vrijdag 7 mei 2010

Ron en Rosa van der Wieken 5

Het hoofdstedelijke echtpaar Rosa en Ron van der Wieken maakt in zijn alles verwoestende obsessie met Israel een aantal fundamentele en tragische denkfouten. Allereerst gaan zij om hun redenering plausibel te laten lijken ervan uit dat kritische joden zichzelf alleen maar kunnen zien via de ogen van de niet-joden. Ze schrijven over

het diepe verlangen van sommige Joden om volledig te worden aanvaard en gerespecteerd door de niet-Joodse omgeving.

Kortom, joden in en buiten Israel kunnen niet zelfstandig tot het oordeel komen dat het geweld van Israel tegenover de Palestijnse burgerbevolking, door bijvoorbeeld niet te stoppen met het stelen van Palestijns land, verwerpelijk is. En wel omdat kritiek op de 'Joodse staat,' volgens het tweetal per definitie onaanvaardbaar is. En dit weer om de simpele reden dat door het antisemitisme Israel 'de kurk [is] waar het Joodse volk op drijft.' En zo is de cirkel weer rond. Terreur tegen het Palestijnse volk mag dus, aangezien ook het westerse antisemitisme tegen de joden latent blijft bestaan. Zolang Ron en Rosa en anderen met extremistische opvattingen zich niet echt veilig voelen in hun gastlanden mag van hen het internationaal recht door joden geschonden worden. De vraag is alleen: waarom het echtpaar nog steeds in Nederland leeft? Blijven ze wachten tot ze weer vervolgd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, dan lijkt hun voorkeur om toch in een westerse democratische rechtstaat te blijven op een vorm van masochisme. Immers, werkelijk kosjer voelen ze zich hier niet, zo maak ik uit hun redenering op. Nogmaals, Ron en Rosa kunnen kennelijk niet bestaan zonder het antisemitisme. En dat is het tragische, het is een onderdeel van hun identiteit geworden, ze klampen zich vast aan hun slachtofferisme. Daarom zijn ze ook zo fel tegen joden in Israel en daarbuiten die zich niet existentieel bedreigd voelen en die wel kritiek hebben op de terreur van de 'Joodse staat'. Alleen al het bestaan van joden die niet bevangen zijn door angst bedreigt de legitimiteit van het onveiligheidsgevoel van Ron en Rosa. De antisemiet is in wezen hun bondgenoot, de kritische jood hun grootste vijand. Het antisemitisme is voor het echtpaar een soort drug geworden, net zoals de nazi-holocaust dit is voor de joods-Canadese tekenares Bernice Eisenstein, die in het aangrijpende Ik was een kind van Holocaust Overlevers dit fenomeen aldus beschrijft:

De Holocaust is een drug en ik ben in een opiumkit terechtgekomen. Mijn eerste roes heb ik gratis, argeloos, toegediend gekregen, van iedereen hier. Van de kracht ervan heb ik zojuist een glimp opgevangen, doordat ik mijn ogen liet gaan over de sporen van de naalden op elke linkeronderarm in deze kamer. En vanaf dat moment ben ik verslaafd. Ik zal erachter komen dat er geen eind is aan de dealers die ik weet te vinden voor nog één shot, nog één keer toegang tot die hallucunerende spookwereld. Mijn ouders beseffen niet eens dat ze drugsdealers zijn. Ze zouden zich nooit het soort roes kunnen voorstellen dat H teweegbrengt. Hoe ik ernaar verlang onder te duiken in zijn eindeloze diepte, hoe hij me het huis uit jaagt om in mijn eentje naar de bioscoop te gaan, naar de bibliotheek, waar ik elke film kan zien en elk boek kan lezen dat me aan Holocaust kan helpen. Ik zou hele rollen film, samen met bedrukte boekpagina's, tot een fijn poeder kunnen vermalen, in lijntjes achter elkaar neerleggen en opsnuiven. Toen ik in de twintig was heb ik de roman De laatste der rechtvaardigen van Andre Shwarz-Bart drie keer geinhaleerd, alleen maar om steeds weer dezelfde dosis toegediend te krijgen. Hij leidde me naar de ultieme, onovertroffen superioriteit van Primo Levi, die me in een roes achterliet, onder mijn bed, opgekruld als een foetus, nog steeds bibberend om meer...

Er zijn geen grenzen aan hoe ver een geobsedeerde fanatasie kan gaan met dit soort dingen. Maar om van die verslaving, die dwang, af te komen, zou ik mezelf moeten blinddoeken, mijn oren moeten dichtstoppen, mijn mond afplakken en de waarheid dat ik zonder de Holocaust niet zou zijn wie ik ben, moeten uitvlakken. Hij heeft me gestigmatiseerd en gebrandmerkt met zijn gestippelde kenteken op mijn onderarm, me onherroepelijk zijn wereld binnengetrokken als zijn nakomeling. Het collectieve geheugen van een generatie spreekt en ik ben gedwongen te luisteren, zijn verschrikkingen te zien en zijn verontwaardiging te voelen.

