When President Obama told West Point graduates last May that 'I believe in American exceptionalism with every fiber of my being,' the context made it clear that he meant the United States was the greatest country in the world: our stature was demonstrated by our possession of 'the finest fighting force that the world has ever known,' uniquely tasked with defending liberty and peace globally; and yet we could not allow ourselves to 'flout international norms' or be a law unto ourselves.

Even paradoxaal als Obama was Tsjaadajev. Enerzijds was de invloedrijke Russische filosoof van mening dat 

[e]enzaam in de wereld wij haar niets [hebben] gegeven, hebben wij haar niets geleerd, wij hebben geen enkele idee gebracht in het ideeënarsenaal van de mensheid, wij hebben niets bijgedragen tot de vooruitgang van de menselijke rede en alles wat wij verkregen hebben van die vooruitgang hebben wij ook weer misvormd,

terwijl hij anderzijds met even grote stelligheid verkondigde:

Ik heb de diepe overtuiging dat wij geroepen zijn een groot deel van de problemen van de sociale orde op te lossen, een groot deel van de ideeën af te ronden, die in de oude maatschappijen zijn ontstaan, een antwoord te geven op de belangrijkste vragen, die de mensheid bezighouden. 

Ook hier is sprake van het 'exceptionalisme,' waarop het Amerikaans expansionisme is gefundeerd, namelijk

the distinct belief that the United States is unique, if not superior, when compared to other nations. Champions of American exceptionalism hold that because of its national credo, historical evolution, and unique origins, America is a special nation with a special role – possibly ordained by God – to play in human history. The belief in American exceptionalism is a fundamental aspect of U.S. cultural capital and national identity. It is an essential part of America’s political, cultural, and social DNA.

Op zijn beurt constateert Berdjajew dat 

Tsjadaajev doordrongen [is] van de idee van het Russische Messianisme. En die gaat bij hem gepaard met de verwachting van het intreden van een nieuw tijdperk van de Heilige Geest. Een karakteristiek Russische verwachting, een uitdrukkelijk Russisch uitgangspunt. Deze veronderstelling van Tsjadaajev zal 'de grondslag vormen voor alle richtingen, die bij ons in de negentiende eeuw zijn aan te wijzen,' aldus Berdjajew, die voorts constateert dat zijn filosofische voorganger 'het Koninkrijk Gods op aarde [zocht], hij verwachtte een nieuw tijdperk van de Heilige Geest; hij was tot het geloof gekomen dat Rusland een nieuw woord aan de wereld te verkondigen had. Dat alles is Russische problematiek. Het is waar, dat hij historische grootheid zocht; en dat is geen karakteristiek Russische eigenschap. Maar dat is een compensatieverschijnsel voor andere Russische eigenschappen,

net als het begrip ' 'A City upon a Hill' een 'compensatieverschijnsel' is dat

entered the American lexicon early in its history, in the Puritan John Winthrop's 1630 sermon… Winthrop's sermon gave rise to the widespread belief in American folklore that the United States of America is 'God's country' because metaphorically it is a 'Shining City upon a Hill,' an early example of American exceptionalism.

On the twentieth century, the image was used a number of times in American politics. On 9 January 1961, President-Elect John F. Kennedy returned the phrase to prominence during an address delivered to the General Court of Massachusetts:

'I have been guided by the standard John Winthrop set before his shipmates on the flagship Arbella (het vlaggeschip van de Winthrop Vloot. svh) three hundred and thirty-one years ago, as they, too, faced the task of building a new government on a perilous frontier. We must always consider,' he said, 'that we shall be as a city upon a hill — the eyes of all people are upon us. Today the eyes of all people are truly upon us — and our governments, in every branch, at every level, national, state and local, must be as a city upon a hill — constructed and inhabited by men aware of their great trust and their great responsibilities. For we are setting out upon a voyage in 1961 no less hazardous than that undertaken by the Arbella in 1630. We are committing ourselves to tasks of statecraft no less fantastic than that of governing the Massachusetts Bay Colony, beset as it was then by terror without and disorder within. History will not judge our endeavors — and a government cannot be selected   — merely on the basis of color or creed or even party affiliation. Neither will competence and loyalty and stature, while essential to the utmost, suffice in times such as these. For of those to whom much is given, much is required.' 