Dit proces van 'geobsedeerde fantasie' is het logische gevolg van hetgeen Hannah Arendt al 65 jaar geleden voorspelde toen ze constateerde

dat vele zionisten er inderdaad van overtuigd waren dat zij joden waren door de vijanden van het joodse volk. Hieruit concludeerden de zionisten dat het joodse volk zonder het anti-semitisme in de landen van de diaspora niet overleefd zou hebben; en daarom waren zij tegen elke poging om anti-semitisme op grote schaal te vernietigen. Integendeel, ze verklaarden dat onze vijanden, de anti-semieten, ‘onze betrouwbaarste vrienden zijn, de anti-semitische landen onze bondgenoten.’ (Herzl).

En zo is een paranoide levenshouding ontstaan die men als volgt zou kunnen typeren: des te sterker en veiliger de joden zijn, des te angstiger en agressiever de zionisten zich opstellen. En die angst en dat geweld slaat natuurlijk op den duur naar binnen, dit mechanisme is een kenmerkend onderdeel van sectarisme. Vandaar dat Ron en Rosa in het Nieuw Israelitisch Weekblad fel uithalen naar degenen die zij zelf zien als 'Joden' behorend tot hun 'eigen volk'. Het criminaliseren van de 'eigen' mensen is meestal de laatste stap voordat de rekening wordt vereffend. De vijand moet eerst benoemd worden, de externe druk moet opgevoerd worden om interne cohesie af te dwingen, de 'verrader' moet aangewezen worden en gedehumaniseerd. Dus 'een hedendaags voorbeeld van een overtuiging die een jood buiten de grenzen van het Jodendom plaatst is anti-Israelisme,' zo laat het echtpaar Van der Wieken weten. Kritiek op Israel betekent antisemitisme want

zonder een joodse staat zijn joden weer in een situatie zoals vóór WOII, waarbij uiteindelijk elke jood vogelvrij kan zijn. Dat betekent dat iedere jood die een bijl aan het bestaan van de staat Israel probeert te slaan, bereid is het voortbestaan van het Joodse volk op het spel te zetten.

Hij is daarmee per definitie een 'antisemiet'. Deze redenering toont een gesloten wereldbeeld, en is een betoog dat zichzelf in zijn staart bijt.

Wat is tenslotte de oorzaak van het feit dat er joden zijn die kritiek hebben op Israel? Welnu, dat komt niet door de Israelische schendingen van de internationale rechtsregels en van alle normen van fatsoen, maar dat komt doordat 'Joden met een laag zelfgevoel en een zwakke band met joodse cultuur en religie die negatieve beelden [kunnen ervaren] als behorend bij hen zelf.' Niet Israel pleegt geweld, maar de joden die Israel bekritiseren, zij zwichten voor de druk van buitenaf. Dus van Hannah Arendt en Martin Buber tot Noam Chomsky, Tony Judt en Avraham Burg hebben we, in de ogen van het Amsterdamse echtpaar, te maken met 'rabiate antisemieten.' Wat moet er nu gebeuren met het slag 'verraderlijke zelfhaters' dat gebukt gaat onder 'een laag zelfgevoel'? Immers, waar verraad wordt gepleegd moet handelend worden opgetreden. Daarover later meer en dan ook meer over het echtpaar Ron en Rosa van der Wieken.

http://dejoodselobby.web-log.nl/dejoodselobby/2010/03/de-joodse-antis.html#more

Imre Kertesz die de vernietigingskampen overleefde schrijft over datgene wat zijn leven heeft bepaald:

Ik begreep dat ik, als ik mijn vergankelijke zelf en de veranderende tonelen wilde trotseren, me op mijn scheppende herinnering moest verlaten en zelf alles moest herscheppen.

Een mens is veel meer dan een al dan niet zelfbenoemd slachtoffer.

Hans Ester. Kuifje 3


http://www2.iath.virginia.edu/crocker/

Wanneer Hans Ester een niet racistische strip wilt zien dan moet hij het werk van de creool George Herriman eens bekijken. Ik heb veel werk van hem, schitterend, poetisch en tragisch tegelijk, en uitermate subtiel.

George Herriman was born in a light-skinned Creole of Color family in New Orelans, Louisiana
In his adolescence Herriman's father moved the family to Los Angeles, California among many educated New Orleans Creoles of Color to do so at the time in order to avoid the increasing restrictions of Jim Crow laws in Louisiana. (In later life many of Herriman's newspaper colleagues were under the impression that Herriman's ancestry was Greek, and Herriman did nothing to disuade them of this notion.)

At the age of 17 Herriman began working as an illustrator and engraver for the Los Angeles Herald newspaper. Over the next few years he did many newspaper spot illustrations and cartoons, and produced several early comic strip

A sequence of drawings telling a story in a newspaper or comic bookcomic strips, at times producing several daily strips at the same time. Herriman's early strips including Major Ozone, Musical Mose, Acrobatic Archie, Professer Otto and his Auto, Two Jolly Jackies and several others, most of which were only slightly above the average quality of newspaper strips of the time.

Perhaps the first indication of Herriman's unusual creativity and the bizarre poetical sense of humor which would make him famous surfaced in 1909 with his strip Goosebury Sprig, the Duck Duke. The following year Herriman began a domestic comedy strip called The Dingbat Family. After a while Herriman started drawing The Dingbat Family strip as two strips in one; the main action happening with the human family taking up most of each panel, and an unrelated storyline involving a cat and mouse underneath the family's floorboards taking place in the bottom segment of each panel. This strip was then renamed The Family Upstairs. The cat and mouse strip was then spun off into another strip in 1913, originally Krazy Kat and Ignatz, and then Krazy Kat.

Herriman also continued drawing the domestic comedy strip, again named The Dingbat Family, until 1916. From 1916 through 1919 Herriman also drew the daily strip Baron Bean. Herriman would continue to draw other strips in addition to Krazy Kat through 1932.

Herriman at His Best

Krazy Kat, however, was the strip which became Herriman's most famous. It was never the most popular strip of its day; many readers complained it made no sense. However it had an enthusiastic following, including many prominent artists and intellectuals of the era, as well as Herriman's publisher William Randolph Hearst, United States newspaper publisher whose introduction of large headlines and sensational reporting changed American journalism (1863-1951)William Randolph Hearst himself.

On June 25, 1944, two months after Herriman's death, the last of his Krazy Kat strips was printed. At the time Hearst usually brought in new cartoonists when the artists of a popular strip died or quit, but an exception was made for Herriman, as no one else could take his place.

Herriman was the illustrator for the first printed edition of Don Marquis, Humorist who wrote about the imaginary life of cockroaches (1878-1937)Don Marquis' archy and mehitabel
archy and mehitabel stories.

Hans Ester. Kuifje 2



De joodse bankier Bohlwinkel in Kuifje.

Over het album De geheimzinnige ster (1942) meldt Wikipedia:

Het verschijnt in volle oorlogstijd en valt op doordat de antagonisten in het verhaal oorspronkelijk onder de Amerikaanse vlag opereerden en geleid werden door een Jood, die de naam Blumenstein kreeg. Bij een herziening van het album na de oorlog, wordt Amerika vervangen door het fictieve São Rico. Ook de man achter de geldzuchtige operatie krijgt een in Hergé's oren minder Joods klinkende nieuwe naam: Bohlwinkel (een verwijzing naar het Brusselse bollewinkel; snoepwinkel). Wat Hergé toen niet wist is dat ook Bohlwinkel een vaak voorkomende Joodse naam is.


Juist ja, en omdat Herge niet wist 'dat ook Bohlwinkel een vaak voorkomende Joodse naam is' gaf de striptekenaar hem een karikaturaal joods uiterlijk, begrijpt u? Ik niet.

Sonja heeft een nieuwe reactie op uw bericht "Hans Ester. Kuifje" achtergelaten:

Hans Ester:
Kuifje opnieuw in de beklaagdenbank (2007)

"Afrika komt in beeld als wereld waar de Europeaan naar willekeur op dieren kan jagen of kan laten exploderen, zoals met de neushoorn gebeurt. Vooral aan dit laatste stoorde ik mij als kind reeds. De Congolezen met hun krakkemikkige stoomtreintje als karikatuur afgebeeld, dat was duidelijk als grap bedoeld. Maar bij de vijftien impala's die Kuifje afschiet, of bij de leeuw van wie Bobbie de staart afbijt, is van humor helemaal geen sprake. "

Sic.


When Franz Stangl, the commandant of Treblinka, was asked why the killing of the jews was organized in such a way as to achieve the maximum humiliation and dehumanization of the victims, he replied: 'To condition those who actually had to carry out the policies. To make it possible for them to do what they did.'

Hans Ester. Kuifje


Sonja heeft een nieuwe reactie op uw bericht "Ron en Rosa van der Wieken 3" achtergelaten:

Over nazi's en grenzen gesproken (off topic)

Dr. Hans Ester doceert literatuurwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij bepleitte onlangs in het Nederlands Dagblad dat de raciale stereotyperingen van andere rassen in Kuifje prima in orde zijn omdat het humor is. Het is 'alleen maar' overdrijving. Het zijn slechts "karikaturen".

Wikipedia meldt over het Congo van Kuifje (voor het eerst gepubliceerd in 1931):

In geen tijd werd de Kongo-Vrijstaat het toneel van een ware bonanza, waarbij de concessie-maatschappijen en de overheid zelf op steeds driestere wijze steeds hogere winsten nastreefden, zonder enig respect voor de inlandse bevolking. Zo mondde het beleid van Leopold II, althans in de kerngebieden van de rubber-winning (onder meer in het noord-westen langsheen de Congo-stroom), uit in een waar schrikbewind, gekenmerkt door dwangarbeid en meedogenloze repressie. Arbeiders die de opgelegde quota niet vervulden of die de onmenselijke dwangarbeid ontvluchtten werden zwaar bestraft, vaak mishandeld - tot het afhakken van de handen toe - of zelfs standrechtelijk gefusilleerd. De brutale ontwrichting van de op pluk en jacht gerichte gemeenschappen in het gebied van het evenaarswoud leidde bovendien tot een scherp dalende nataliteit, terwijl de snelle verspreiding van voorheen lokale of vanuit het westen geïmporteerde ziekten de mortaliteit omhoog joegen. De schattingen over het totaal aantal slachtoffers variëren aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement heeft het over drie miljoen tijdens een periode van twaalf jaar. Peter Forbath noemt ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild spreekt van tien miljoen en de Encyclopædia Britannica spreekt van een totale bevolkingsafname van twintig tot dertig miljoen naar acht miljoen.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgisch_Congo