President Ronald Reagan used the image as well, in his 1984 acceptance of the Republican Party nomination and in his January 11, 1989, farewell speech to the nation:

'I've spoken of the shining city all my political life, but I don't know if I ever quite communicated what I saw when I said it. But in my mind it was a tall proud city built on rocks stronger than oceans, wind-swept, God-blessed, and teeming with people of all kinds living in harmony and peace, a city with free ports that hummed with commerce and creativity, and if there had to be city walls, the walls had doors and the doors were open to anyone with the will and the heart to get here. That's how I saw it and see it still.'

Reagan countered President Jimmy Carter's rhetoric about a national 'crisis of confidence' with paeans to American greatness during the presidential campaign. 'I've always believed that this blessed land was set apart in a special way,' Reagan later explained. The final days of the Cold War raised the prospect that the American model could become the norm, not the exception:

'In my mind it was a tall, proud city built on rocks stronger than oceans, wind-swept, God-blessed, and teeming with people of all kinds living in harmony and peace.'

In 1996, President Bill Clinton declared that:

'America remains the indispensable (onmisbare. svh) nation' and that 'there are times when America, and only America, can make a difference between war and peace, between freedom and repression' […]

President Reagan's adopted son Michael Reagan wrote a book entitled The City on a Hill: Fulfilling Ronald Reagan's Vision for America (1997).

In 2000, Marc A. Thiessen, George W. Bush's speechwriter, contended in a Weekly Standard article that there are two competing visions of internationalism in the 21st century: the 

'global multilateralism of the Clinton-Gore Democrats vs. the American exceptionalism of the Reagan-Bush Republicans.'

In 2004, President George W. Bush said:

'Like generations before us, we have a calling from beyond the stars to stand for freedom. This is the everlasting dream of America…'

In his commencement address on June 2, 2006, at the University of Massachusetts Boston, then Senator of Illinois Barack Obama developed his ideas on the topic:

'But of course, America is an unlikely place - a country built on defiance of the odds; on a belief in the impossible. And I remind you of this because as you set out to live your own stories of success and achievement, it's now your turn to help keep it this way. It's your turn to keep this daringly radical but unfailingly simple notion of America alive — that no matter where you're born or how much your parents have; no matter what you look like or what you believe in, you can still rise to become whatever you want; still go on to achieve great things; still pursue the happiness you hope for. Today, this dream sounds common - perhaps even cliche - yet for most of human history it's been anything but. As a servant of Rome, a peasant in China, or a subject of King George, there were very few unlikely futures. No matter how hard you worked or struggled for something better, you knew you'd spend your life forced to build somebody else's empire; to sacrifice for someone else's cause.'


In werkelijkheid weet de doorsnee Amerikaan uit ervaring dat hij, ondanks Obama's retoriek, zijn hele werkzame leven in dienst staat van het 'imperium' van de financiële en politieke macht op Wall Street en in Washington, en zich moet opofferen 'for someone else's cause.'  De feiten zijn namelijk:

The upper 1 percent of Americans are now taking in nearly a quarter of the nation’s income every year. In terms of wealth rather than income, the top 1 percent control 40 percent. Their lot in life has improved considerably. Twenty-five years ago, the corresponding figures were 12 percent and 33 percent. One response might be to celebrate the ingenuity and drive that brought good fortune to these people, and to contend that a rising tide lifts all boats. That response would be misguided. While the top 1 percent have seen their incomes rise 18 percent over the past decade, those in the middle have actually seen their incomes fall. For men with only high-school degrees, the decline has been precipitous—12 percent in the last quarter-century alone. All the growth in recent decades—and more—has gone to those at the top. In terms of income equality, America lags behind any country in the old, ossified Europe that President George W. Bush used to deride. Among our closest counterparts are Russia with its oligarchs and Iran. While many of the old centers of inequality in Latin America, such as Brazil, have been striving in recent years, rather successfully, to improve the plight of the poor and reduce gaps in income, America has allowed inequality to grow,

aldus de Amerikaanse econoom, professor Joseph Stiglitz, in 2001 Nobelprijswinnaar Economie. Drie jaar na zijn artikel in Vanity Fair van mei 2011, om precies te zijn op 29 maart 2014, wees Senator Bernie Sanders er op dat 'The top 25 hedge fund managers made last year over $24 billion. This is enough to pay the salaries of more than 425,000 public schoolteachers,' en dat de kloof tussen rijk en arm 'A Threat to American Democracy' betekende. Drie maanden eerder al was bekend geworden dat in de machtigste 'democratie' ter wereld:

The richest 1 percent own about 38 percent of stocks and half of are non-stock financial assets. So they've gained at least $6.1 trillion (38 percent of $16 trillion). That's over $5 million for each of 1.2 million households.