De Belgische Congolees die aangifte heeft gedaan zal zijn achtergrond kennen. Ester vindt dat zijn protest van een "trieste humorloosheid" getuigt. Maar de Congolezen moeten met hun smerige bruine tengels van Hans Ester's witte held afblijven.

Lees van Adam Hochschild: The Blood Diamonds Myth en Blood and Treasure - Why one of the world's richest countries is also one of its poorest.




Baie dankie Sonja, hier is Kuifje zelf. Hij begint met de stelling dat:


Tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw was de toenmalige regeringspolitiek van Zuid-Afrika samen met de dragers van die politiek, hiertelande zodanig gedemoniseerd dat er voor vragen en nuances geen ruimte meer was.

Gedemoniseerd? Nuances? Hoe genuanceerd is dit nu weer? Van Dale erbij: 'demoniseren, door voortdurende beschuldigingen een uiterst negatief beeld... creeren.' Met ander woorden: deze 'dosent in Algemene Kultuurwetenskap aan die Universiteit Radboud te Nijmegen,' een taalkundige dus die met zorg zijn woorden kiest is van mening dat het Apartheidsregime 'door voortdurende beschuldigingen een uiterst negatief beeld' kreeg en niet door de Apartheid zelf uiterst negatief was. Het gevolg is geweest dat iedereen, behalve Hans Ester en overtuigde racisten geen nuanceringen aanbrachten m.b.t. het racisme, of in de woorden van onze academische Kuifje zelf:

Ik had die vragen wel. Wat er binnen de beeldvorming van Zuid-Afrika gebeurde, is dat er in zo sterke mate gereduceerd werd dat het voor de ideologen mogelijk was om dat overzichtelijke beeld van een totaal verwerpelijke politiek ongestoord te handhaven en aan anderen op te leggen.

Sleutelwoorden: Demoniseren, Nuances, Reduceren, Opleggen.


Vooruit dan maar:


Friday, July 3rd, 2009

Om met begrip te kan kyk

Dr. Hans Ester in gesprek met Louis Esterhuizen

Hans Ester

Hans Ester

Hans Ester is gebore in 1946 in Utrecht. Hy besoek die Gereformeerde Burgerskool, sowel as die hoërskool, in Utrechten bestudeer daarna Duits, Afrikaans en Teologie in Amsterdam,Johannesburg en Tübingen. Hy promoveer in 1975 aan die Universiteit van Leiden. Hans Ester se belangstellings is onder andere die Duitse letterkunde van die 19de eeu, asook die letterkunde van die DDR, genrè-verskuiwngs binne die Suid-Afrikaanse letterkunde, die geskiedenis van florale dekorasies op skilderye en boeke deur die eeue heen. In 2002 is ‘n ere-doktorsgraad aan hom toegeken deur die Universiteit van die Noordweste (Potchefstroom). Tans is hy besig om in samewerking met Lina Spies ‘n bloemlesing saam te stel van Afrikaanse gedigte oor Nederland en Vlaandere. Vroeër vanjaar is die Elisabeth Eybers-beurs aan hom toegeken en hy is van voorneme om dié geld aan te wend om in November 2009 weer ‘n besoek aan Suid-Afrika te kan onderneem. Hans Ester is ‘n dosent in Algemene Kultuurwetenskap aan die Universiteit Radboud te Nijmegen.

Dr. Ester, vir etlike dekades is u al prominent teenwoordig (en verantwoordelik) vir die uitbouing van Afrikaans as konstante teenwoordigheid in Nederland en omstreke. Vanwaar hierdie passie vir ’n taal en sy kultuur wat getalsgewys maar relatief onbeduidend is?

Voor mijn betrokkenheid bij het Afrikaans als taal en de in het Afrikaans geschreven letterkunde zijn twee oorzaken die elkaar over en weer hebben versterkt. Tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw was de toenmalige regeringspolitiek van Zuid-Afrika samen met de dragers van die politiek, hiertelande zodanig gedemoniseerd dat er voor vragen en nuances geen ruimte meer was. Ik had die vragen wel. Wat er binnen de beeldvorming van Zuid-Afrika gebeurde, is dat er in zo sterke mate gereduceerd werd dat het voor de ideologen mogelijk was om dat overzichtelijke beeld van een totaal verwerpelijke politiek ongestoord te handhaven en aan anderen op te leggen. Als student aan de Universiteit van Amsterdam voelde ik nattigheid. Daarom ben ik een eigen weg gaan volgen om Zuid-Afrika te leren kennen. Ik heb de publicaties van alle actigroepen en van de Wereldraad van Kerken met aandacht gelezen, maar ik voelde onmiddellijk de noodzaak om ook andere bronnen aan te boren. Aan regeringspropganda van de kant van Zuid-Afrika had ik geen behoefte. Ik wilde weten wat mensen in Zuid-Afrika beleefden en hoe ze daar bewust en onbewust op reageerden. Mijn bron bleek in de letterkunde te liggen. Automatisch werd de wereld van de letterkunde steeds belangrijker voor mij. In Amsterdam bestond de studierichting “Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde”. Bij Truida Lijphart-Bezuidenhout ben ik in 1967 Afrikaans gaan studeren.