The next richest 4 percent, based on similar calculations, gained about $5.1 trillion. That's over a million dollars for each of their 4.8 million households.
The least wealthy 90 percent in our country only own 11 percent of all stocks excluding pensions, which are fastly disappearing. The frantic recent surge in the stock market has largely bypassed these families.

2. Evidence of Our Growing Wealth Inequality

This first fact is nearly ungraspable: In 2009 the average wealth for almost half of American families was ZERO (their debt exceeded their assets).

In 1983, the families in America's poorer half owned an average of about $15,000. But from 1983 to 1989 the median wealth fell from more than $70,000 to about $60,000. From 1998 to 2009, about 80 percent of American families LOST wealth and they had to borrow as a way to stay afloat.

It seems the disparity couldn't get much worse, but after the recession, it did. According to a Pew Research Center study, in the first two years of recovery the mean net worth of households in the upper 7 percent of the wealth distribution rose by an estimated 28 percent, while the mean net worth of households in the lower 93 percent dropped by 4 percent. And then, from 2011 to 2013, the stock market grew by almost 50 percent with again the great majority of that gain going to the richest 5 percent.

Today our wealth gap is worse than that of third-world economies. Out of all developed and undeveloped countries with at least a quarter-million adults, the U.S. has the 4th-highest degree of wealth inequality in the world trailing only Russia, Ukraine and Lebanon.

3. Congress' Solution: Take from the Poor

Congress has responded by cutting unemployment benefits and food stamps along with other 'sequester' targets like Meals on Wheels for seniors and Head Start for preschoolers. The more the super-rich make, the more they seem to believe in the cruel fantasy that the poor are to blame for their own struggles.

President Obama recently proclaimed that inequality 'drives everything I do in this office.' Indeed it may, but in the wrong direction.

In navolging van van alle grootspraak van Amerikaanse politici, die alleen dankzij de financiële steun van de rijke elite gekozen kunnen worden, blijven mainstream-propagandisten als Geert Mak de bekende cliché's herhalen, door in strijd met de werkelijkheid te beweren dat 

in large parts of the world the United States is still the the 'world's indispensable nation,' as Madeleine Albright once put it, the 'anchor,' 'the default power.'

Aangezien Mak zelf nooit buiten het Westen heeft gereisd, op één 'kaaskoppen-safarie' na in tropisch Afrika, (waar hij en zijn vrouw Mietsie, volgens eigen zeggen, tot de slotsom kwamen dat zwarten voldeden aan alle cliché's door zich niet aan afspraken te houden), spreekt mijn oude vriend kritiekloos het establishment na. Het door hem regelmatig gebruikte begrip 'standaardmacht' voor de VS, verraadt zijn propagandistische positie in het geheel. Hij heeft dit oordeel geleend van de Duitse Atlanticus Josef Joffe, uitgever en redacteur van het neoliberale weekblad Die Zeit, die in het september/oktober 2009 nummer van het al even behoudende Foreign Affairs onder de kop 'The Default Power. The False Prophecy of America's Decline,' een artikel schreef, dat onmiddellijk door De Groene Amsterdammer werd overgenomen. Joffe stelde:

De VS zijn de default power, de standaard-macht, het land dat het podium inneemt omdat er niemand anders is met de vereiste macht en motivatie. Waarom geen van de anderen? Speculerend kun je zeggen dat er een liberaal, zeevarend rijk nodig is om nationale belangen te veranderen in internationale publieke zaken. Het Verenigd Koninkrijk bouwde een wereldrijk voor zichzelf, maar ondertussen produceerde het een hele berg aan kostbare publieke zaken: vrije handel, vrijheid der zeeën en de gouden standaard. 

De Makjes, omringd door drankjes. Mijn oude vriend is een grote fan van Barack Obama en zijn visie dat '[i]n the end, that's what this election is about. Do we participate in a politics of cynicism or a politics of hope?