Kan u enkele tekste noem wat u gelei het tot ’n beter begrip van dit wat Suid-Afrikaners beleef en “hoe ze daar bewust en onbewust op reageerden”, soos u dit stel? In die vroeë 60s was die Louw-broers en DJ Opperman immers in volle swang, is dit nie?

Aanvankelijk was ik eerlijk gezegd niet zo enthousiast over de gedichten van de Louw’s en van Dirk Opperman die wij lazen. Het was teveel hun eigen gevoelsleven dat ik in die gedichten ontmoette. Althans dat was mijn perceptie. Het kwartje viel pas echt door de gedichten van Elisabeth Eybers, omdat ze tot uitwisseling van gedachten uitnodigen en door de romans van Etienne Leroux. “Sewe dae by die Silbersteins”, das was een roman die mij aansprak, omdat ik meende eindelijk iets van de ingewikkeldheid van Zuid-Afrika te begrijpen. Truida Lijphart had wellicht meer korte verhalen moeten behandelen. Zij maakte de fout die ik zelf ook met mijn studenten “Zuid-Afrika-studies” hier in Nijmegen heb gemaakt: je denkt als docent al gauw dat de studenten de realia, de feiten van de samenleving, kennen. Maar die student hongert naar situaties die uit het leven van Johannesburg en Durban gegrepen zijn. Omgekeerd zal het ook zo gaan. Je moet Zuid-Afrikaanse studenten niet in het diepe plonzen door meteen met Arthur van Schendel te beginnen. Ik moet hier toevoegen dat de spreuk van Le Corbusier: “Je moet zien wat je ziet” alleen uitgelegd kan worden door te beseffen dat het zien is ingebed in een vorm van begrijpen. Dat begrijpen is van taal, van woorden afkomstig. De scheppende kracht van het woord is mij in Zuid-Afrika zeer sterk bewust geworden. Ik voeg er ook nog aan toe dat ik het als voorrecht heb ervaren om met Zuid-Afrikaanse schrijvers in contact te komen. In de meeste gevallen zijn Nederlandse schrijvers ontoegankelijke mensen. Ze missen ook de humor van de Zuid-Afrikanen. Karel Schoeman heeft dat in ‘n Ander Land feilloos aangevoeld. Nederlanders missen de levensvreugde van de Afrikaners.

Nog ’n Afrikaanse skrywer met wie u gereeld kontak gehad het, is Elisabeth Eybers. U het ook heelwat artikels oor haar werk gelewer en kan vandag seker (saam met prof. Ena Jansen) as een van die grootste Eybers-kenners beskou word. Is daar ’n spesifieke moment of insident wat vir u in u geheue uitstaan van haar as mens?

Om deze vraag moest ik wel even glimlachen. Er was inderdaad een moment in de ontmoeting met Elisabeth Eybers waar ik steeds aan terugdenk. Het moet geweest zijn in 1988. Nadat we in haar appartement Stadionkade 17 / I koffie hadden gedronken, liep ik met Elisabeth mee naar de fietsenmaker waar zij haar fiets stalde (tegen betaling mocht neerzetten). Het was voor mij merkwaardig dat zij een trapje af moest om bij haar fiets te komen, nogal onhandig, zowel naar beneden als naar boven. Nadat Elisabeth met haar fiets wonder boven wonder op straat stond, namen wij plechtig afscheid van elkaar, omdat ik de week erna naar Johannesburg zou vertrekken. Toen die ceremonie beëindigd was, stapte Elisabeth op haar fiets en reed het drukke verkeer op de Stadionweg in. Ik stond doodsangsten uit. Zij maakte namelijk absoluut niet de indruk dat zij stabiel op het zadel zat en soepeltjes tussen de auto’s door kon laveren. Tot overmaat van ramp zag ik haar omkeren om weer naar mij terug te rijden. Ze was nog iets vergeten te zeggen. Het ontroerde mij en tegelijkertijd was ik bang dat mijn aanwezigheid haar voortijdige levenseinde angstwekkend naderbij had gebracht. Korte tijd later hoorde ik dat Elisabeth van dat trapje bij de fietsenmaker was gevallen en het fietsstadium definitief achter zich had gelaten.

Vir vele jare is u al betrokke by die NZAV se Afrika-huis te Keizersgracht in Amsterdam. Vertel ons so ’n ietsie van die werksaamhede van hierdie besonderse inisiatief?