Met deze positief bedoelde kwalificaties wordt met terugwerkende kracht het genocidale westerse kolonialisme door opiniemakers als Joffe, Mak en De Groene alsnog gerechtvaardigd. Uitgebreid gedocumenteerde roof en volkerenmoord zijn in het racistisch bewustzijn positieve zaken die 'een hele berg kostbare publieke zaken' hebben voortgebracht, zoals de overigens niet-bestaande 'vrije handel,' en 'de gouden standaard.' In een recensie van Mak's bestseller In Europa (2004) merkte de historicus Bastiaan Bommeljé terecht op:

Nu is het de vraag of men dit boek van Mak dient te beoordelen als een geschiedwetenschappelijk werk. De oorsprong van In Europa ligt immers in zijn korte bijdragen aan NRC Handelsblad over 'de staat van Europa' aan de vooravond van de millenniumwende. Een jaar lang reisde hij door de Oude wereld en deed daarvan dagelijks verslag. Zijn stops in Parijs, Londen, Wenen,Verdun, Sarajevo, Versailles en Auschwitz, Guernica, Neurenberg, Tsjernobyl en waar al niet vormden de basis van dit werk. Er kwamen aanvullingen door interviews (waarvan dat met Ruud Lubbers over zijn gemiste voorzitterschap van de Europese Raad het opmerkelijkst is) en het lezen van vele boeken waaruit met schaar en lijmpot kwistig werd geput. 

Moet men 'In Europa' niet vooral zien als een journalistiek werk? In dat geval kan men evengoed teleurgesteld raken. Niet over de weidsheid van de aanpak noch over de ambities van het project, maar wel over het veelal clichématige taalgebruik. Een appelboom in dit boek is steevast 'een kleurige appelboom,' een tuin is steevast 'een groene tuin,' een dal altijd 'een diep dal,' een storm altijd 'een gierende storm,' heuvels zijn altijd 'nevelige heuvels,' een regenboog is altijd 'een gouden regenboog,' een symbool steevast het 'ultieme symbool,' en er hangt geen mist over Europa maar altijd weer 'een dikke, kille laag mist.'

We knipperen dan al niet meer met de ogen over zinnen als: 'Zoals Londen gemaakt is om zaken te doen, zoals Parijs de ideale stad is voor rebellerende twintigjarigen en hun ouders, is Wenen het perfecte rustoord voor lichtbejaarde schoonmoeders,'of: 'Spanjaarden zijn trotse mensen,' dan wel 'Dublin is een lelijke stad vol uitgesproken lelijke mensen, maar het is er heerlijk toeven.'

De functie van deze vaak storende, soms lachwekkende clichés is duidelijk. Mak wil de lezer bovenal behagen. Zijn perceptie van de twintigste eeuw is ongetwijfeld bedoeld als journalistiek-intellectueel (ja, Hans Magnus Enzensberger duikt ook weer op), maar glijdt verontrustend vaak af naar een Anton Pieck-aanpak, waarin goed en kwaad bij voorbaat vast staan en de tocht alleen voert langs de allerbekendste herkenningspunten. 

'De geschiedenis is geen glad verhaal,' schrijft Mak, maar de vraag blijft waarom hij zelf dan zo'n glad verhaal heeft geschreven over een bepaald niet gladde eeuw. 

De 'Anton Pieck-aanpak' van Mak en de 'vrije pers' mag dan wel lucratief zijn, maar het is tevens levensgevaarlijk omdat het mainstream-publiek een vals beeld voorgeschoteld krijgt. Daarvan is Geert Mak zich maar al te bewust, tenminste wanneer men afgaat op   zijn bekentenis afgaan, die hij op vrijdag 2 november 2012 aflegde:

Waar blijft, in deze chaos van telkens botsende en elkaar tegensprekende verhalen, de rol van de historicus? Zijn werk is – en ik volg nu de definitie van de Amerikaans/Hongaarse historicus John Lukacs – in de eerste plaats ‘het streven naar waarheid door het uitbannen van onwaarheid.’ Geschiedschrijving kan, zo betoogt hij, nooit ‘objectief’ zijn zoals de exacte wetenschappen – en dat betekent dat geschiedenis geen gespecialiseerde methoden kent en geen eigen specifieke taal. Woorden zijn voor de historicus dan ook meer dan de verpakking van feiten: het gaat minstens zozeer om de formulering, om de associaties die ze opwekken, ja, om het verhaal… Doen we dat genoeg? Nemen wij, chroniqueurs van het heden en verleden, onze taak, het ‘uitbannen van onwaarheid’, serieus genoeg.  Zeker in deze tijd? Ik vraag het me af. Op dit moment vindt op Europees en mondiaal niveau een misvorming van de werkelijkheid plaats die grote consequenties heeft.