Tien jaar lang was ik als opvolger van Gerrit Schutte voorzitter van het Suid-Afrikaanse Instituut, onderdeel van het Zuid-Afrikahuis, in Amsterdam. Het waren aanvankelijk moeilijke jaren. Omdat het vertrouwen in de toekomst van Zuid-Afrika in Nederland ontbrak. Het waren ook overzichtelijke jaren, omdat wij met ons pleidooi voor culturele samenwerking met Zuid-Afrika precies wisten waar we voor stonden. Dat is nu met een regering als die van Jacob Zuma die je niet helemaal kunt doorgronden veel moeilijker geworden. Het belangrijkste werk was de instandhouding en uitbreiding van de prachtige bibliotheek. Daarnaast werd de reeks publicaties voortgezet. En ten derde verkregen we de toestemming van de Universiteit van Amsterdam om weer na zoveel jaren van stilte colleges op het gebied van Zuid-Afrika aan te bieden en die erkend te krijgen door de Letterenfaculteit. Daarmee is het proces op gang gekomen dat uiteindelijk uitmondde in de herinstelling van het bijzonder hoogleraarschap.

Dan het Afrikaans die afgelope jare nogals heelwat gewen aan aansien binne Akademiese kringe in Europa. Daar is u kursus te Nijmegen, asook die leerstoel by die Vrije Universiteit te Amsterdam en natuurlik, prof. Jerzy Koch in Pole, om maar net enkeles te noem. Heelwat van ons akademici word ook gereeld na Nederland gebring as gasdosente vir ’n periode. Ek neem aan dat u baie opgewonde is oor hierdie tendens, maar is dit ’n wesenlike ontwikkeling in die vestiging van Afrikaans as prominente teenwoordigheid in Nederland of maar gewoon ’n hoflikheidsgebaar?

Er is een trouwe gemeenschap van mensen in Nederland gegroeid die oprecht belangstelling hebben voor Zuid-Afrika. Het is verbazingwekkend hoeveel deze mensen van Zuid-Afrika weten en hoeveel ze lezen. Of dit stabiel zal blijven, durf ik nu nog niet te zeggen. Er is ook een tendens om meer van Europa, onder meer van de nieuwe landen van de Europese Unie, te ontdekken. Wat de studenten betreft, ja dat is opmerkelijk hoeveel zich voor de cursussen aanmelden. Voor de cursus over multiculturalisme waren het er zeker 70. Dat onderwerp is onder meer ook interessant in het licht van de vraagstukken van multiculturele aard in Europa nu. De studenten zijn erg leergierig en zijn niet gauw tevreden. Ze stellen als een soort klanten van de academische winkel hoge eisen aan de docenten.

In die gesprekke met Alfred Schaffer en Antjie Krog is daar heelwat vergelykende opmerkings gemaak ten opsigte van die Nederlandse en Afrikaanse digkunste. Gaan u akkoord hiermee? Op welke punte verskil u van hulle; veral van Alfred Schaffer se opmerkings, miskien?

Ik moet in de eerste plaats zeggen dat ik de uitspraken van Alfred Schaffer zeer informatief vind. Hij kent dit deel van het literaire leven in Nederland en Vlaanderen uitstekend. Waar ik als reactie op de informatie van Alfred Schaffer nieuwsgierig naar ben, is het tijdsverloop vanaf de publicatie van een dichtbundel naar de ontvangst door het publiek. Er vindt een proces van presentatie en waardering plaats. Welke factoren bepalen het verloop van dat proces? Welke factoren hebben er bij voorbeeld voor gezorgd dat Breyten Breytenbach in Nederland aanvankelijk nauwelijks bekend was (en door zijn uitgever met verlies werd gepubliceerd) en thans alom als een wijze nestor van de dichtkunst wordt beschouwd? In aansluiting daarop stel ik de vraag waarom bepaalde dichters uit het Afrikaans in het Nederlands zijn vertaald en andere, niet minder getalenteerde en waardevolle, niet. Het zou de moeite waard zijn om over het vraagstuk van de waardering de essays van Van Wyk Louw over poëzie nog eens na te lezen.

In literêre sirkels word daar nogals dikwels gedebateer oor die sogenaamde tweespalt tussen poësie en filosofie; veral vanweë DJ Opperman se bekende siening dat dié twee dissiplines nie te versoen is nie. Hoe voel u hieromtrent, synde letterkundige sowel as filosoof? Is ’n filosofies-gefundeerde vers haalbaar?

Wanneer we de filosofie beschouwen als een wijze van denken en beschouwen waarin de voorwaarden van het denken en begrijpen het onderwerp vormen, dan kun je tegen de combinatie van filosofie en dichtkunst, denkend vanuit een direkte relatie van ervaring en vormgeving, bezwaren hebben. Kijken we naar de geschiedenis van de dichtkunst, dan zien we dat het huwelijk van filosofie en dichtkunst uitermate vruchtbaar is geweest. Wij zijn echter gewend geraakt aan het gedicht als een openbaring van het hoogstpersoonlijke leven, zowel qua gevoel als qua ervaring. Hoewel ik er aan moet toevoegen dat er ook in deze tijd allerlei vormen van poëzie bestaan die een grote gebruikswaarde in het sociale leven van alledag hebben. De kerkliederen zijn daar een voorbeeld van. Stichtelijke gebruikspoëzie is de voortzetting van een eeuwenoude traditie. Verder is het van belang om op te merken dat de dichtkunst als inspiratiebron van de filosofie zeer waardevol is. Wie over het onzegbare van de Holocaust, dus over de grenzen van de taal ten opzichte van ervaringen van terreur nochtans iets zinnigs wil zeggen, zal naar de gedichten van Paul Celan en Nelly Sachs kijken om deze paradox te benaderen.

In u onderhoud met prof. Lina Spies vra u haar of die poësie vir haar “een dam tegen de vergankelijkheid” is. Is dit hoe u persoonlik die aard van die poësie sien?

Ja, in een belangrijk opzicht beschouw ik de dichtkunst als een dam tegen de vergankelijkheid. Een van de meest verdrietige ervaringen in het leven is het onvermogen van de taal om als drager van de zuiverste emoties te dienen. De taal die wij gebruiken is afhankelijk van conventies en daarmee van concessies aan de “algemeenheid”. Tegenover het verlangen van de mens naar erkenning door de medemens en gemeenschappelijkheid met de anderen staat de behoefte om een onmiskenbare eigen identiteit te bezitten en dat hoogstpersoonlijke in taal uitgedrukt te zien. Misschien moet ik het nog anders formuleren: tegenover de taal van de gemeenschappelijkheid bevindt zich de taal van de authenticiteit. Dat is de Heilige Graal waar wij naar zoeken. De poëzie bevat de belofte van die Heilige Graal, van dat thuiskomen bij het verlossende woord.

Dr. Ester, u is net so goed – indien nie meer nie – as die plaaslike taalstryders bewus van die besonderse uitdagings wat ons in die gesig staar ten einde as minderheidstaal te oorleef in ’n veeltalige samelewing. Is daar bepaalde strategieë wat u wens geïmplementeer te sien in hierdie verband?

Over die vraag breek ik voortdurend mijn hersens. Een gedachte waar ik niet van loskom en die ik als waardevol en verdedigbaar beschouw is, dat talen niet als hinderpaal moeten worden gezien maar als schitterende uitingen van ons aller menselijkheid. Talen roepen er om om bestudeerd en besnuffeld te worden. Er is helaas een luiheid ontstaan die talen als barriëres ziet. Ik denk dat een van de redenen voor de creativiteit van de Midden-Europese Joden was om van taal tot taal over te gaan. Het feit dat ik in een eentalig land (min of meer eentalig land) ben opgegroeid, heb ik altijd als verlies ervaren. Gelukkig bracht ik lange perioden als kind in Duitsland door. In de huid van een nieuwe taal glippen om jezelf nieuw te ervaren, was voor mij een bron van gelukzaligheid, een bron die in staat is om het leven reliëf te geven en het vast te houden. Talen als rijkdom, daar zijn we spijtig genoeg nog niet allemaal van doordrongen.

Dan, as liefhebber van die digkuns, het u uiteraard persoonlike gunstelinge onder die digters. Wie lees u graag en watter digters binne die Suid-Afrikaanse digkuns spreek pertinent tot u?

Het is lastig om een selectie te maken. Ik heb Elisabeth Eybers altijd met fascinatie en winst gelezen. Ook Lina Spies. Breyten Breytenbach vind ik superieurs in zijn essays over dichtkunst. Daarin benadert hij het niveau van Rainer Maria Rilke, uiteraard op zijn manier, maar met een bijzondere fijngevoeligheid.

Bo en behalwe akademikus is u natuurlik ook ’n kranige tuinier. So is u bekend vir die uitgebreide versameling kappertjies wat u in u tuin aangeplant het en versorg. Is daar ’n spesifieke rede waarom u juis vir dié plant so ’n passie ontwikkel het?

Hoe graag ik ook als kranige tuinier bekend zou staan, die eretitel kan ik onmogelijk voor mij opeisen. Een echte tuinier ordent, overziet het geheel en snoeit. Het kost mij grote moeite om in de natuur in te grijpen. Het begrip “onkruid” kan ik niet bevatten. Wat ik dus doe is kijken naar de ongelofelijke veelheid van planten en bloemen. Soms moet er echter omwille van het evenwicht worden ingegrepen. Dat is lastig. De tuin is het herstelde paradijs in het klein. Waren er tuiniers in het paradijs? Er zijn weinig verschijnselen die zo universeel zijn als de gekoesterde tuin. Ik denk dat God als Schepper een enorm gevoel voor humor heeft. Kijk naar de kleuren van de vissen. Daar straalt toch het scheppingsplezier van af. Dat plezier ervaar ik bij de kappertjies. Wie bepaalt de kleur van die tere en toch zo zorgeloze bloemen? Van geel tot donkerrood met allerlei kleurslingers aan de binnenkant van de bloemen, dat is verrassend en geweldig grappig. Een dergelijk veld vol is een wonder, vooral na de winter met de afbrekende nachtvorst.