Hoewel er dus 'grote consequenties' verbonden zijn aan het onvoldoende 'uitbannen van onwaarheid,' blijft de nationale historicus Mak, die geen historicus is, desalniettemin gewoon doorgaan met het vertekenen van de werkelijkheid. Hetzelfde geldt voor de beroeps-columnist van De Groene Amsterdammer, de 88-jaar oude Henk Hofland, wiens bronnen, volgens eigen zeggen, de kranten en de televisie zijn. Nog in 2012, terwijl Libie zonder Kadhafi in chaos was veranderd schreef de, volgens polderjournalisten 'beste journalist van de twintigste eeuw,' in De Groene Amsterdammer van 4 april dat 

[m]et consequente luchtsteun aan de rebellen, en zonder dat ook maar één vreemde soldaat daar voet aan de grond heeft gezet,' 

Libië op weg naar een democratie was geholpen, en dat 

[o]nze luchtmacht er ook nog aan [heeft] meegedaan. President Obama vond er een naam voor: leading from behind. Het is redelijk goed afgelopen. Libië zien we niet meer op de televisie.

In 2014 wist P.C. Hooftprijs-winnaar Hofland, net als het Britse dagblad The Sun, conform de beste riooljournalistiek, onmiddellijk na het neerstorten van de MH 17 met grote stelligheid te beweren:

[h]et neerschieten van het Maleisische verkeersvliegtuig door Oekraïense separatisten blijkt nu de oorzaak te zijn van een internationale escalatie die zich in steeds hoger tempo ontwikkelt,

waaraan de 'beste journalist van de twintigste eeuw,' wiens hoogtepunt de Koude Oorlogsjaren waren, in De Groene Amsterdammer van 30 juli 2014, met nauwelijks verholen enthousiasme toevoegde dat:

[d]egenen die Poetin als de hoofdschuldige zien en scherpere maatregelen eisen, worden snel talrijker. De voorstanders van een diplomatieke oplossing verliezen terrein.

Zonder ook maar één hard bewijs beweerde Hofland, onweersproken door zijn 'politiek-literaire elite' in de polder, dat hier sprake was van 'Poetins escalatie.' 

In verband met de lengte stop ik met als tenslotte nog de opmerking dat ook wat betreft de wealth inequality de overeenkomst tussen Rusland en de VS kenmerkend is voor imperia die over hun hoogtepunt heen zijn. Volgende keer meer over het het collectivisme in Rusland dat even failliet is als het Amerikaans individualisme. 


Als hoogbejaarde toch nog de P.C. Hooftprijs van het establishment mogen ontvangen, ontroerde 'de beste journalist van de twintigste eeuw' in de polder diep. 