Ons het reeds verwys na u besonderse vriendskap met Eliabeth Eybers, maar nog ’n vriendskap met ’n Afrikaanse skrywer wat u reeds vir jare in stand hou, is met Abraham de Vries. Hoe het julle mekaar ontmoet en wat is na u mening die basis van die besonderse band tussen julle?

Braam de Vries heb ik voor het eerst ontmoet in 1975 toen Braam nog aan de Universiteit van Natal in Durban doceerde. Het gesprek dat we toen voerden, is gepubliceerd in het mooie tijdschrift “Literair Paspoort”. Daarna volgden nog vele ontmoetingen, in Kaapstad of in Nijmegen. Braam is een bijzonder inspirerende gespreksgenoot. Praten met hem levert altijd iets goeds op. Het bijzondere aan Braam is de onvoorwaardelijke trouw aan zijn vrienden. Jouw belang is zijn belang. Dat geldt in gelijke mate voor Hannie, Braams vrouw. Als Abraham de Vries weet dat een bepaald boek jou gelukkig zal maken, dan zal hij stad en land aflopen om dat boek in handen te krijgen. En dat gebeurt met een opgewektheid en vrolijkheid die zeer aanstekelijk zijn. Waar ik me steeds opnieuw over verbaas, is de taal van Braam de Vries. Een ervaring die vlak lijkt en rimpelloos voorbij kan gaan, krijgt door zijn woorden een onverwacht reliëf. Braam ziet het bijzondere in wat er om je heen gebeurt. Ik heb ooit een fietstocht met hem gemaakt via de heuvels rondom Nijmegen naar het natuurgebied aan de Rijn. Achteraf gezien was dat zeer onverstandig, omdat Braam in geen twintig jaar op een fiets had gezeten. Moeizaam voortploeterend op onze zware fietsen, werden wij ingehaald door een stel jongens op racefietsen. Het commentaar van de racers op ons slakkentempo loog er niet om. Braam wist er hartelijk om te lachen en dat is de reden dat ik me niet ergerde en mij het voorval met genoegen herinner.

Dr. Ester, u het enkele jare gelede grootvader (oupa) geword en uit u korrespondensie is dit duidelik dat dit vir u iets van besondere waarde is en ’n bron van vreugde. Kan u vir ons so ’n kykie gee na dr. Hans Ester as grootvader van drie kleinkinders?

Sebastiaan is nu 5, zijn broertje Nathan is 3 en zijn zusje Sarah is anderhalf jaar. Ze zijn de kinderen van onze dochter Lieska. Het leuke van dit dartele drietal is dat ze dol op boeken en daarom op voorlezen zijn. Absolute favoriet is Michiel van de Hazelhoeve van Astrid Lindgren. Ook Kuifje gooit hoge ogen. De beste aandacht die je kinderen kunt geven, is in mijn ogen dat je ervaringen uit je leven op hun niveau vertelt. Gemoraliseer heeft bij kinderen helemaal geen zin. Je moet verhalen vertellen zodat ze begrijpen waarom sommige dingen goed zijn en andere dingen vermeden moeten worden. Het leuke is dat wanneer ik bijvoorbeeld over mijn trouwe eend (die zelfs meeliep om inkopen te doen) of over de duiven van mijn broer vertel en even pauzeer, de reactie van Sebastiaan luidt: “Lees nou verder!” Voor een filosoof zou dit het begin kunnen zijn van een beschouwing over het leven als een voortdurend lezen van een schat aan tekens.

Baie dankie vir die gesprek, dr. Ester. Dit word enorm waardeer. Sal u ten slotte so vriendelik wees om vir ons lesers een van u gunsteling Afrikaanse gedigte hieronder oor te tik?

Louis, een van de mooiste gedichten vind ik “Die eerste nag” van Elisabeth Eybers uit de bundel “Die stil avontuur” –

Die eerste nag

Hoe veilig en stil is my kindjie se slaap,

die tastende handjies so vreedsaam gevou,

die soekende mondjie geslote en soet,

die ogies ’n skemering van blank en blou.

Wat sal haar moeder nou vir haar bid

waar sy slaap in haar wiegie, so warm en wit?

Watter geheim sal sy vra dat haar kind

in die skadu van latere nagte mag vind?

Wat, in die nag wat eensaam is?

- Dat skoonheid gebore word uit gemis.

Wat, in die nag van kwelling en pyn?

- Dat die môrester dan die suiwerste skyn,

Wat, in die nag van liefdeslus?

- Dat die teerheid sterker as hartstog is.

Wat, in die nag van barensnood?

- Dat die lewe magtiger is as die dood.

Wat, in die nag wat die laaste sal wees?

- dat wie die Lewe het niks hoef te vrees.

Want elkeen aan wie die nag dit verklaar

sal wysheid dieper as kennis bewaar.

Hoe veilig is nou nog my kindjie se slaap,

die tastende handjies so vreedsaam gevou,

die soekende mondjie geslote en soet,

die ogies ’n skemering van blank en blou …

O duistere Nag, wees goed vir my kind

later, wanneer jy haar wakker vind.

(c) Elisabeth Eybers


http://versindaba.co.za/tag/hans-ester/