George Monbiot

Nothing to See Here

In the greatest environmental disaster of the 21st Century (so far), Indonesia has been blotted out by smoke. And the media.
By George Monbiot, published in the Guardian 30th October 2015
I’ve often wondered how the media would respond when eco-apocalypse struck. I pictured the news programmes producing brief, sensational reports, while failing to explain why it was happening or how it might be stopped. Then they would ask their financial correspondents how the disaster affected share prices, before turning to the sport. As you can probably tell, I don’t have an ocean of faith in the industry for which I work.
What I did not expect was that they would ignore it.
A great tract of the Earth is on fire. It looks as you might imagine hell to be. The air has turned ochre: visibility in some cities has been reduced to 30 metres. Children are being prepared for evacuation in warships; already some have choked to death. Species are going up in smoke at an untold rate. It is almost certainly the greatest environmental disaster of the 21st Century – so far.
And the media? It’s talking about the dress the Duchess of Cambridge wore to the James Bond premiere, Donald Trump’s idiocy du jour and who got eliminated from the Halloween episode of Dancing with the Stars. The great debate of the week, dominating the news across much of the world? Sausages: are they really so bad for your health?
What I’m discussing is a barbeque on a different scale. Fire is raging across the 5000-kilometre length of Indonesia. It is surely, on any objective assessment, more important than anything else taking place today. And it shouldn’t require a columnist, writing in the middle of a newspaper, to say so. It should be on everyone’s front page.
It is hard to convey the scale of this inferno, but here’s a comparison that might help: it is currently producing more carbon dioxide than the US economy. In three weeks the fires have released more CO2 than the annual emissions of Germany.
But that doesn’t really capture it. This catastrophe cannot be measured only in parts per million. The fires are destroying treasures as precious and irreplaceable as the archaeological remains being levelled by Isis. Orang utans, clouded leopards, sun bears, gibbons, the Sumatran rhinoceros and Sumatran tiger, these are among the threatened species being driven from much of their range by the flames. But there are thousands, perhaps millions, more.
One of the burning islands is West Papua, a nation that has been illegally occupied by Indonesia since 1963. I spent six months there when I was 24, investigating some of the factors that have led to the current disaster. At the time, it was a wonderland, rich with endemic species in every swamp and valley. Who knows how many of those have vanished in the past few weeks? This week I have pored and wept over photos of places I loved, that have now been reduced to ash.
Nor do the greenhouse gas emissions capture the impact on the people of these lands. After the last great conflagration, in 1997, there was a missing cohort in Indonesia of 15,000 children under the age of three, attributed to air pollution. This, it seems, is worse. The surgical masks being distributed across the nation will do almost nothing to protect those living in a sunless smog. Members of parliament in Kalimantan (Indonesian Borneo) have had to wear face masks during debates. The chamber is so foggy that they must have difficulty recognising each other.
It’s not just the trees that are burning. It is the land itself. Much of the forest sits on great domes of peat. When the fires penetrate the earth, they smoulder for weeks, sometimes months, releasing clouds of methane, carbon monoxide, ozone and exotic gases like ammonium cyanide. The plumes extend for hundreds of miles, causing diplomatic conflictswith neighbouring countries.
Why is this happening? Indonesia’s forests have been fragmented for decades by timber and farming companies. Canals have been cut through the peat to drain and dry it. Plantation companies move in to destroy what remains of the forest to plant monocultures of pulpwood, timber and palm oil. The easiest way to clear the land is to torch it. Every year, this causes disasters. But in an extreme El Niño year like this one, we have a perfect formula for environmental catastrophe.
The current president, Joko Widodo, is – or wants to be – a democrat. But he presides over a nation in which fascism and corruption flourish. As Joshua Oppenheimer’s documentary The Act of Killing shows, leaders of the death squads that helped murder around a million people during Suharto’s terror in the 1960s, with the approval of the West, have since prospered through other forms of organised crime, including illegal deforestation.
They are supported by a paramilitary organisation with three million members, called Pancasila Youth. With its orange camo-print uniforms, scarlet berets, sentimental gatherings and schmaltzy music, it looks like a fascist militia as imagined by JG Ballard. There has been no truth, no reconciliation; the mass killers are still greeted as heroes and feted on television. In some places, especially West Papua, the political murders continue.
Those who commit crimes against humanity don’t hesitate to commit crimes against nature. Though Joko Widodo seems to want to stop the burning, his reach is limited. His government’s policies are contradictory: among them are new subsidies for palm oil production that make further burning almost inevitable. Some plantation companies, prompted by their customers, have promised to stop destroying the rainforest. Government officials have responded angrily, arguing that such restraint impedes the country’s development. That smoke blotting out the nation, which has already cost it some $30 billion? That, apparently, is development.
Our leverage is weak, but there are some things we can do. Some companies using palm oil have made visible efforts to reform their supply chains; but others seem to move slowly and opaquely. Starbucks, PepsiCo, Kraft Heinz and Unilever are examples. Don’t buy their products until they change.
On Monday, Widodo was in Washington, meeting Barack Obama. Obama, the official communiqué recorded, “welcomed President Widodo’s recent policy actions to combat and prevent forest fires”. The ecopalypse taking place as they conferred, that makes a mockery of these commitments, wasn’t mentioned.
Governments ignore issues when the media ignores them. And the media ignores them because … well there’s a question with a thousand answers, many of which involve power. But one reason is the complete failure of perspective in a deskilled industry dominated by corporate press releases, photo ops and fashion shoots, where everyone seems to be waiting for everyone else to take a lead. The media makes a collective non-decision to treat this catastrophe as a non-issue, and we all carry on as if it’s not happening.
At the climate summit in Paris in December, the media, trapped within the intergovernmental bubble of abstract diplomacy and manufactured drama, will cover the negotiations almost without reference to what is happening elsewhere. The talks will be removed to a realm with which we have no moral contact. And, when the circus moves on, the silence will resume. Is there any other industry that serves its customers so badly?

Oliver Stone

The Untold History of The US - Bush & Obama Age of Terror 

By Oliver Stone

How the Bush administration tried to manipulate terror warnings on Americans to fulfill their political motives.
Posted October 30, 2015





Russia in the Middle-East 26

Russia in Syria: Air strikes pose twin threat to Turkey by keeping Assad in power and strengthening Kurdish threat

The country is finding itself increasingly at odds with the US, Russia and Iran over developments in the conflict
173
Russian planes carried out 71 sorties and 118 air strikes against Islamic fighters in Syria over the past two days compared to just one air strike by the US-led coalition – and this single strike, against a mortar position, was the first for four days.
The Russian air campaign in Syria is far more intense than the US-led attempt to contain the “Islamic State” (Isis) that has focused on helping the Syrian Kurds and attacking Isis-controlled oil facilities in eastern Syria. Countries affected by the Syrian conflict sense that its nature is changing and are seeking new strategies to take account of this. 
The US says it will increase the number of its air strikes and possibly make limited use of special forces to target Isis leaders. The problem for the US is that, aside from Syrian-Kurdish Peoples’ Protection Units (YPG), which number about 25,000 fighters, it does not have an effective partner on the ground in Syria capable of identifying and giving the coordinates of targets to attack. Russia is providing an air force for the Syrian army, the largest military force in Syria and one which, unlike the Kurds, is not confined to one corner of the country.  
Turkey is seeking an effective way to respond to two developments in Syria this year that are much against its interests. One is the start of Russian air strikes in support of President Bashar al-Assad on 30 September which makes Turkey’s policy of removing the Syrian leader, even if he is to be allowed to stay for a transition period, look unrealistic. The Russian presence also makes any direct Turkish military intervention increasingly risky.
All attention in Turkey is on the parliamentary elections on 1 November, but last Sunday there was an ominous clash in Tal Abyad, a town on the Syrian-Kurdish border captured by the YPG from Isis in June, in which Turkish forces twice opened fire with machine guns on the Kurdish paramilitaries. Nobody was injured, but the Turkish Prime Minister, Ahmet Davutoglu, confirmed that the Turkish army had targeted the YPG. He said that Turkey would not allow the Syrian Kurdish force “to go west of the Euphrates and that we would hit it the moment it did. We hit it twice.” 
Although it is not playing much of a role in the election, Turkey’s policy towards the war in Syria has been a complete failure. Its aim was to get rid of Mr Assad and his regime, but both are still power. Even more seriously, whatever Ankara’s intentions at the start of the conflict in 2011, it did not dream that four years later the Syrian Kurds, 10 per cent of the Syrian population, would have established a de facto state they call Rojava in north-east Syria which runs along half of Turkey’s 550-mile Syrian Kurdish border. 
Furthermore, the mini-state is tightly controlled by the PYD, the Syrian branch of the Kurdistan Workers Party (PKK) with whom the Turkish army has been fighting since 1984.  
As uprisings overthrew or destabilised regimes across the Arab world in 2011, President Recep Tayyip Erdogan, then Prime Minister, and his Justice and Development Party, imagined that what was lauded in the West as their successful “moderate Islamist” government would be the model for incoming regimes everywhere. 
But this never happened and today Turkey sees the Syrian Kurds – controlling a swathe of territory between the Tigris and the Euphrates – expanding under the cover of US air strikes along its southern frontier. Hence, Mr Davutoglu’s warning against the YPG crossing the Euphrates and seizing Jarabulus, the last Isis-held border crossing with Turkey, and then pushing on to link up with the Kurdish enclave at Afrin.  



Cross-border military intervention by the Turkish armed forces might prevent the YPG advancing to Afrin, but Professor Guvenc, while denying any professional military knowledge, says this would require an army corps or perhaps 35,000 soldiers. It is also a move that would be opposed by the US and Russia.  
Turkey is a member of Nato and over Syria is aligned with Saudi Arabia, Qatar and the Sunni states of the Gulf. But it is increasingly at odds with Russia and Iran, two powers in its near neighbourhood, and has serious differences with the US over its Syrian policy. 
A shooting war with the Syrian Kurds would be bound to fuel the conflict between the Turkish state and its Kurdish minority. Few Turkish voters know or care about the failure of Turkey’s policy in Syria, but it is already having a calamitous effect on their lives.